Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:1800

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4320
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

omgevingsvergunning verleend voor bouw appartementencomplex; CHW niet van toepassing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 19/4320 en 20/4201

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen

1. [eiser 1] , te [woonplaats] , eiser 1;

2. [eiser 2] , te [woonplaats] , eiser 2

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J. Turenhout).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

1. [derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] , vergunninghoudster

(gemachtigde: mr. R.J.H. Minkhorst).

2. Stichting Huisvesting Werkende Jongeren (SHWJ), te Leiden, belanghebbende.

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder vergunninghoudster

een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een appartementencomplex, het kappen van twee bomen en het verplanten van een boom aan de [kade] [nummer 1] te [plaats] .

Bij besluit van 20 mei 2019 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser

ongegrond verklaard.

Eiser 1 heeft tegen bestreden besluit beroep 1 ingesteld (zaaknr. SGR 19/4320) en nadien meermaals en uitgebreid gemotiveerd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Vergunninghoudster heeft een zienswijze ingediend.

Verweerder heeft bij brief van 14 april 2020 (bestreden besluit 2) bestreden besluit 1 gewijzigd en aanvullend gemotiveerd.

Eiser 2 heeft tegen bestreden besluit 2 beroep ingesteld (zaaknr. SGR 20/4201).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2020. Beide beroepen zijn gevoegd behandeld. Eiser 1 en eiser 2 zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [A] en [B] . Namens vergunninghoudster zijn verschenen [C] en [D] , bijgestaan door hun gemachtigde. Namens belanghebbende is verschenen [E] .

Overwegingen

1.1

Het bouwplan, waarvoor vergunninghoudster op 29 maart 2018 een aanvraag om omgevingsvergunning heeft aangevraagd, voorziet voor zover hier van belang, in de bouw van een appartementencomplex bestaande uit 43 huurwoningen aan de [kade] [nummer 1] te [plaats] . De aanvraag heeft betrekking op de activiteiten (1) het bouwen van een bouwwerk, (2) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (3) het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en (4) het vellen of te doen vellen van een

houtopstand, als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen

omgevingsrecht (Wabo).

1.2

Ter plaatse van de nieuwbouw bevond zich voorheen een school, die inmiddels is gesloopt. Het appartementencomplex zal aan de zuidzijde bestaan uit drie bouwlagen (bouwhoogte 10,2 meter) en aan de noordzijde uit vijf bouwlagen (bouwhoogte 16,2 meter). Er worden in totaal 26 parkeerplaatsen aangelegd. Er moeten vijf bomen wijken voor het bouwplan. Daarvan bevinden zich er twee op een van de openbare ruimte afgesloten terrein, waardoor geen vergunningplicht bestaat, worden er twee geveld en wordt er één verplant.

1.3

Eiser 1 en eiser 2 wonen aan de zuidzijde in de directe nabijheid van het bouwplan en hebben vanuit hun woning rechtstreeks zicht op het te bouwen appartementencomplex. Daarom kunnen zij als belanghebbenden worden aangemerkt bij de bestreden besluiten.

1.4

Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Hij heeft ten aanzien van het bouwplan voor het appartementencomplex toepassing gegeven aan zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste en tweede, van de Wabo.

1.5

Bij uitspraak van 22 januari 2019 (zaaknr. SGR 18/8044) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank een door een andere belanghebbende ingediend verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

2.1

Bij bestreden besluit 1 heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en daarbij het advies van de regionale commissie bezwaarschriften gevolgd. De strijd met het bestemmingsplan betreft een beperkte overschrijding van de goothoogte en heeft ook beperkte gevolgen voor de omwonenden. Wat in het verleden is afgesproken, kan hier geen rol spelen, aldus verweerder.

2.2

Bestreden besluit 2 is genomen, omdat verweerder naar aanleiding van het beroep van eiser 1 heeft vastgesteld dat per abuis geen toestemming is verleend tot afwijking van het bestemmingsplan voor de overschrijding van het bouwvlak aan de oostzijde met 2,46 meter . In bestreden besluit 2 heeft verweerder deze omissie hersteld met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo in verbinding met onderdeel 1 van artikel 4, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Verder is hierin overwogen dat in de omgevingsvergunning per abuis is vermeld dat de goothoogte 10,2 meter bedraagt, in plaats van 9,6 meter.

3.1

Bestreden besluit 2 is een aanvulling op bestreden besluit 1 en kan naar het oordeel van de rechtbank daarom als een besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden aangemerkt. Het door eiser 1 ingestelde beroep is dan ook mede gericht tegen bestreden besluit 2.

3.2

Aangezien bestreden besluit 2 is genomen, omdat het bouwplan het bouwvlak aan de oostzijde met 2,46 meter overschrijdt en in de verleende omgevingsvergunning hiervoor een juridische grondslag ontbreekt, ontbeert bestreden besluit 1 naar het oordeel van de rechtbank een deugdelijke motivering. Het beroep van eiser 1, voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 is dan ook gegrond en de rechtbank zal bestreden besluit 1 vernietigen. Nu slechts de motivering van bestreden besluit 1 is aangepast in bestreden besluit 2, zal bestreden besluit 1 hier verder buiten bespreking blijven.

4.1

De rechtbank stelt vast dat eiser 2 beroep heeft ingesteld tegen bestreden besluit 2 en niet tegen bestreden besluit 1. Dit betekent dat hij slechts kan opkomen tegen de wijziging van bestreden besluit 1 waarin bestreden besluit 2 voorziet, dus alleen tegen de mate waarin het bouwplan het bouwvlak aan de oostzijde overschrijdt.

4.2

Verder hebben noch de beroepsgronden van eiser 1 noch de gronden van eiser 2 betrekking op de vergunde activiteit “het vellen of te doen vellen van een houtopstand”, zodat deze activiteit hier buiten bespreking zal blijven.

5. Bij brief van 20 november 2019 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de Crisis- en herstelwet (CHW) op de bestreden besluiten van toepassing is. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Weliswaar voorziet het bouwplan in de oprichting van meer dan 11 woningen, als bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage I van de CHW, maar deze ontwikkeling was reeds mogelijk op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan “Leiden Zuidwest” uit 2005. Het bestemmingsplan “Zuidwest” dat op 15 juni 2017 door de gemeenteraad van Leiden is vastgesteld, waaraan het in geding zijnde bouwplan moet worden getoetst, biedt ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan immers geen nieuwe bouwmogelijkheden ten behoeve van woningbouw voor het perceel aan de [kade] [nummer 1] . Dit betekent dat de CHW naar het oordeel van de rechtbank niet op het besluit van de gemeenteraad strekkende tot vaststelling van het bestemmingsplan “Zuidwest” van toepassing was en evenmin op de bestreden besluiten, aangezien verweerder daarbij geen toepassing heeft gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde, van de Wabo.

6.1

Eiser 1 voert aan dat het bouwplan in veel opzichten verschilt van de plannen zoals die in 2005 zijn gepresenteerd. Het is veel groter en komt dichterbij zijn woning dan indertijd het geval zou zijn geweest. De omwonenden zijn ten onrechte niet betrokken bij de totstandkoming van het huidige bouwplan.

6.2

De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat eiser 1 in 2005 een brief is gezonden met een aangepast ambtelijk voorstel over vervangende bouw naar aanleiding van contact met onder meer eiser 1 over de toenmalige bouwplannen, niet betekent dat hij daaraan 13 jaar later het gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen dat de plannen van toen ongewijzigd zouden worden uitgevoerd. Niet gebleken is dat verweerder zich indertijd over dit ambtelijk voorstel heeft uitgesproken dan wel dat verweerder toen of later aan eiser toezeggingen heeft gedaan waarvan hij nu is afgeweken. De rechtbank begrijpt dat eiser 1 zich zeer betrokken voelt bij planologische ontwikkelingen op het naastgelegen perceel. Er is echter geen rechtsregel die vereist dat vergunninghoudster of verweerder eerst in overleg had moeten treden met omwonenden alvorens de aanvraag te doen respectievelijk de vergunning toe te kennen. Deze grond slaagt niet.

7.1

Eiser 1 is onder verwijzing naar artikel 2 van Bijlage II bij het Bor, van mening dat ten aanzien van de overschrijding van het bouwvlak geen toepassing had mogen worden gegeven aan de kruimelgevallenregeling. Hij wijst erop dat appartement 0.06 voor meer dan de helft buiten het bouwvlak komt te liggen. Daarnaast voert eiser 1 aan dat de voorgevelrooilijn van het bouwplan 0,26 meter voor de rooilijn van de bestaande panden aan de [kade] komt te liggen, zodat het appartementencomplex niet in het verlengde van die rooilijn komt te liggen.

7.2

Eiser 2 voert aan dat de overschrijding van het bouwvlak aan de achterzijde van het perceel geen 2,46 meter bedraagt maar minimaal 2,72 meter. Dat blijkt volgens hem uit de website van de gemeente waar alle vergunningen en tekeningen te vinden zijn. Eiser 1 heeft zich daarbij aangesloten.

7.3

Blijkens situatietekening BA-02 van 26 maart 2018, die als bijlage bij het primaire besluit is gevoegd, overschrijdt de voorgevel van het bouwplan de grens van het bouwvlak niet. De rechtbank is niet gebleken dat het bouwvlak op die tekening niet overeenkomstig het bestemmingsplan is ingetekend. Gelet daarop overschrijdt de voorgevel van het bouwplan niet de voorgevelrooilijn, zoals gedefinieerd in artikel 1.76 van de planregels. Van strijd met het bestemmingsplan op dit punt is daarom geen sprake.

7.4

Uit bestreden besluit 2 blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het gaat om een overschrijding van het bouwvlak met 2,46 meter. Zowel de overschrijding van de goothoogte als de overschrijding van het bebouwingsvlak voldoen aan de voorwaarden genoemd in onderdeel 1 van artikel 4 van bijlage II van het Bor. Verweerder was dus bevoegd van het bestemmingsplan af te wijken op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo.

7.5

De stelling van eiser 1 dat artikel 2, aanhef en derde lid, onder a, van bijlage II bij het Bor niet toestaat dat verweerder gebruik maakt van zijn afwijkingsbevoegdheid kan niet slagen, omdat deze bepaling gaat over vergunningvrij bouwen, waar hier geen sprake van is. In een aanvulling op zijn beroepschrift heeft eiser 1 dit ook erkend.

8.1

Eiser 1 betoogt dat zijn woon- en leefgenot ernstig zal worden aangetast doordat aan de achterzijde van het perceel over een lengte van 2,46 meter buiten het bouwvlak worden gebouwd en aan de zijkant van zijn woning - op 2 meter afstand - een muur met een lengte van ruim 16 meter en een hoogte van 10,2 meter zal verrijzen. Ook zal het uitzicht aan de achterkant van zijn woning verminderen doordat het groen daar zal verdwijnen, zal de bezonning afnemen, zal de privacy in de keuken worden aangetast door ramen in de zijgevel van de nieuwbouw en de aanleg van een looppad pal naast zijn woning. Er is volgens eiser 1 niet gekeken naar de belangen van de omwonenden met betrekking tot bezonning, laat staan dat er een bezonningsstudie is gedaan. Eiser 2 sluit zich aan bij deze gronden.

8.2

Verweerder heeft in het kader van de toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo een belangenafweging gemaakt. Daarin overweegt hij in navolging van het advies van de regionale commissie bezwaarschriften dat hij begrip heeft voor het verzet van eisende partijen tegen het bouwplan, omdat dit zal leiden tot een ingrijpende verandering. Hun woongenot in de achtertuin zal immers behoorlijk worden aangetast. Een groot deel van de belangen van eisende partijen kan volgens verweerder echter niet meewegen, aangezien het grootste gedeelte van het bouwplan past in het bestemmingsplan en dus mag worden uitgevoerd. Dit betekent dat slechts die belangen kunnen worden meegenomen die zien op de geringe overschrijding van de maximale goothoogte en de overschrijding van het bouwvlak aan de achterzijde van het perceel. Verweerder acht de overschrijdingen aanvaardbaar omdat de overschrijding voor het zuidelijke deel aan de oostzijde van 2,46 meter beperkt is ten opzichte van het deel van het bouwvlak dat niet wordt benut. Het huidige bouwplan is met betrekking tot de massa en oppervlakte veel kleiner dan de maximale bouwmogelijkheden in het geldende bestemmingsplan. Doordat het bouwvlak in het bestemmingsplan een groot stuk verder doorloopt dan de achtergevel van [kade] [nummer 2] , kan een nieuw gebouw tot kort voor het einde van de achtertuin worden gerealiseerd (1,62 meter tot einde perceel). In het bouwplan komt het gebouw kort na het einde van de achtertuin (0,84 meter). Daarmee zal in beide situaties de nieuwbouw duidelijk aanwezig zijn, maar zullen het uitzicht en de ruimtebeleving niet wezenlijk verschillen, aldus verweerder. Daarnaast wordt er voor een groot deel een groene inpassing doorgevoerd op het achterterrein. Verweerder heeft een bezonningsstudie laten uitvoeren. Daaruit blijkt dat er geen verschil bestaat in zonlichttoetreding voor de woning aan de [kade] [nummer 2] tussen hetgeen volgens het bestemmingsplan toelaatbaar is en het bouwplan. Verder zijn in de laatste 2,46 meter van de nieuwbouw geen ramen of andere gevelopeningen opgenomen, zodat dit gedeelte van het bouwplan geen gevolgen heeft ten aanzien van de privacy voor de woning aan de [kade] [nummer 2] .

8.3

De rechtbank overweegt dat verweerder bij de toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo beleidsruimte toekomt, in aanmerking genomen de bewoordingen van dat artikel en de aard van de bevoegdheid die daarin aan verweerder is toegekend. Bij de beslissing om al dan niet van het bestemmingsplan af te wijken moeten alle daarbij betrokken belangen in aanmerking worden genomen.

8.4

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat uitvoering van het bouwplan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van eisende partijen. De overschrijding van het bouwvlak aan de achterzijde is met 2,46 meter bescheiden te noemen. Het feit dat deze overschrijding ook geldt voor de bovenliggende bouwlagen, maakt niet dat daar anders tegenaan gekeken moet worden. Het is vaste rechtspraak dat er in een stedelijke omgeving, zoals hier aan de orde, geen recht bestaat op blijvend vrij uitzicht dan wel uitzicht op groen, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4771). Er is niet gebleken van een inbreuk op de privacy van eisende partijen, gelet op het ontbreken van gevelopeningen in de zijgevel van het appartementen-complex. Uit het ten behoeve van bestreden besluit II uitgevoerde bezonningsonderzoek blijkt dat het bouwplan, dat is voorzien ten noorden van het perceel van eisende partijen, geen effect heeft ter plaatse van de woning van eiser 2 en nagenoeg geen effect heeft op de bezonning van het perceel van eiser 1. Alleen op 21 juni omstreeks 20:00 uur is er een effect. Dit wordt dan echter veroorzaakt door dat gedeelte van het bouwplan dat gelegen is binnen het bestemmingsplan en niet door het gedeelte van het bouwplan dat zich buiten het bouwvlak bevindt. Eisende partijen hebben geen redenen aangevoerd dat de bezonningsstudie niet juist is en ook de rechtbank ziet hierin geen gebreken.

8.5

Dit leidt tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid aan de belangen van vergunninghoudster een groter gewicht heeft kunnen toekennen dan aan die van eisende partijen en in redelijkheid van zijn bevoegdheid om van het bestemmingsplan af te wijken gebruik heeft kunnen maken.

9.1

Naar de mening van eiser 1 wordt de inrit naar het toekomstige parkeerterrein aan de zijde van de Haagweg te smal. Ook zullen er aan de kant van de Haagwegflat 2 parkeerplaatsen verdwijnen en wordt het parkeerterrein te klein.

9.2

Ter zitting heeft eiser 1 de beroepsgrond over het verdwijnen van parkeerplaatsen ingetrokken, zodat deze buiten beschouwing zal blijven. De gronden over de breedte van de inrit naar het toekomstige parkeerterrein aan de zijde van de Haagweg en de parkeerplaatsen aan de kant van de Haagwegflat 2 stuiten naar het oordeel van de rechtbank af op artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

10. Verder is volgens eiser 1 niet duidelijk in hoeverre de bestaande sloot aan de kant van de Da Costastraat zal worden gedempt. Ook deze grond stuit af op artikel 8:69a van de Awb.

11. De gronden met de molenbiotoop heeft eiser in een aanvulling op het beroepschrift ingetrokken, zodat deze buiten bespreking zal blijven.

12. Hetgeen eiser 2 heeft aangevoerd ten aanzien van de problemen met de grondwaterstand heeft geen betrekking op bestreden besluit 2, zodat deze gronden in deze procedure buiten bespreking blijven.

13. Aangezien geen van de andere in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde weigeringsgronden zich voordoet, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank, gelet op artikel 2.10 van de Wabo, op goede gronden de gevraagde omgevingsvergunning verleend.

14. Aan het verzoek om schadevergoeding van eiser 1 komt de rechtbank daarom niet toe. Ter voorlichting van eiser 1 merkt de rechtbank op dat haar beoordeling van het besluit beperkt is tot het besluit zelf en zich niet kan uitstrekken tot de uitvoering van het bouwplan en de door eiser in dat kader gestelde schade.

15. Het beroep van eiser 1 gericht tegen bestreden besluit 2 en het beroep van eiser 2 zijn daarom ongegrond.

16. Omdat de rechtbank het beroep van eiser 1 tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser 1 het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

17. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart:

- het beroep van eiser 1 gericht tegen bestreden besluit 1 gegrond;

- vernietigt bestreden besluit 1;

- verklaart het beroep van eiser 1 gericht tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

- verklaart het beroep van eiser 2 ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser 1 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van

drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.

griffier de rechter is verhinderd

mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

BIJLAGE

Ingevolge artikel 6.19, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo, voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit (a) het bouwen van een bouwwerk en (c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd, in geval van, kort gezegd, (a) strijd met het Bouwbesluit, (b) strijd met de Bouwverordening, (c) strijd met het bestemmingsplan en (d) strijd met de redelijke eisen van welstand.

Ter plaatse gelden de bestemmingsplannen “Zuidwest” en het “Paraplubestemmingsplan stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening”. Op het perceel rust onder meer de enkelbestemming “Wonen” en de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 8”. Daarnaast is op de verbeelding de “vrijwaringszone molenbiotoop” aangegeven. De maximale goothoogte ter plaatse van de te realiseren 3 verdiepingslagen bedraagt 9 meter en de maximale bouwhoogte 13 meter.

Ingevolge artikel 1.76 van de planregels wordt -voor zover van toepassing- onder voorgevelrooilijn verstaan: de grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening, in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Ingevolge artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) komt voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten tweede, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking - voor zover van belang - een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan.