Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:16634

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-10-2021
Datum publicatie
21-07-2022
Zaaknummer
NL21.15996
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bewaring, eerste beroep, bewaringsgronden niet betwist, lichter middel, voortvarendheid, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.15996

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. B.A. Palm),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen).

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 17 oktober 2021 de maatregel van bewaring opgeheven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Bewaringsgronden

3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd, niet heeft betwist.

Lichter middel

5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Eiser heeft namelijk gezegd dat hij er zelf belang bij had om terug te gaan naar Polen, hij moest daar immers op 18 oktober 2021 zijn voor een rechtszaak. Verweerder had daarom kunnen volstaan met het opleggen van een meldplicht.

6. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Bij besluit van 10 maart 2020 heeft eiser een ongewenstverklaring opgelegd gekregen en is aan hem kenbaar gemaakt dat hij geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Naar aanleiding van dit besluit heeft eiser de kans gehad om te vertrekken uit Nederland, dit heeft hij niet gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder een lichter middel terecht en voldoende gemotiveerd achterwege heeft gelaten. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarendheid

7. Eiser voert verder aan dat verweerder niet voortvarend heeft gehandeld. Hij is namelijk op 8 oktober 2021 in bewaring gesteld en is uitgezet op 17 oktober 2021. Eiser beschikt over een paspoort en die was ook bij verweerder voorhanden. Verweerder had voortvarender kunnen handelen met betrekking tot de uitzetting.

8. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat niet voortvarend is gehandeld, eiser is namelijk al binnen tien dagen uitgezet naar Polen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

20 oktober 2021

en zal openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.