Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:15561

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-01-2021
Datum publicatie
21-02-2022
Zaaknummer
NL20.10714
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bnt asiel; n.o. geen procesbelang; vernietigt het besluit zover ziet op de dwangsom; rechtbank voorziet zelf in de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.10714

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. D. Reimerink).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Bij besluit van 12 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure ingewilligd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via een beeld- en geluidsverbinding (Skype) op 2 december 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser heeft op 1 september 2019 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 10 maart 2020 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag. Eiser heeft op 14 mei 2020 beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag ingediend bij de rechtbank. Vervolgens heeft verweerder op 12 augustus 2020 op de asielaanvraag beslist. Verweerder heeft in dat besluit beslist dat hij aan eiser een bestuurlijke dwangsom van € 637,- is verschuldigd.

2. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. De rechtbank constateert dat niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van eiser, omdat eiser het niet eens is met de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke dwangsom die verweerder aan hem is verschuldigd. Niet gebleken is dat eiser nog een belang heeft bij het beoordelen van het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak wel over de vaststelling door verweerder van de hoogte van de bestuurlijke dwangsom.

3. Eiser stelt in zijn beroepschrift dat er geen gebruik gemaakt kan worden van artikel 4:15 tweede lid sub c van de Awb. Eiser verwijst daarbij naar kamerstukken1. Eiser stelt dat als verweerder de beslistermijn wil opschorten hij dit moet mededelen aan eiser voordat de beslistermijn is verstreken. De beslistermijn was in dit geval al vóór 16 maart 2020 verstreken. Eiser stelt verder dat de beslistermijnen in asielzaken dermate lang zijn en deze kunnen worden verlengd, zodat dit voldoende ruimte gaf aan verweerder om tijdig te beslissen op de asielaanvraag. De achterstand die bij verweerder is ontstaan tot 17 maart 2020 is grotendeels te wijten aan bestuurlijke en financiële beleidskeuzes bij verweerder. Dit heeft de Raad van State ook geconstateerd bij het wetsvoorstel inzake de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND van 6 mei 2020. Eiser voert aan dat de coronamaatregelen vanaf 17 maart 2020 van kracht zijn geworden en dat verweerder op 17 april 2020 is begonnen met telehoren in Zevenaar . Dit zou betekenen dat eisers procedure afgedaan had kunnen worden binnen de geldende beslistermijn als verweerder zijn zaken beter op orde had gehad. Eiser verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 1 juli 2020 (NL20.60614). In deze uitspraak was de rechtbank van oordeel dat er geen sprake was van een overmachtssituatie. Tot slot beroept eiser zich op het gelijkheidsbeginsel en verwijst hij naar vergelijkbare zaken waarin er wel een dwangsom is toegekend in de overmachtsperiode. Eiser verzoekt de rechtbank de verbeurde dwangsom vast te stellen op € 1.442,-.

4. In zijn verweerschrift en ter zitting voert verweerder het volgende aan. In de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 15 maart 2020 hebben zij de maatregelen beschreven die tot doel hebben om de verspreiding van het coronavirus in te dammen. Eén van de genomen maatregelen heeft als gevolg dat verweerder per direct het horen van asielzoekers heeft moeten opschorten. De coronacrisis en de genomen maatregelen ter bestrijding daarvan zijn abnormale en onvoorziene omstandigheden die buiten toedoen en de risicosfeer van verweerder vallen. Daarmee is er sprake van een overmachtssituatie. Hierdoor is verweerder van mening dat hij gedurende een bepaalde periode geen dwangsom is verschuldigd aan eiser. Verweerder verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2020 2. De Awb biedt geen mogelijkheid om een dwangsom te verminderen of op te schorten vanwege een overmachtssituatie. Deze mogelijkheid bestaat wel voor een door een bestuursorgaan aan een burger opgelegde dwangsom. Artikel 5:34 eerste lid van de Awb geeft de mogelijkheid dat het bestuursorgaan de oplegde verplichtingen kan opschorten ingeval van blijvende of gedeeltelijke onmogelijkheid om aan die verplichtingen te voldoen. Verweerder is daarom van mening dat hij over de overmachtsperiode geen dwangsom verschuldigd is.

1. Kamerstukken II, 2005-2006, 30 435 , nr. 3

2 ECLI:NL:RBDHA:2020:6088

Verweerder verwijst daarbij naar de wetsgeschiedenis bij de ’‘Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen’3. Daarnaast verwijst verweerder naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) waarin is bepaald dat de dwangsomregeling redelijk moet zijn 4.

Verweerder stelt dat er vanaf 16 maart 2020 geen gehoren meer hebben plaatsgevonden. Op die datum is de overmachtsperiode van start gegaan. Hoewel het begin van de overmachtsperiode goed is aan te duiden is dat anders voor het einde van die periode.

Verweerder is van mening dat die periode op twee manieren kan eindigen. Enerzijds door het beschikbaar krijgen van een onderzoeksresultaat (bijvoorbeeld een verslag van een gehoor), anderzijds als er uiterlijk op 20 juli 2020 nog geen beslissing is genomen. Als er namelijk een onderzoeksresultaat beschikbaar is dan kan verweerder een beslissing nemen op de aanvraag van een vreemdeling. Daarnaast vindt verweerder het niet redelijk dat er na 20 juli 2020 nog sprake is van een overmachtssituatie, omdat verweerder toen zat op de helft van de gehoorcapaciteit ten opzichte van vóór de coronacrisis. Verweerder is het niet eens met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2020 5. Daarin heeft de rechtbank bepaald dat er sprake is van een overmachtssituatie tot 16 mei 2020. Verweerder is van mening dat het einde van de overmachtssituatie op 16 mei 2020 een willekeurige datum is en verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 9 september 2020 6. In die uitspraak is de rechtbank verweerder gevolgd in zijn standpunt en heeft de rechtbank als einde van de overmachtssituatie de datum van het nader gehoor aangehouden.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake was van overmacht bij verweerder om op de asielaanvraag van eiser te beslissen vanaf 16 maart 2020 en vanaf die datum geen dwangsom is verbeurd. In geschil is de vraag wanneer deze overmachtsperiode is geëindigd.

6. De rechtbank oordeelt dat de coronacrisis weliswaar kan worden aangemerkt als een abnormale en onvoorziene omstandigheid die buiten toedoen en risicosfeer van verweerder ligt, maar dat niet aannemelijk is geworden dat het voor verweerder onmogelijk was om in de hele periode - vanaf het moment dat hij in gebreke is tot 42 dagen daarna - in verband met de geldende maatregelen rondom het coronavirus op de asielaanvraag te beslissen.

De rechtbank verwijst naar de uitspraak van 3 juli 2020 van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem 7 en de uitspraak van de ABRvS van 16 december 2020 8, waarin is overwogen dat slechts voor de periode van 16 maart 2020 tot 16 mei 2020 sprake kan zijn van overmacht, zodat slechts over die periode geen dwangsommen voor niet tijdig beslissen zijn verschuldigd, althans, voor zover het daarbij gaat om zaken waarin de gehoren in de algemene asielprocedure nog niet hadden plaatsgevonden. De rechtbank sluit zich daarbij aan en bepaalt dat de wettelijke dwangsom wegens het niet tijdig beslissen, wanneer deze op of vóór 16 maart 2020 is begonnen te lopen en de vreemdeling op 16 maart 2020 nog niet was gehoord, vanaf die datum wordt opgeschort voor de duur van twee maanden. Voor deze zaak betekent dat het volgende.

3 Kamerstukken II, 2005–2006, 30 435, nr. 3, p. 24.

4 ECLI:NL:RVS:2018:3933, 3 december 2018.

5 ECLI:NL:RBDHA:2020:6088

6 Dossierstuk 32. NL20.8687.

7 ECLI:NL:RBDHA:2020:6088, r.o. 7.3

8 ECLI:NL:RVS:2020:2949 r.o. 7.2

7. Eiser heeft verweerder rechtsgeldig in gebreke gesteld op 10 maart 2020. Op grond van artikel 4:17 van de Awb zou verweerder dus vanaf 25 maart 2020 een dwangsom verbeuren. Omdat de termijn van 42 dagen nog niet was aangevangen in de periode dat sprake was van overmacht, is de termijn gaan lopen op 25 mei 2020, toen de periode van overmacht is geëindigd. Vervolgens is die termijn van 42 dagen afgelopen op 6 juli 2020. Verweerder heeft op 12 augustus 2020 op de aanvraag beslist. Gelet op artikel 4:17, tweede lid, van de Awb, moet verweerder daarom de maximale dwangsom van € 1.442,- aan eiser betalen.

8. Het beroep is dan ook gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover dit ziet op de hoogte van de toegekende dwangsom. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en stelt de hoogte van de dwangsom vast op € 1.442,-. Verweerder hoeft dus geen nieuw besluit te nemen.

9. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard bestaat aanleiding verweerder in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en het

verschijnen ter zitting vastgesteld op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 534,-).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de hoogte van de verbeurde dwangsom;

  • -

    stelt de hoogte van de door verweerder verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van M. Bos, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

13 januari 2021

Mr. G.P. Loman M. Bos

Rechter Griffier

Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.