Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:15424

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-12-2021
Datum publicatie
09-03-2022
Zaaknummer
9179259 RP VERZ 21-50298
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Scooter en (jonge) fietser komen in aanrijding met elkaar doordat de scooter de fietser, die rechtsaf slaat, rechts inhaalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2022-0214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

JL+CK/c

Zaaknummer: 9179259 RP VERZ 21-50298

Uitspraakdatum: 7 december 2021

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M.W. Fakiri,


tegen

1. de naamloze vennootschap

ASR Schadeverzekering N.V.

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

2. [ouder 1] en [ouder 2], beiden pro se en handelend in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [minderjarige],

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partijen,

gemachtigde: mr. P. Oskam.

Partijen worden aangeduid als [verzoeker] , ASR, [ouder 1] en [ouder 2] genoemd. [ouder 1] en [ouder 2] zullen gezamenlijk worden aangeduid als [wettelijke vertegenwoordiger]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties, ter griffie ingekomen op 23 april 2021;

  • -

    het op 25 juni 2021 ingekomen verweerschrift, met producties;

  • -

    de e-mail van de gemachtigde van [verzoeker] van 5 juli 2021 met bijlagen 11 tot en met 15;

  • -

    de tijdens de zitting voorgedragen aantekeningen van [verzoeker] ;

  • -

    de zittingsaantekeningen van de griffier.

1.2.

Op 7 juli 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen: [verzoeker] in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde en namens ASR de gemachtigde L.E. Warendorf en [ouder 1] in persoon en mede namens [ouder 2] , bijgestaan door de gemachtigde mr. L.E. Warendorf.

1.3.

Uiteindelijk is een datum voor beschikking bepaald en ambtshalve aangehouden tot heden.

2 De feiten

2.1.

Op 29 oktober 2020 omstreeks 8:12 uur heeft op het fietspad van de Meppelweg ter hoogte van huisnummer 453 te Den Haag een verkeersongeval plaatsgevonden tussen [verzoeker] en de destijds 12-jarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).

2.2.

Voorafgaand aan het ongeval fietste [minderjarige] met een snelheid van 5 à 10 km/u op het fietspad op weg naar de orthodontist die zich aan de Meppelweg 453 bevindt. [verzoeker] reed achter haar op een snorfiets van het merk Sym Fiddle met kenteken [kenteken] (hierna: het motorvoertuig), met een snelheid van 30 km/u.

2.3.

Toen [minderjarige] aankwam bij de orthodontist aan de Meppelweg 453 wilde zij het naastgelegen voetpad oprijden. Bij het oprijden van het voetpad werd [minderjarige] aan haar rechterbinnenzijde geschept door [verzoeker] die op zijn snorfiets vanachter kwam aanrijden.

2.4.

Op het namens [minderjarige] door [ouder 1] ingevulde aanrijdingsformulier staat over de toedracht vermeld:

[minderjarige] reed op fietspad, wilde het naastgelegen voetpad opgaan, sloeg rechtsaf en werd aan de rechterbinnenzijde geschept door de achter haar rijdende scooter.

2.5.

[verzoeker] heeft over de toedracht op het aanrijdingsformulier vermeld:

De fietser is aansprakelijk, omdat deze links afging en in 1x na rechts afsloeg, zonder de hand uit te steken of achterom te kijken. Ze gaf dit zelf ook aan, dat ze niet keek, en foutief rechts afsloeg.

2.6.

Op het opgemaakte proces-verbaal van aanrijding van de politie die ter plaatse is geweest, staat voor zover relevant vermeld:

Beide betrokken reed op het Fietspad van de Hengelolaan komende uit de richting van de Leyweg en gaande in de richting van de Dedemsvaartweg.

Betrokkene [verzoeker] reed een paar meter achter be [minderjarige] .

Gekomen bij de Zuidwoldepad stuurde be [minderjarige] haar fiets naar rechts. Betrokkene [minderjarige] stond dwars op het fietspad. Vervolgens kwam betrokkene [verzoeker] aanrijden. Betrokkene [verzoeker] remde af maar kon een aanrijding niet voorkomen en reed met de voorzijde tegen de rechterzijkant aan van betrokkene [minderjarige] . Beide kwamen vervolgens ten val.

2.7.

[verzoeker] heeft ten gevolge van het ongeval letsel opgelopen. Ten tijde van het ongeval was [minderjarige] voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij ASR. De gemachtigde van [verzoeker] heeft op 26 november 2020 ASR verzocht om namens haar verzekerde aansprakelijkheid te erkennen voor de schade die [verzoeker] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het verkeerongeval. ASR heeft aansprakelijkheid van [minderjarige] jegens [verzoeker] afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc Rv, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

a. voor recht te verklaren dat ASR aansprakelijk is voor de gelegen en nog te lijden schade van [verzoeker] als gevolg van het ongeval van 29 oktober 2020 en de mate van aansprakelijkheid van de verzekerde van ASR te bepalen op 100%, dan wel de omvang van de aansprakelijkheid in goede justitie te bepalen;

b. ASR te veroordelen om de verzekeringsovereenkomst jegens [verzoeker] na te komen;

c. met hoofdelijke veroordeling van verweerders in de kosten.

3.2.

[verzoeker] heeft aan zijn verzoek artikel 17 lid 1 sub a en lid 2 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) en artikel 18 RVV 1990 ten grondslag gelegd. [minderjarige] , de verzekerde van ASR, heeft een gevaarzettende situatie in het leven geroepen doordat zij geheel links was voorgesorteerd op het fietspad, waardoor zij deed blijken dat zij linksaf zou slaan. Zij sloeg echter onverwacht en zonder richting aan te geven rechtsaf de stoep op. [verzoeker] , die dicht achter haar reed, is tegen haar aangereden en zij zijn ten val gekomen. [minderjarige] heeft zodanig verwijtbaar gehandeld dat zij voor 100% aansprakelijk is voor het ongeval.

3.3.

Verweerders hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Het ongeval heeft kunnen gebeuren omdat [verzoeker] met veel te hoge snelheid met zijn scooter tegen [minderjarige] is gereden. Het ongeval is enkel aan [verzoeker] te wijten, zodat aansprakelijkheid ontbreekt. En voor zover er wel aansprakelijkheid is, geldt op grond van de reflexwerking van artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW) dat [verzoeker] voor 100% aansprakelijk is nu geen sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid aan de zijde van [minderjarige] .

3.4.

Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze deelgeschilprocedure staat de vraag centraal of [minderjarige] fouten heeft gemaakt die meebrengen dat zij jegens [verzoeker] aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden schade. Uit de stellingen en weren van partijen destilleert de kantonrechter de volgende feitelijke toedracht die hij als vaststaand beschouwd. [minderjarige] , destijds 12 jaar, fietste op het fietspad voor [verzoeker] uit, die zich op een gemotoriseerd voertuig (een scooter) voortbewoog. De snelheid van [verzoeker] was hoger dan die van [minderjarige] . [minderjarige] bevond zich niet goed rechts op het fietspad. Op enig moment is [minderjarige] vanaf het fietspad rechtsaf geslagen richting het naastgelegen voetpad zonder daarbij richting aan te geven en zonder over haar rechterschouder te hebben gekeken. Op dat moment was [verzoeker] doende [minderjarige] rechts te passeren. Vlak daarna zijn [minderjarige] en [verzoeker] met elkaar in botsing gekomen, waarbij [verzoeker] [minderjarige] aan haar rechterkant heeft geraakt. Vervolgens zijn zowel [minderjarige] als [verzoeker] ten val gekomen.

4.2.

Volgens [verzoeker] had [minderjarige] zoveel mogelijk rechts moeten houden en heeft zij in strijd gehandeld met artikel 17 lid 1 sub a RVV 1990 door niet zoveel mogelijk rechts te houden, in strijd met artikel 17 lid 2 RVV 1990 door haar hand/vinger niet uit te steken alvorens naar rechts af te slaan en in strijd met artikel 18 RVV 1990 door [verzoeker] niet voor te laten gaan alvorens naar rechts af te slaan. [minderjarige] heeft dit bestreden en aangevoerd dat [verzoeker] op geen enkele wijze goed heeft opgelet en dat hij onvoldoende geanticipeerd op de voor hem zichtbare situatie.

4.3.

De kantonrechter overweegt als volgt. Doordat [minderjarige] niet geheel rechts fietste op het fietspad en geen richting aangaf, was het voor achteropkomende verkeersdeelnemers niet direct duidelijk wat zij van plan was. Deze ontstane verkeerssituatie is vervolgens verkeerd ingeschat door [verzoeker] ; hij heeft aangenomen dat [minderjarige] links aan het voorsorteren was om uiteindelijk links af te slaan zodat [verzoeker] [minderjarige] rechts heeft willen passeren. Toen [minderjarige] vervolgens rechtsaf sloeg heeft [verzoeker] zijn inschattingsfout niet meer heeft kunnen corrigeren en [minderjarige] aangereden. Naar het oordeel van de kantonrechter komt deze inschattingsfout, wellicht een niet geheel onbegrijpelijke omdat het even verderop inderdaad mogelijk is om links af te slaan, toch volledig voor rekening van [verzoeker] . Daartoe is het volgende redengevend.

4.4.

[verzoeker] beroept zich op artikel 11 lid 2 RVV nu hij stelt dat hij [minderjarige] rechts mocht inhalen omdat zij links was voorgesorteerd. Artikel 11 lid 2 RVV luidt:

Bestuurders die links voorgesorteerd hebben en te kennen hebben gegeven dat zij naar links willen afslaan, worden rechts ingehaald.

4.5.

Anders dan [verzoeker] betoogt is het dus niet voldoende dat [minderjarige] links was voorgesorteerd zoals hij stelt, maar moet zij ook te kennen hebben gegeven naar links te willen afslaan, voordat [verzoeker] haar rechts mocht inhalen. Anders dan [verzoeker] stelt, mocht hij op grond van artikel 11 lid 2 RVV [minderjarige] onder de gegeven omstandigheden niet inhalen.

4.6.

Ten eerste niet, omdat niet is komen vast te staan dat [minderjarige] links had voorgesorteerd zoals [verzoeker] stelt. [minderjarige] heeft weliswaar erkend niet geheel rechts op het fietspad te hebben gereden, maar zij heeft niet erkend dat zij links had voorgesorteerd zoals [verzoeker] stelt. Op basis van de beschikbare bewijsmiddelen kan ook niet worden vastgesteld dat [minderjarige] links had voorgesorteerd. De enkele (partijgetuige)verklaring van [verzoeker] is daartoe onvoldoende. Reeds aan het eerste vereiste van artikel 11 lid 2 RVV om rechts te mogen inhalen is dus niet voldaan.

4.7.

Ten tweede mocht [verzoeker] [minderjarige] niet inhalen, omdat [minderjarige] niet kenbaar heeft gemaakt dat zij naar links wilde afslaan. Op grond van artikel 11 lid 2 RVV mocht hij [minderjarige] uitsluitend rechts inhalen nadat het voor hem op basis van een niet voor meerdere uitleg vatbare handeling van [minderjarige] zonder twijfel duidelijk was dat [minderjarige] daadwerkelijk links voorsorteerde met de bedoeling om linksaf te slaan. Een dergelijke handeling van [minderjarige] ontbreekt. Zij heeft, zoals [verzoeker] erkent, haar hand immers niet uitgestoken, niet naar rechts waar zij heen wilde, maar zeker niet naar links waar zij niet heen wilde. Ook om die reden heeft [verzoeker] [minderjarige] in strijd met artikel 11 lid 2 RVV rechts ingehaald.

4.8.

Dat [minderjarige] mogelijk meer rechts had kunnen houden doet aan het voorgaande niet af en maakt niet dat [minderjarige] enig verwijt kan worden gemaakt. Artikel 11 lid 2 RVV biedt immers voldoende waarborgen om te voorkomen dat fietsers rechts worden ingehaald als ze niet volledig rechts op het fietspad fietsen. Bovendien hoefde [minderjarige] er vanwege artikel 11 lid 2 RVV ook geen rekening mee te houden dat zij rechts zou worden ingehaald, zodat zij jegens [verzoeker] ook geen overtreding heeft begaan door geen richting naar rechts aan te geven toen zij van het fietspad naar rechts afsloeg, de naastgelegen stoep opreed. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [minderjarige] geen schuld heeft aan het ongeval in die zin dat het moet leiden tot haar (gedeeltelijke) aansprakelijkheid. Doordat de kantonrechter van oordeel is dat [minderjarige] geen schuld heeft aan het verkeersongeval, behoeft de door [verzoeker] ingenomen stelling ter zake van de reflexwerking van artikel 185 WVW geen behandeling meer.

4.9.

Meegewogen bij zijn oordeel heeft de kantonrechter voorts dat een fietser, een ongemotoriseerd voertuig, in de verhouding tot een gemotoriseerd voertuig wordt aangemerkt als de zwakkere verkeersdeelnemer en daarmee bescherming behoeft. Dit heeft tot gevolg dat voor de bestuurders van gemotoriseerde voertuigen een zwaardere zorgplicht geldt.

4.10.

Voorts acht de kantonrechter in dit verband nog van belang dat het een feit van algemene bekendheid is dat fietsers, vooral van jongere, zoals [minderjarige] (of ouderen) tijdens het fietsen (enigszins) kunnen slingeren en zich niet steeds zoveel mogelijk rechts van het fietspad bevinden. Op basis van de beschikbare videobeelden is de kantonrechter van oordeel dat het voor [verzoeker] duidelijk had moeten zijn dat [minderjarige] minderjarig was en had hij extra reden om voorzichtig te zijn alvorens rechts in te halen. Dit geldt te meer nu hij een gemotoriseerde verkeersdeelnemer was. [verzoeker] heeft de nodige voorzichtigheid niet in acht genomen door [minderjarige] onder de gegeven omstandigheden – zoals uit de beschikbare videobeelden overduidelijk blijkt – met (te) hoge snelheid rechts in te halen.

4.11.

Het voorgaande betekent dat [minderjarige] niet aansprakelijk is voor het [verzoeker] overgekomen verkeersongeval en het verzoek wordt afgewezen.

Kosten deelgeschil

4.12.

Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 1019aa Rv volgt dat ook als het verzoek op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen, de rechtbank de kosten van deze procedure dient te begroten. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (TK 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 12). In dat geval kan begroting van de kosten achterwege blijven.

4.13.

De kantonrechter is van oordeel dat van een volstrekt onnodig of onterecht ingestelde procedure geen sprake is aangezien partijen belang hebben bij duidelijkheid over de aansprakelijkheidsvraag. Er zal worden overgaan tot begroting van de kosten.

4.14.

De gemachtigde van [verzoeker] heeft verzocht de kosten te begroten op € 3.412.20 tot aan de zitting waarbij is uitgegaan van 12 uur tegen een uurtarief van € 235,00 nog te vermeerderen met 21% btw. Dit bedrag dient voorts nog vermeerderd te worden met de tijd die gemoeid zal zijn met het bestuderen van het verweer en voorbereiding zitting/bijwonen zitting en het betaalde griffierecht.

4.15.

Verweerders hebben hiertegen slechts aangevoerd dat de kosten van de deelgeschilprocedure niet voor vergoeding in aanmerking komen wanneer het primaire verweer dat er geen aansprakelijkheid van [minderjarige] is, wordt aangenomen.

4.16.

De kantonrechter is van oordeel het uurtarief van € 235,00 ex btw, onder de gegeven omstandigheden, in redelijkheid als een maximaal tarief dient te worden gezien. De kantonrechter zal het totaal aantal uren vaststellen op 12 uur. De kantonrechter begroot de kosten dan ook op een bedrag van € 3.2412,20 (12 uren x € 235,00 x 21% btw), te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 85,00, zijnde derhalve in totaal een bedrag van € 3.497,20.

4.17.

Aangezien de aansprakelijkheid van [minderjarige] niet is komen vast te staan, is de verzochte veroordeling van verweerders tot voldoening van deze kosten niet toewijsbaar. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat het begrote bedrag uitsluitend verschuldigd is indien de aansprakelijkheid van [minderjarige] alsnog in rechte komt vast te staan.

5 Beslissing

De kantonrechter:

5.1.

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 3.497,20 (inclusief btw en griffierecht);

5.2.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.L.M. Luiten en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 december 2021.