Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:14451

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
27-12-2021
Zaaknummer
NL21.163
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring; vervolgberoep; ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.163

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Lorier).

Procesverloop

Verweerder heeft op 26 augustus 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Algerijnse heeft en is geboren op [1999].

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 november 2020 (in de zaak NL20.19304) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep

wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.

4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Daarbij voert eiser aan dat de laissez-passer (lp)-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten al bijna vijf maanden loopt zonder dat er een aanwijzing is dat de Algerijnse autoriteiten binnenkort een lp zullen verstrekken. Daarnaast heeft eiser nooit documenten gehad en heeft hij zelf gebeld met de Algerijnse autoriteiten, maar kunnen zij hem zonder documenten niet helpen. Eiser is van mening dat bij deze stand van zaken geen sprake is van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting nu er ondanks digitale mogelijkheden geen vertrekgesprek heeft plaatsgevonden in november 2020. Volgens eiser valt ook niet in te zien waarom verweerder pas op 2 november 2020 zijn belgegevens heeft opgevraagd, naar aanleiding waarvan vervolgens een lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten is gestart. Dit is bijna drie maanden later. Mede in aanmerking genomen dat eiser corona heeft gehad en ernstig ziek is geweest, moet de bewaring worden opgeheven.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten nog loopt en dat er geen aanwijzingen zijn, voor zover eiser naar waarheid heeft verklaard dat hij de Algerijnse nationaliteit bezit, dat deze autoriteiten niet binnen redelijke termijn een lp zullen verstrekken. Verweerder rappelleert periodiek, laatstelijk op 6 januari 2021. Verder verklaart verweerder dat de lp- aanvraag die verweerder op 11 november 2020 bij de Marokkaanse autoriteiten heeft ingediend eveneens nog loopt, dat in het algemeen een zicht op uitzetting naar Marokko kan worden aangenomen en dat de Marokkaanse autoriteiten niet te kennen hebben gegeven ten behoeve van eiser geen lp te zullen verstrekken. Verweerder wijst erop dat eiser de uitzetting kan bespoedigen door daadwerkelijk invulling te geven aan zijn rechtsplicht actief en volledig zijn medewerking te verlenen aan het verkrijgen van reisdocumenten Nog altijd is geenszins gebleken dat eiser die medewerking verleent. Zo heeft eiser tot nu toe ontkend noch bevestigd dat hij de Marokkaanse nationaliteit bezit, laat staan dat hij zelf contact heeft opgenomen met de Marokkaanse ambassade. Gelet op het voorgaande kan volgens verweerder niet worden geconcludeerd dat zicht op uitzetting ontbreekt.

6. Verder merkt verweerder op dat uit de vertrekgesprekken van 7 december 2020 en 4 januari 2020 blijkt dat eiser zelf heeft verklaard dat hij hersteld is van corona. Dit argument van eiser gaat om die reden al niet op. Voorts verwijst verweerder naar rechtsoverweging 7 in de eerdere uitspraak van deze rechtbank van 19 november 2020, inhoudende dat de omstandigheid dat eiser corona heeft gehad geen omstandigheid is die de rechtmatigheid van de maatregel kan raken of in het kader van een belangenafweging een reden vormt voor opheffing van de maatregel. Verder merkt verweerder op dat anders dan eiser stelt, in november 2020 wel een vertrekgesprek heeft plaats gevonden, namelijk op 5 november 2020. Dat op 2 november 2020 en niet eerder de belgegevens zijn opgevraagd, kan volgens verweerder niet leiden tot de conclusie dat verweerder niet voldoende voortvarend heeft gehandeld. Immers, eiser heeft gesteld en volgehouden dat hij de Algerijnse nationaliteit bezit. Verweerder had geen enkele aanwijzing dat de uitzettingshandelingen op een ander land dan Algerije gericht zouden moeten zijn. Bovendien is de keuze welk uitzettingstraject wordt gevolgd, primair aan verweerder. Verder verklaart verweerder dat de regievoerder, omdat een vertrekgesprek in oktober niet kon plaatsvinden, heeft besloten als vertrekhandeling de belgegevens op te vragen. Aan de

hand van de belgegevens ontstonden – voor verweerder onverwacht – de aanwijzingen op grond waarvan verweerder heeft besloten naast het lopende traject gericht op uitzetting naar Algerije, het lp-traject Marokko te starten.

7. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is of dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. De rechtbank verwijst allereerst naar haar eerdere uitspraak van 19 november 2020 (in de zaak NL20.19304), rechtsoverweging 6. Daaraan voegt de rechtbank toe dat het onderzoek bij de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten loopt. Verweerder rappelleert regelmatig bij de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten naar de stand van zaken met betrekking tot de afgifte van een lp. Verweerder is nog in afwachting van een reactie van de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten. De enkele omstandigheid dat de lp-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten vijf maanden loopt, maakt niet dat redelijk vooruitzicht op verwijdering ontbreekt. Dit traject duurt nog niet dusdanig lang dat de afgifte van een lp op grond van de enkele duur van het onderzoek niet meer te verwachten valt. Er is evenmin gebleken van signalen van de Algerijnse of de Marokkaanse autoriteiten dat van het onderzoek geen resultaat te verwachten valt. Verder is voor de vraag of zicht op uitzetting bestaat ook van belang of eiser zijn volledige en actieve medewerking verleent aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit en aan zijn uitzetting. Niet is gebleken dat eiser deze medewerking verleent. Volgens vaste jurisprudentie1 wordt in een dergelijke situatie het zicht op uitzetting in beginsel aanwezig geacht. Verder blijkt dat verweerder op 7 december 2020 en 4 januari 2021 een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser. De rechtbank ziet, gelet op de toelichting van verweerder, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door de belgegevens van eiser pas op 2 november 2020 op te vragen. Eisers beroepsgronden slagen niet.

8. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen vanwege de duur van de bewaring, oordeelt de rechtbank als volgt.

9. De totale bewaring van eiser duurt op dit moment zes maanden (vanaf 11 juli 2020 maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw en vanaf 26 augustus 2020 maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vw). De duur van de bewaring is een element dat bij de belangenafweging moet worden betrokken. De Vw stelt een maximum van achttien maanden aan de duur van de bewaring. Dit betekent echter niet dat de bewaring in alle gevallen ook achttien maanden mag voortduren. Naarmate de bewaring voortduurt, wordt het belang van betrokkene om in vrijheid te worden gesteld groter. Indien de maatregel langer duurt dan zes maanden, kan deze toch voortduren indien sprake is van bijkomende omstandigheden, zoals frustratie van het onderzoek, passief of actief. De rechtbank is van oordeel dat in dit stadium de belangenafweging in het voordeel van verweerder uitvalt, nu niet is gebleken dat eiser actief en volledig meewerkt. In dat verband verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 19 november 2020 (in de zaak NL20.19304), waaruit volgt dat eiser niet de van hem te verlangen medewerking verleent. Naar het oordeel van de rechtbank is ook nu niet gebleken dat eiser actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 6 van deze uitspraak. De beroepsgrond slaagt niet.

1. Zie bijvoorbeeld een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2672).

10. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat hij detentieongeschikt is, overweegt de rechtbank dat de enkele stelling van eiser dat hij zwaar ziek is door corona, daarvoor onvoldoende is. De stelling is niet met documenten onderbouwd en is bovendien in tegenspraak met hetgeen eiser tijdens de vertrekgesprekken heeft verklaard. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat daarnaast niet is gebleken dat eiser in het detentiecentrum niet de nodige medische zorg kan verkrijgen. De beroepsgrond slaagt niet.

11. Er zijn verder geen feiten of omstandigheden die, gelet op de duur van deze bewaring, voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen.

12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van H. Achrak, griffier.

De uitspraak is bekendgemaakt op

20 januari 2021

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.