Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:14372

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-12-2021
Datum publicatie
18-01-2022
Zaaknummer
C/09/604737 / HA ZA 20-1236
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Nederlandse rechter internationaal bevoegd jegens buitenlandse medegedaagden (gevestigd in VS en Japan) op grond van art. 7 lid 1 Rv. Rechtbank Den Haag reletief bevoegd op grond van art. 80 dan wel 83 ROW 1995 jo art. 102 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2022, afl. 2, p. 64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/604737 / HA ZA 20-1236

Vonnis in incident van 15 december 2021

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar vreemd recht

VESTEL ELEKTRONIK SANAYI VE TICARET A.S.,

te Istanbul, Turkije,

2. de rechtspersoon naar vreemd recht

VESTEL GERMANY GMBH,

te Garching bei München, Duitsland,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. M. Kuijper te Amsterdam,

tegen

1 KONINKLIJKE PHILIPS N.V.,

statutair gevestigd te Eindhoven, mede kantoor houdende te Amsterdam,

advocaat mr. B.J. van den Broek te Amsterdam,

2. de rechtspersoon naar vreemd recht

ACCESS ADVANCE LLC, voorheen: HEVC ADVANCE LLC,

te Wilmington, Delaware, Verenigde Staten van Amerika,

advocaten mr. B.J. van den Broek te Amsterdam en mr. G. Kuipers te Amsterdam,

3. de rechtspersoon naar vreemd recht

GE VIDEO COMPRESSION LLC,

te New Castle, Delaware, Verenigde Staten van Amerika,

advocaat mr. G. Kuipers te Amsterdam,

4. de rechtspersoon naar vreemd recht

GODO KAISHA IP BRIDGE 1,

te Tokyo, Japan,

advocaat mr. B.J. van den Broek te Amsterdam,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident.

Partijen zullen hierna Vestel c.s. (vrouwelijk enkelvoud) en Philips c.s. (vrouwelijk enkelvoud) genoemd worden. Eiseressen in de hoofdzaak, verweersters in het incident zullen afzonderlijk ook Vestel Turkije en Vestel Duitsland genoemd worden. Gedaagden in de hoofdzaak tevens eiseressen in het incident zullen afzonderlijk ook Philips N.V., Advance, GEVC en IP Bridge genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding tegen Philips N.V., Advance en GEVC van 25 juli 2020;

  • -

    de dagvaarding tegen IP Bridge van 31 augustus 2020;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van Vestel c.s., met producties EP01 tot en met EP49;

  • -

    de akte tot wijziging en tevens vermeerdering van (gronden van) eis tevens houdende aanvullende producties van Vestel c.s., met producties EP50 tot en met EP76;

  • -

    de incidentele conclusie tot aanhouding, onbevoegdheidverklaring en verwijzing, tevens akte houdende overlegging producties van Philips c.s., met producties GP01 tot en met GP07;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord van Vestel c.s.;

  • -

    de akte houdende overlegging productie tevens akte houdende vermindering van eis van Philips c.s., met productie GP08;

  • -

    het pleidooi in het incident van 27 september 2021 en de ter gelegenheid daarvan door eiseressen en gedaagden overgelegde pleitnota’s. Philips c.s. werd daarbij bijgestaan door haar advocaten voornoemd. Vestel c.s. werd daarbij bijgestaan door haar advocaat voornoemd alsmede door mrs. A. Rosielle en R.E. Ebbink.

1.2.

Vonnis in het incident is nader bepaald op heden.

2 De vordering in de hoofdzaak

2.1.

Vestel c.s. vordert (na wijziging van eis) in de hoofdzaak, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank, bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

i t/m iv en vi. voor recht verklaart dat de voorstellen van Philips c.s. voor het verstrekken van een licentie op voor de HEVC1-standaard aangemelde SEPs2 uit de Access Advance Patent Pool, niet FRAND3 zijn;

v. voor recht verklaart dat Philips c.s. niet heeft voldaan aan haar FRAND-verplichtingen;

vii en viii. voor recht verklaart dat de voorstellen van Vestel c.s., wel FRAND zijn;

ix t/m xiv. voor recht verklaart dat aan Vestel c.s. aanspraak toekomt op een licentie

op voornoemde SEPs, onder de voorwaarden van de voorstellen van Vestel c.s., althans op door de rechtbank in goede justitie te bepalen FRAND-voorwaarden (waaronder een FRAND-licentievergoeding);

a. althans voor recht verklaart wat een FRAND-bedrag is dan wel wat de FRAND-bandbreedte is voor een licentie op voornoemde octrooien;

xv. bepaalt dat de hiervoor genoemde licentie ontstaat door het vonnis, op de voet van artikel 56 lid 2 ROW;

a. althans Philips c.s. gebiedt mee te werken aan het tot stand komen van een licentie zoals hiervoor bedoeld;

xvi en xvii. voor recht verklaart dat Philips c.s., elk voor zich of tezamen, misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU4 en in strijd heeft gehandeld met het kartelverbod in de zin van artikel 101 VWEU;

xviii. voor recht verklaart dat de oprichting, exploitatie en/of handelswijze van de Access Advance Patent Pool nietig is wegens strijd met het kartelverbod;

xix. voor recht verklaart dat Philips c.s. onrechtmatig heeft gehandeld jegens Vestel c.s. door niet aan op hen rustende FRAND-verplichtingen te voldoen;

xx en xxi. Philips c.s. hoofdelijk verplicht de onderhandelingen te goeder trouw met Vestel c.s. te hervatten;

xxii. Philips c.s. veroordeelt tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat;

xxiii en xxiv. een verklaring voor recht van geen inbreuk aan Vestel c.s. afgeeft nu Vestel c.s. aanspraak heeft op een licentie;

xxv en xxvi. aan Philips c.s. een handhavingsverbod oplegt op basis van enige SEP uit de HEVC-standaard;

xxvii aan Philips c.s. een verbod oplegt om klanten van Vestel c.s. aan te schrijven en te dreigen met het starten van inbreukprocedures of anderszins druk te zetten een licentie op (octrooien in) de Acces Advance Pool te nemen,

onder verbeurte van dwangsommen en hoofdelijke veroordeling van Philips c.s. in de

proceskosten op de voet van artikel 1019h Rv5, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der voldoening.

2.2.

Vestel c.s. legt aan deze vorderingen – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – de volgende stellingen ten grondslag.

2.2.1.

Vestel c.s. produceert en verkoopt elektronische consumptiegoederen, waaronder televisies en decoderkasten. Voor bepaalde producten die Vestel c.s. verkoopt, met name 4K-televisies, geldt de (commerciële) marktvoorwaarde dat zij de HEVC-standaard moeten ondersteunen. Het is voor Vestel c.s. dan ook van groot belang om te beschikken over licenties op octrooien die als essentieel zijn aangemeld voor de HEVC-standaard.

2.2.2.

In de Access Advance Patent Pool zijn octrooien ondergebracht van verschillende octrooihouders, waaronder Philips, GEVC en IP Bridge, die zijn aangemeld als essentieel voor het toepassen van de HEVC-standaard (hierna: SEPs). Advance beheert deze pool en houdt zich bezig met de collectieve licentieverlening met betrekking tot de SEPs.

2.2.3.

Sinds april 2017 hebben Vestel c.s. en Advance onderhandeld over een licentie op de SEPs uit de Access Advance Patent Pool. Daarbij heeft Advance een standaardvoorstel gedaan tegen voorwaarden die volgens Vestel c.s. niet FRAND zijn. De royalty rate die Advance vroeg was te hoog, te meer omdat slechts een beperkt deel van de SEPs in de Acces Advance Patent Pool voor Vestel relevant zijn. Vestel c.s. beschikt namelijk via een andere pool (MPEG LA HEVC Patent Pool) al over bepaalde licenties die zij ook via de Access Advance Patent Pool zal verkrijgen en bovendien is Vestel c.s. vooral actief op de Europese markt waardoor zij geen belang heeft bij bijvoorbeeld Amerikaanse octrooien.

2.2.4.

Vestel c.s. heeft parallel aan deze onderhandelingen contact gezocht met een aantal individuele poolleden (Philips, GEVC en later ook IP Bridge) om bilaterale licentieovereenkomsten te sluiten. De voorstellen die deze individuele leden deden waren echter ook niet FRAND, want gebaseerd op het voorstel van Advance, met daarbij bovendien een opslag voor het bilateraal afsluiten. De poolleden hebben kennelijk hun gedragingen onderling afgestemd om het onaantrekkelijk te maken om bilaterale overeenkomsten af te sluiten en Vestel c.s. te dwingen een niet-FRAND licentie via de pool af te sluiten.

2.2.5.

Vestel Turkije is samen met Vestel UK in januari 2019 in Engeland een procedure begonnen tegen Advance en Philips N.V. omdat zij niet hebben voldaan aan hun FRAND-verplichtingen. De Engelse rechter heeft zich (internationaal) onbevoegd verklaard omdat Vestel Turkije niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden of zou lijden (in het Verenigd Koninkrijk), zodat rechtsmacht dus niet kon worden gebaseerd artikel 7 lid 2 Brussel I bis-Vo6. Deze beslissing is in hoger beroep bekrachtigd en is inmiddels definitief.

2.2.6.

In juli 2020 hebben enkele poolleden (Philips N.V., GEVC, IP Bridge en Dolby) Vestel Duitsland in Duitsland gedagvaard wegens vermeende inbreuk op hun octrooien. Vestel c.s. stelt dat Philips c.s. ook hiermee in strijd met haar FRAND-verplichtingen handelt door afzonderlijk maar gecoördineerd met elkaar Vestel Duitsland te dagvaarden en verbodsvorderingen in te stellen.

2.2.7.

Vestel c.s. stelt dat Philips c.s. met haar handelen misbruik maakt van haar machtspositie en in strijd met het kartelverbod handelt, omdat zij de toegang weigert te verschaffen tot SEPs tegen FRAND-voorwaarden, hetgeen onrechtmatig is en waardoor Vestel c.s. wordt geschaad in haar concurrentiepositie binnen de Europese Unie. Verder heeft Philips c.s. onrechtmatig jegens Vestel c.s. gehandeld door de onderhandelingen niet te goeder trouw te voeren en de precontractuele redelijkheid en billijkheid te schenden. Onder deze omstandigheden dient het Philips c.s. tevens te worden verboden de SEPs die onderdeel uitmaken van de HEVC-standaard te handhaven tegen Vestel c.s. of haar afnemers.

3 Het geschil in het incident

3.1.

Philips c.s. vordert in dit incident – thans nog – zakelijk weergegeven, dat de rechtbank:

 zich internationaal onbevoegd verklaart om van de vorderingen van Vestel c.s. jegens Advance, GEVC en IP Bridge kennis te nemen, althans zich internationaal onbevoegd verklaart voor zover deze vorderingen zien op landen buiten Nederland;

 zich relatief onbevoegd verklaart om van de vorderingen van Vestel c.s. kennis te nemen;

 de zaak verwijst naar de rechtbank Amsterdam,

met veroordeling (uitvoerbaar bij voorraad) van Vestel c.s. in de proceskosten.

3.2.

Philips c.s. legt hieraan het volgende ten grondslag. Niet betwist wordt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van Philips N.V. op grond van artikel

4 lid 1 Brussel I bis-Vo. Wel wordt betwist dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen jegens medegedaagden Advance, GEVC en IP Bridge, omdat niet wordt voldaan aan de strenge eisen voor toepassing van artikel 7 lid 1 Rv (dat net zo moet worden geïnterpreteerd als artikel 8 Brussel I bis-Vo). Tussen de vorderingen jegens Philips N.V. en de vorderingen jegens de buitenlandse gedaagden bestaat geen zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Niet gesteld noch onderbouwd is dat bij afzonderlijke berechting gevaar bestaat voor onverenigbare beslissingen. De vorderingen zien niet op eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, omdat alle gedaagden ieder voor zich onderhandelingen met Vestel c.s. hebben gevoerd en verschillende licentievoorstellen hebben gedaan, die zien op afzonderlijke sets octrooien. Of de licentievoorstellen en gedragingen van partijen FRAND zijn, dient per gedaagde te worden beoordeeld naar de omstandigheden van dat geval. Het verwijt van Vestel c.s. dat gedaagden met elkaar zouden “samenspannen” om Vestel c.s. te dwingen een niet-FRAND licentie aan te gaan en aldus zouden handelen in strijd met het kartelverbod, is niet onderbouwd en onvoldoende om rechtsmacht op te baseren. Bovendien was het voor de medegedaagden niet voorzienbaar dat zij in Nederland zouden worden gedagvaard omdat één van de (thans 36) pooldeelnemers daar gevestigd is en waarmee een potentiële licentienemer bilaterale gesprekken heeft gevoerd. Omdat ook geen rechtsmacht kan worden aangenomen op andere gronden (zoals artikel 6 sub e Rv en artikel 9 sub c Rv), dient de rechtbank zich onbevoegd te verklaren.

3.3.

Philips c.s. stelt verder dat niet de rechtbank Den Haag, maar de rechtbank Amsterdam op grond van artikel 99 lid 1 Rv relatief bevoegd is, omdat het hoofdkantoor van Philips N.V. in Amsterdam is gevestigd en dit op grond van artikel 1:14 BW7 als haar woonplaats geldt. De rechtbank Den Haag is niet exclusief bevoegd uit hoofde van (artikel 80 van) de ROW 19958 omdat de vorderingen van Vestel c.s. niet zien op een octrooirechtelijk geschil, maar gegrond zijn op het mededingingsrecht en de precontractuele goede trouw. Voor Advance, GEVC en IP Bridge vloeit de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam, voor het geval de rechtbank internationale rechtsmacht zou aannemen, voort uit artikel 107 Rv, nu redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.

3.4.

Vestel c.s. voert verweer strekkende tot afwijzing van de incidentele vorderingen, met veroordeling van Philips c.s. in de proceskosten, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in het incident

Internationale bevoegdheid

4.1.

Aangezien Philips N.V. in Nederland is gevestigd, is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd van de vorderingen jegens Philips N.V. kennis te nemen op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Vo (in samenhang met artikel 63 lid 1 Brussel I bis-Vo). Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

4.2.

Philips c.s. heeft voor alle weren de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter jegens de medegedaagden Advance, GEVC en IP Bridge betwist. Deze medegedaagden zijn gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika respectievelijk Japan. Uit artikel 6 Brussel I bis-Vo volgt dat de bevoegdheid jegens deze gedaagden, die dus niet zijn gevestigd op het grondgebied van een lidstaat, wordt geregeld door de Nederlandse commune regels voor internationale rechtsmacht. In dit geval is artikel 7 lid 1 Rv relevant, waarin het volgende wordt bepaald:

“Indien in zaken waarbij een vordering is ingesteld de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de verweerders rechtsmacht heeft, komt hem deze ook toe ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere verweerders, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden verweerders een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.”

4.3.

Bij de invoering en latere wijzigingen van de artikelen 1-14 Rv heeft de Nederlandse wetgever aansluiting gezocht bij, onder meer, de voorlopers van de huidige Brussel I bis-Vo (zie Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 80; Kamerstukken II 2002/03, 28863, nr. 3, p. 1). Bij de uitleg van de commune regels voor internationale rechtsmacht moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJ over (de voorlopers van) de Brussel I bis-Vo. Dit is uiteraard anders indien aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om bij de inrichting van een commune regel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJ.9

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever ten aanzien van artikel 7 Rv bedoeld een iets andere (hier: ruimere) regel te formuleren dan zoals neergelegd in artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo. Dit volgt ten eerste uit de tekst van beide artikelen die op belangrijke punten afwijkt. Gemakshalve is hieronder de tekst van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo weergegeven:

Artikel 8

“Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:

1. indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven;”

In plaats van de “nauwe” band en het vermijden van onverenigbare beslissingen heeft de Nederlandse wetgever gekozen voor “samenhang” tussen de vorderingen en redenen van “doelmatigheid”. Het is uit die bewoordingen evident dat de laatste voorwaarde ruimer is dan de eerste. Met AG Vlas wijst de rechtbank voorts erop dat het verschil tussen de commune regeling van Rv en de EEX-bevoegdheidsbepalingen kan worden verklaard door de verschillende doelstellingen ervan. Volgens het EEX-regime moet immers worden voorkomen dat er onverenigbare beslissingen in verschillende lidstaten worden genomen die problemen bij de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging kunnen geven.10 Bij de commune regeling is dit geen overweging en is de eerdere rechtspraak van de HR aangaande 126 lid 7 Rv (oud) in de wet verankerd.11 Bovendien heeft de wetgever nadrukkelijk opengehouden dat hij op bepaalde punten een ruimere regeling voor rechtsmacht voorstelt:12

“Wel is de nationale regeling ten aanzien van de verlening van rechtsmacht in het algemeen iets ruimer uitgevallen, hetgeen door de genoemde verdragen ook geenszins wordt verboden. De nationale wetgever moet in dit opzicht niet te zuinig zijn: wanneer de verdragen niet van toepassing zijn, dan moet in Nederland in beginsel een titel kunnen worden verkregen.”

4.5.

Bij de beoordeling van de bevoegdheid is van verder belang dat de rechter zich bij dit onderzoek niet dient te beperken tot de stellingen van de eisende of verzoekende partij, maar ook acht moet slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verwerende partij. Wel geldt in dit verband de beperking dat indien de verwerende partij de stellingen van de eisende of verzoekende partij betwist, de rechter in het kader van de bepaling van zijn bevoegdheid geen gelegenheid behoeft te geven voor bewijslevering. Het onderzoek naar de bevoegdheid mag dus niet plaatsvinden op basis van enkel de door de eisende of verzoekende partij gekozen grondslag van haar vordering of verzoek.13

4.6.

De vraag luidt derhalve of, gelet op voorgaand toetsingskader, tussen de vorderingen tegen Philips N.V. en de buitenlandse medegedaagden zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval op grond van de navolgende omstandigheden.

4.7.

De vorderingen zijn jegens alle gedaagden gelijkluidend en zien op hetzelfde territoir. Ook de grondslagen voor die vorderingen zijn grotendeels gelijkluidend. Vestel c.s. verwijt alle gedaagden dat zij Vestel c.s. geen licentie onder FRAND-voorwaarden willen verstrekken voor de SEPs uit de Access Advance Patent Pool. Vestel c.s. heeft Philips N.V. en haar medegedaagden ieder gemotiveerd verweten dat zij hebben samengespannen en/of nog samenspannen/samenwerken om Vestel c.s. ertoe te bewegen niet-FRAND-licentievoorwaarden te accepteren. Vestel c.s. verwijt Philips N.V. en haar medegedaagden dat zij, zowel collectief (via beheerder Advance) als individueel (in de bilaterale onderhandelingen), gezamenlijk zijn opgetrokken en daarbij ieder (op elkaar afgestemde) niet-FRAND-licentievoorstellen hebben gedaan. Het zijn deze onderling afgestemde en met elkaar overeenstemmende feitelijke gedragingen van Philips N.V., haar mede-poolleden (in casu GEVC en IP Bridge) en Advance die volgens Vestel c.s. de mededinging beperken door misbruik te maken van hun machtspositie en in strijd met het kartelverbod te handelen en overigens onrechtmatig zijn, door in strijd te handelen met de precontractuele goede trouw en schending van de contractuele toezegging een FRAND-licentie te zullen verstrekken.

4.8.

Die verwijten zijn, anders dan Philips c.s. bepleit, niet dusdanig ongefundeerd dat zij de hiervoor in r.o. 4.5 genoemde (beperkte) toets in het kader van dit bevoegdheidsincident niet kunnen doorstaan. Ten eerste staat vast dat de SEP-houders Philips N.V., GEVC en IP Bridge allen hun SEP-portfolio (ten aanzien van de hier aan de orde zijnde HEVC-standaard) via Advance licentiëren en Advance namens die medegedaagde SEP-houders licentievoorstellen doet en heeft gedaan aan Vestel c.s.. Mochten die voorstellen niet FRAND zijn, dan zou sprake kunnen zijn van misbruik van een machtspositie, die in beginsel de SEP-houders mede aan te rekenen kan zijn, te meer omdat naar de stelling van Vestel c.s. Advance niet mag afwijken van de standaard Patent Pool License (PPL). Het moge duidelijk zijn dat een nadere inhoudelijke toetsing van de FRAND-heid van die voorstellen het kader van dit bevoegdheidsincident te buiten gaat. Datzelfde geldt voor het verwijt dat de bilaterale voorstellen niet FRAND zouden zijn. Voor de stelling dat die bilaterale voorstellen inderdaad onderling afgestemd zijn, bestaat bovendien enige aanwijzing, gelet op bijvoorbeeld de e-mail van GEVC van 24 augustus 2018 (EP 33):

As you noted, GE’s bilateral license offer is structurally similar to the patent pool license offered by HEVC Advance

Volgens Vestel c.s. berekenen de poolleden in de bilaterale voorstellen bovendien nog een opslag ten opzichte van de PPL.

4.9.

De Nederlandse rechter is derhalve internationaal bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van Vestel c.s. jegens de medegedaagden. Dit geldt ook voor de vorderingen in het petitum onder xxv, xxvi en xxviii, waarin handhavingsverboden zijn gevorderd die volgens Philips c.s. een zogenaamde anti suit injunction bevatten waarvoor de Nederlandse rechter niet (grensoverschrijdend) bevoegd zou zijn. De vraag of deze vorderingen kunnen worden toegewezen zal de rechtbank pas kunnen beantwoorden na een debat ten gronde, maar gaat het bestek van dit bevoegdheidsincident te buiten.

Relatieve bevoegdheid

4.10.

De rechtbank kan in het midden laten of zij bevoegd is op basis van artikel 80 ROW 1995 of op grond van artikel 83 lid 1 ROW 1995 en de algemene regeling voor de bepaling van de relatief bevoegde rechter. Langs beide wegen is deze rechtbank bevoegd binnen Nederland.

4.11.

Indien de zaak is te kwalificeren als een zaak in de zin van artikel 80 ROW 1995 is deze rechtbank exclusief bevoegd. Indien de algemene regeling voor de bepaling van de relatief bevoegde rechter van toepassing is, geldt het volgende. Artikel 102 Rv bepaalt dat bij zaken die zien op verbintenissen uit onrechtmatige daad mede bevoegd is de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Artikel 102 Rv is ontleend aan het bepaalde in artikel 5 sub 3 EEX-Verdrag (inmiddels artikel 7 lid 2 Brussel I bis-Vo).14 Voor de uitleg van het begrip “de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” zal de rechtbank dan ook bij laatstgenoemd artikel aanhaken en aansluiting zoeken bij de jurisprudentie van het HvJ daarover. Volgens vaste uitleg door het HvJ kan onder de plaats van het schadebrengende feit worden verstaan zowel de plaats waar de veroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan (het Handlungsort of locus delicti/actus) als de plaats waar de schade is ingetreden (het Erfolgsort of locus damni).

4.12.

Vestel c.s. vordert dat aan Philips c.s. onder meer een verbod tot handhaving van haar SEPs wordt opgelegd. Deze vordering ziet – zo begrijpt de rechtbank – tevens op de SEPs die in Nederland gelding hebben (zie xxv en xxvi, r.o.2.1), terwijl Vestel c.s. aangeeft dat zij onder handhaving specifiek begrijpt een inbreukprocedure met een verbod. De rechtbank is van oordeel dat de plaats van handeling van die in Vestel c.s.’ ogen onrechtmatige respectievelijk mededingingsbeperkende handhaving van SEPs in Nederland hier in Den Haag ligt, nu dit het exclusieve forum is voor het aanbrengen van dergelijke zaken in Nederland. In Den Haag ligt daarom het Handlungsort voor dat verwijt15, hetgeen ook voorzienbaar was voor Philips c.s..

4.13.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank relatief bevoegd is van de vorderingen van Vestel c.s. kennis te nemen voor zover die gegrond zijn op de vrees dat Philips c.s. haar octrooien met gelding in Nederland zal handhaven (via een verbod). Voor wat betreft de overige vorderingen acht de rechtbank zich eveneens relatief bevoegd en wel op basis van verknochtheid. Bij de vraag naar toewijsbaarheid van de overige vorderingen zullen immers dezelfde stellingen en verweren moeten worden beoordeeld als bij deze handhavingsverboden. Hierdoor is het in het kader van relatieve bevoegdheid niet opportuun om voor een deel van de vorderingen de zaak te verwijzen naar een rechtbank in een ander arrondissement.

Proceskosten

4.14.

De beslissing over de proceskosten zal worden aangehouden tot in de hoofdzaak is beslist.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

verklaart zich internationaal bevoegd kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak jegens Philips c.s.;

5.2.

verklaart zich relatief bevoegd kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak jegens Philips c.s.;

5.3.

houdt de beslissing over de proceskosten aan;

in de hoofdzaak

5.4.

verwijst de zaak naar de rol van 6 weken na heden voor het nemen van de conclusie van antwoord door Philips c.s..

Dit vonnis is gewezen door mr. E.F. Brinkman en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel op 15 december 2021.

1 High Efficiency Video Coding

2 Standaard-Essentiële Octrooien

3 Fair, Reasonable and Non-Discriminatory

4 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

6 Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

7 Burgerlijk Wetboek

8 Rijksoctrooiwet 1995

9 HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, r.o. 4.1.3.

10 AG Vlas bij HR 29 maart 2019 (zie vorige voetnoot 9), ECLI:NL:PHR:2019:123, nr. 3.6

11 MvT p. 108, AG Vlas, nr. 3.4

12 MvT p. 21

13 Zie HR 29 maart 2019 (voetnoot 9), r.o. 4.1.4 en 4.1.5 onder verwijzing naar HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa/Barclays Bank), punt 58-65, en HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music/Schilling), punt 42-46; zie tevens HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694, rov. 4.2.3.

14 Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 265 (nr. 3)

15 Zie voor wat betreft het mededingsrecht HvJ 5 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:533, Lithuanian Airlines/Air Baltic II, m.n. r.o. 51