Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:1394

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-02-2021
Datum publicatie
22-02-2021
Zaaknummer
7595022 EJ VERZ 19-73276
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Voormalig beschermingsbewindvoerder wordt door de kantonrechter veroordeeld in de schade wegens slecht bewindvoerderschap. Schulden zijn niet tijdig betaald en bijzondere bijstand voor kosten rechtsbijstand is niet aangevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Gravenhage

CdW

BM. nr.: [BM nummer]

Zaak-/rolnr.: 7595022 EJ VERZ 19-73276

Datum: 15 februari 2021

Beschikking ex artikel 1:445, vijfde lid, BW juncto artikel 1:362 BW

op verzoek van:

[verzoekster] ,

[kantoorplaats] ,

hierna ook te noemen: verzoekster,

tegen

[verweerster] ,

[kantoorplaats] ,

hierna te noemen: verweerster,

met betrekking tot het bewind over alle goederen die (zullen) toebehoren aan:

[rechthebbende] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

hierna te noemen: betrokkene.

1 Procedure

1.1.

Bij beschikking van de kantonrechter te Den Haag van 29 augustus 2017 is een bewind ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene, wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden, met benoeming van verweerster tot bewindvoerder.

1.2.

Bij beschikking van de kantonrechter te Den Haag van 10 december 2018 is verweerster op verzoek van betrokkene met ingang van 16 december 2018 ontslagen en is verzoekster tot opvolgend bewindvoerder benoemd.

1.3.

Verweerster heeft op 11 maart 2019 de eindrekening over de periode van 29 augustus 2017 tot en met 16 december 2018 overgelegd.

1.4.

Bij brief van 17 mei 2019 heeft verzoekster uiteengezet waarom zij niet met de eindrekening heeft ingestemd.

1.5.

Bij brief van 4 juli 2019 heeft verweerster een aangepaste rekening en verantwoording ingediend.

1.6.

Bij brief van 13 september 2019 heeft verweerster uiteengezet waarom zij ook de aangepaste eindrekening niet heeft geaccordeerd.

1.7.

Op 28 november 2019 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden over de eindrekening, waar [betrokkene 1] verzoekster en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] namens verweerster zijn verschenen. Ter zitting is afgesproken dat verzoekster de door haar gestelde schade nader zou specificeren.

1.8.

Verzoekster heeft bij brief van 5 december 2019, met bijlagen, de schade nader gespecificeerd.

1.9.

Verweerster heeft hierop bij brief van 4 februari 2020 gereageerd. Op dit schrijven heeft verzoekster bij brief van 24 maart 2020 gereageerd.

2 Beoordeling

2.1.

Op grond van artikel 1:445, vijfde lid, BW juncto artikel 1:362 BW is de kantonrechter ambtshalve bevoegd om de schade vast te stellen die het gevolg is geweest van slecht bewind en om de voormalige bewindvoerder tot vergoeding daarvan te veroordelen (HR 23 juni 2000, NJ 2000/517).

2.2.

Verzoekster heeft verweerster aangesproken voor een schadevergoeding van in totaal € 414,90. De kantonrechter zal hierna de diverse in het verzoek gestelde schadeposten en het daartegen gerichte verweer afzonderlijk behandelen.

(1) geen bijzondere bijstand voor eigen bijdrage toevoeging rechtshulp aangevraagd

2.3.

Verzoekster stelt dat verweerster heeft nagelaten om bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage van de toevoeging rechtshulp ad € 143,00 aan te vragen, waardoor betrokkene het bedrag zelf heeft moeten betalen. De aanvraag toevoeging is ingediend op 10 september 2018. Voor deze kosten had verweerster binnen drie maanden, dus uiterlijk op 10 december 2018, een aanvraag voor bijzondere bijstand moeten indienen. Nu zij dit heeft nagelaten, heeft betrokkene schade geleden doordat zij de eigen bijdrage zelf heeft moeten voldoen.

2.4.

Verweerster heeft vorenstaande niet gemotiveerd bestreden. Om die reden gaat de kantonrechter ervan uit dat verweerster ten aanzien van de eigen bijdrage bijzondere bijstand had kunnen verkrijgen en dit niet heeft gedaan. De schade bedraagt derhalve het bedrag van € 143,00 dat betrokkene door het nalaten zelf heeft moeten betalen. Dit bedrag zal worden toegewezen.

(2) overige schulden

2.5.

Verzoekster stelt dat verweerster tijdens het bewind nieuwe schulden heeft laten ontstaan, hetgeen als onzorgvuldig handelen zijdens verweerster dient te worden beschouwd. De schade betreft de kosten en rente die betaald moeten worden als gevolg van het niet tijdig betalen van de schulden. Het gaat om de volgende schadeposten:

Deurwaarder

Schuldeiser

Factuur/dossiernr.

Vordering

Waarvan
kosten/rente

Ontstaan

Yards

8314663

€ 194,42

€ 47,04

26-09-2017

Yards

Infomedics

8318458

€ 257,45

€ 47,66

06-10-2017

Cannock
Chase

VGZ

C21870636

€ 12,68

€ 40,00

19-07-2018

Yards

8317562

€ 265,81

€ 47,97

03-10-2017

Yards

8309077

€ 208,33

€ 49,23

29-08-2017

EDR

Famed

10780957

€ 110,81

€ 40,00

07-06-2018

De totale schade aan rente en kosten bedraagt derhalve € 271,90.

2.6.

Wat betreft factuur 10780957 van EDR/Famed, heeft verweerster erkend dat deze binnen het budget had kunnen worden betaald en dat de kosten niet hadden moeten ontstaan. De kantonrechter zal het bedrag van € 40,00 dan ook als schadevergoeding toewijzen.

2.7.

Wat betreft de overige schadeposten, voert verweerster aan dat het pas vanaf de betaling van de bijzondere bijstand in januari 2018 mogelijk was het budget aan te wenden om actuele, nieuw ontstane schulden te voldoen. Er ontstond meer ruimte in het budget door de grotere betalingen in januari 2018 en de uitkering van de langsdurigheidstoeslag in juni 2018. Het budget was verder niet toereikend om schulden in te lopen, aldus verweerster.

2.8.

In reactie hierop heeft verzoekster gesteld dat het aan de bewindvoerder is om het inkomen zo snel mogelijk te maximaliseren. Daaronder valt ook het aanvragen van bijzondere bijstand. Dat deze bijstand pas in januari 2018 is toegekend, is voor rekening en risico van verweerster. Bij het uitblijven van het inkomen is het aan de bewindvoerder om te corresponderen met schuldeisers om kosten op de invordering te voorkomen. Uit niets blijkt dat verweerster dit heeft gedaan, aldus verzoekster.

2.9.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

2.10.

Met verzoekster is de kantonrechter van oordeel dat de bewindvoerder er voor dient te zorgen dat het inkomen van betrokkene zo spoedig mogelijk wordt gemaximeerd. Daarbij moet zij tevens nagaan of bepaalde kosten vergoed kunnen worden door bijzondere bijstand. De al dan niet verlening van bijzondere bijstand voor het salaris van de bewindvoerder zou geen invloed op het budget van betrokkene moeten hebben. Indien het budget niet toelaat dat de bewindvoerder zijn salaris opneemt (en er dus bijzondere bijstand aangevraagd dient te worden), mag de bewindvoerder zijn salaris niet ten laste van betrokkene brengen. Het salaris kan derhalve niet worden opgenomen, zolang er geen bijzondere bijstand voor is verstrekt. Verweerster heeft niet toegelicht waarom zij niet eerder dan januari 2018 bijzondere bijstand heeft kunnen verkrijgen. Voorts heeft verweerster op geen enkele wijze aangetoond dat het budget niet toereikend was om schulden in te lopen. Ook is niet gebleken dat verweerster met schuldeisers heeft gecorrespondeerd om verdere incassokosten te voorkomen. Het verweer van verweerster slaagt derhalve niet. Verweerster is verder ook niet concreet ingegaan op de verschillende schadeposten zoals weergegeven onder 2.5, zodat de kantonrechter tot het oordeel komt dat zij de schade onvoldoende gemotiveerd heeft gesproken. De slotsom is dan ook dat het overige bedrag van € 231,90 eveneens als schadevergoeding zal worden toegewezen.

(3) Conclusie

2.11.

Gelet op het vorenstaande zal de kantonrechter het verzoek om schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van € 414,90 in totaal.

3 Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt verweerster tot betaling van een bedrag van € 414,90 aan betrokkene;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. D. de Loor en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 februari 2021.

Tegen deze beslissing kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Den Haag

a. door de verzoeker en degenen aan wie de griffier een afschrift van deze beschikking heeft verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.