Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:13881

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-12-2021
Datum publicatie
17-12-2021
Zaaknummer
C/09/618542 / KG ZA 21-914
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. AASI-vordering. Internationale bevoegdheid. Amerikaanse gedaagde: artikel 7 lid 1 Rv. Vereisten van dit artikel moeten iets ruimer worden uitgelegd dan die van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo. Vorderingen tegen de ankergedaagden zijn evident kansloos voor zover het gaat om de dreiging van het instellen van een preventieve ASI met gelding buiten Nederland en België, zodat het enkel doelmatig is om bevoegdheid aan te nemen voor de (grensoverschrijdende) vorderingen gebaseerd op de dreiging van het instellen van een nakomings-ASI met gelding in Nederland en België. Ierse gedaagden: artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo. Bevoegdheid voor dezelfde vorderingen. Relatieve bevoegdheid: o.b.v. artikel 80 ROW dan wel 102 Rv. Spoedeisend belang ontbreekt t.a.v. de preventieve ASI nu eiseres niets heeft gesteld waaruit volgt dat er een dreiging is dat gedaagden een preventieve ASI zullen instellen. Inhoudelijk t.a.v. nakomings-ASI. Toepasselijk recht is Nederlands dan wel Belgisch recht o.b.v. artikel 4 lid 1 Rome II. Het instellen van een nakomings-ASI naar Nederlands (en Belgische) recht is niet onrechtmatig, zodat de vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/618542 / KG ZA 21-914

Vonnis in kort geding van 16 december 2021

in de zaak van

de rechtspersoon naar vreemd recht

TELEFONAKTIEBOLAGET LM ERICSSON,

te Stockholm, Zweden,

eiseres,

advocaat mr. W.J.G. Maas te Eindhoven,

tegen

1 APPLE RETAIL NETHERLANDS B.V.,

te Amsterdam,

2. APPLE BENELUX B.V.,

te Amsterdam,

3. de rechtspersoon naar vreemd recht

APPLE INC.,

te Cupertino, Californië, Verenigde Staten van Amerika,

4. de rechtspersoon naar vreemd recht

APPLE DISTRIBUTION INTERNATIONAL,

te Cork, Ierland,

5. de rechtspersoon naar vreemd recht

APPLE SALES INTERNATIONAL LTD,

te Cork, Ierland,

gedaagden,

advocaat mr. T.M. Blomme te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Ericsson en Apple c.s. (vrouwelijk enkelvoud) genoemd worden en gedaagden ook afzonderlijk Apple Retail, Apple Benelux, Apple Inc, Apple Distribution en Apple Sales. De zaak is voor Ericsson inhoudelijk behandeld door mr. Maas voornoemd, mr. E.T. Bergsma en mr. N. Willemsen, advocaten te Eindhoven en mr. D.M. Mulder, advocaat te Amsterdam. Voor Apple c.s. is de zaak inhoudelijk behandeld door mr. Blomme voornoemd, mr. P. van Schijndel, mr. A.S. Friedmann en mr. N.C. Rodriguez Arigon, advocaten te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in de provisionele voorziening van 18 oktober 2021 en de daarin genoemde gedingstukken;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van Ericsson, ingekomen ter griffie op 14 oktober 2021, met producties EP20 tot en met EP23;

  • -

    de akte houdende korte reactie op aanvullende producties EP20 en EP21 van Apple c.s., ingekomen ter griffie op 15 oktober 2021;

  • -

    de conclusie van antwoord, ingekomen ter griffie op 3 november 2021;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van Ericsson, ingekomen ter griffie op 11 november 2021, met producties EP24 tot en met EP26;

  • -

    de pleitnota van Ericsson, ingekomen ter griffie op 16 november 2021;

  • -

    de pleitnotities van Apple c.s., ingekomen ter griffie op 16 november 2021;

  • -

    de akte overlegging reactieve productie van Apple c.s., ingekomen ter griffie op 16 november 2021, met productie GP01;

  • -

    de akte houdende (voorwaardelijke) eiswijziging van Ericsson, ingekomen ter griffie op 17 november 2021;

  • -

    de digitale mondelinge behandeling via MCU-verbinding op 18 november 2021, met participatie van partijen en advocaten, waarbij de advocaten van partijen onder meer hebben gere- en dupliceerd aan de hand van schriftelijk pleitnotities die aan het griffiedossier zijn toegevoegd, waarbij de advocaat van Apple c.s. van zijn pleitnotities in dupliek de punten 16 tot en met 22 en 26 tot en met 30 niet heeft gepleit.

1.2.

Vonnis in de hoofdzaak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Voor een beschrijving van de feiten verwijst de voorzieningenrechter naar punt 2.1 tot en met 2.4 van het (tussen)vonnis in de provisionele voorziening van 4 oktober 2021 in onderhavige zaak. In aanvulling daarop stelt de voorzieningenrechter de volgende feiten vast.

2.2.

Apple Inc staat aan het hoofd van het wereldwijde Appleconcern. Zowel Apple Retail en Apple Benelux als Apple Distribution en Apple Sales zijn (klein)dochtermaatschappijen van Apple Inc. Apple Retail is in Nederland actief en Apple Benelux zowel in Nederland als België.

3 Het geschil

3.1.

Ericsson heeft haar eis (voorwaardelijk1) gewijzigd. Zij vordert thans dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren:

( a) Primair: Apple c.s. ieder afzonderlijk en gezamenlijk zal verbieden om, met onmiddellijke ingang na dit vonnis, waar dan ook ter wereld, althans waar dan ook ter wereld met uitzondering van de Lidstaten van de Europese Unie en de Lidstaten bij Lugano II2, te interfereren met het aanhangig maken of voortzetten van procedures en/of executeren van vonnissen door Ericsson jegens Apple c.s. op grond van Ericsson’s 4G en/of 5G standaard essentiële octrooien en/of andere octrooien (ongeacht of deze verbodsvorderingen omvatten), waarbij de strekking van het verbod zich (onder meer) richt tegen het verzoeken door Apple c.s. van (een) (wereldwijde) anti-suit injunction(s) bij (een) buitenlandse rechter(s);

( b) Subsidiair: Apple c.s. ieder afzonderlijk en gezamenlijk zal verbieden om, met onmiddellijke ingang na dit vonnis, waar dan ook ter wereld, althans waar dan ook ter wereld met uitzondering van de Lidstaten van de Europese Unie en de Lidstaten bij Lugano II, te interfereren met het aanhangig maken of voortzetten van procedures en/of executeren van vonnissen door Ericsson jegens Apple c.s. op grond van Ericsson’s 4G en/of 5G standaard essentiële octrooien en/of andere octrooien (ongeacht of deze verbodsvorderingen omvatten) in de Lidstaten van de Europese Unie en de Lidstaten bij Lugano II, waarbij de strekking van het verbod zich (onder meer) richt tegen het verzoeken door Apple c.s. van (een) anti-suit injunction(s) bij (een) buitenlandse rechter(s) en welke anti-suit injunction(s) (onder meer) geld(t)(en) voor de Lidstaten van de Europese Unie en de Lidstaten bij Lugano II;

( c) Meer subsidiair: Apple c.s. ieder afzonderlijk en gezamenlijk zal verbieden om, met onmiddellijke ingang na dit vonnis, waar dan ook ter wereld, althans waar dan ook ter wereld met uitzondering van de Lidstaten van de Europese Unie en de Lidstaten bij Lugano II, te interfereren met het aanhangig maken of voortzetten van procedures en/of executeren van vonnissen door Ericsson jegens Apple c.s. op grond van Ericsson’s 4G en/of 5G standaard essentiële octrooien en/of andere octrooien (ongeacht of deze verbodsvorderingen omvatten) in Nederland, waarbij de strekking van het verbod zich (onder meer) richt tegen het verzoeken door Apple c.s. van (een) anti-suit injunction(s) bij (een) buitenlandse rechter(s) en welke anti-suit injunction(s) (onder meer) geld(t)(en) voor Nederland;

2. Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair: Apple c.s. ieder afzonderlijk en gezamenlijk, met onmiddellijke ingang na dit vonnis, zal gebieden te gehengen en te gedogen dat Ericsson in Nederland (één of meerdere) procedures jegens Apple c.s. aanhangig maakt of voortzet, waaronder (één of meerdere) procedures jegens Apple c.s. wegens inbreuk op haar 4G en/of 5G standaard essentiële octrooien en/of andere octrooien (ongeacht of deze verbodsvorderingen omvatten), en/of dat Ericsson in Nederland vonnissen (van de Nederlandse rechter) executeert, totdat in de hoofdzaak een eindvonnis is gewezen;

( a) Primair: Apple c.s. hoofdelijk zal gelasten aan het verbod onder 1 en/of 2 te voldoen, op straffe van een dwangsom voor iedere overtreding dan wel niet-nakoming van het verbod van € 10.000.000,- te vermeerderen met € 1.000.000,- voor iedere dag – een gedeelte van een dag tot een gehele gerekend – dat de overtreding dan wel niet-nakoming voortduurt, althans ter hoogte van een bedrag door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;

( b) Subsidiair: Apple c.s. hoofdelijk zal gelasten aan het verbod onder 1 en/of 2 te voldoen, op straffe van een dwangsom die gelijk is aan de dwangsommen c.q. boetes die Ericsson verbeurt, door waar dan ook ter wereld, althans in de Europese Unie, althans in Nederland jegens Apple c.s. inbreukprocedures inhoudende verbodsvorderingen op grond van haar 4G en/of 5G standaard essentiële octrooien en/of andere octrooien aanhangig te maken en/of voort te zetten;

4. De termijn waarbinnen de eis in de hoofdzaak moet zijn ingesteld als bedoeld in artikel 1019i Rv3 zal bepalen op 6 maanden na het in dit vonnis te wijzen verbod, althans een zodanige termijn als de voorzieningenrechter in redelijkheid voorkomt;

5. Apple c.s. hoofdelijk zal veroordelen in de volledige proceskosten op grond van artikel 1019h Rv, met bepaling dat Apple c.s. de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn vanaf 14 dagen na de dag van dit wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

Ter onderbouwing van de vordering genoemd in 3.1 onder 1 stelt Ericsson het volgende. De daarin gevraagde maatregelen (een anti-anti-suit injunction, hierna: AASI) is nodig om te anticiperen op het zeer waarschijnlijk ergens ter wereld initiëren van (een) ex parte procedure(s) door Apple c.s. voor het verkrijgen van een wereldwijde anti-suit injunction (hierna: ASI), die mede zal zien op procedures in Nederland over octrooien van Ericsson die hier gelding hebben. In dergelijke procedures wordt het de octrooihouder (in dit geval Ericsson) meestal ook verboden om vervolgens een AASI te vorderen, waarmee het voor Ericsson praktisch onmogelijk wordt om een opgelegde ASI terug te draaien of opgeheven te krijgen. Onder de voorwaarde dat de voorzieningenrechter voorshands zou oordelen dat een AASI niet kan worden toegewezen voor de lidstaten van de Europese Unie / de lidstaten bij Lugano II vanwege het beginsel van wederzijds respect en vertrouwen, heeft Ericsson in de vordering genoemd in 3.1 onder 1 opgenomen dat in dat geval de AASI moet worden toegewezen exclusief deze lidstaten. Zelf stelt Ericsson zich op het standpunt dat de AASI wel degelijk voor deze lidstaten kan worden toegewezen omdat het het enige effectieve middel van (zelf)verdediging is tegen een mogelijke ASI, waarmee een AASI in de kern een andere maatregel is dan een ASI.

De subsidiaire en meer subsidiaire vordering genoemd in 3.1 onder 1 heeft Ericsson opgenomen voor het geval de voorzieningenrechter aanleiding ziet de AASI te beperken tot ASI’s die Apple c.s. wenst in te stellen in (één van de) lidstaten van de Europese Unie / de lidstaten bij Lugano II, dan wel beperkt tot Nederland.

3.3.

Apple c.s. voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Internationale bevoegdheid

Apple Retail en Apple Benelux

4.1.

Omdat Apple Retail en Apple Benelux in Nederland gevestigd zijn, is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd van de vorderingen tegen Apple Retail en Apple Benelux kennis te nemen op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Vo4 (in samenhang met artikel 63 lid 1 Brussel I bis-Vo).

Apple Inc

4.2.

Apple c.s. betwist voor alle weren de bevoegdheid van de voorzieningenrechter ten aanzien van Apple Inc. Apple Inc is gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika. Zoals partijen hebben onderkend, volgt uit artikel 6 Brussel I bis-Vo dat de bevoegdheid in de procedure tegen Apple Inc wordt geregeld door de Nederlandse commune regels voor internationale rechtsmacht.

4.3.

Ericsson grondt de bevoegdheid van de voorzieningenrechter primair op artikel 7 lid 1 Rv en subsidiair op artikel 6 aanhef en onder e Rv.

4.4.

Artikel 7 lid 1 Rv luidt als volgt:

Indien in zaken waarbij een vordering is ingesteld de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de verweerders rechtsmacht heeft, komt hem deze ook toe ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere verweerders, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden verweerders een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.

4.5.

In dit kader is van belang dat zowel Ericsson als Apple c.s. zich op het standpunt stellen dat artikel 7 lid 1 Rv niet enkel geënt is op artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo, maar volledig vergelijkbaar moet worden uitgelegd. Zoals hierna ten aanzien van de Ierse Apple vennootschappen zal blijken is er ook bevoegdheid indien hetzelfde toetsingskader als artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo zou worden aangehouden. Naar voorshands oordeel is de bevoegdheid volgens artikel 7 lid 1 Rv evenwel ruimer, zodat zelfs indien er anders over de bevoegdheid jegens de Ierse vennootschappen zou worden geoordeeld, er niettemin bevoegdheid jegens Apple Inc op basis van artikel 7 lid 1 Rv is.

4.6.

Bij de invoering en latere wijzigingen van de artikelen 1 tot en met 14 Rv heeft de Nederlandse wetgever aansluiting gezocht bij, onder meer, de voorlopers van de huidige Brussel I bis-Vo.5 Bij de uitleg van de commune regels voor internationale rechtsmacht moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJ6 over (de voorlopers van) de Brussel I bis-Vo. Dit is uiteraard anders indien aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om bij de inrichting van een commune regel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJ.7

4.7.

Naar voorshands oordeel heeft de wetgever ten aanzien van artikel 7 lid 1 Rv bedoeld een iets andere (hier: ruimere) regel te formuleren dan zoals neergelegd in artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo. Dit volgt ten eerste uit de tekst van beide artikelen die op belangrijke punten afwijkt. Gemakshalve is hieronder de tekst van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo weergegeven:

Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:

1. indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven;

4.8.

In plaats van de “nauwe” band en het vermijden van onverenigbare beslissingen heeft de Nederlandse wetgever in artikel 7 lid 1 Rv (vergelijk r.o. 4.3) gekozen voor “samenhang” tussen de vorderingen en redenen van “doelmatigheid”. Het is uit die bewoordingen evident dat de laatste voorwaarde ruimer is dan de eerste. Met AG Vlas wijst de voorzieningenrechter voorts erop dat het verschil tussen de commune regeling van Rv en de Brussel I bis-Vo bevoegdheidsbepalingen kan worden verklaard door de verschillende doelstellingen ervan. Volgens het Brussel I bis-Vo regime moet immers worden voorkomen dat er onverenigbare beslissingen in verschillende lidstaten worden genomen die problemen bij de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging kunnen geven.8 Bij de commune regeling is dit geen overweging en is de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad aangaande 126 lid 7 Rv (oud) in de wet verankerd.9 Bovendien heeft de wetgever nadrukkelijk opengehouden dat hij op bepaalde punten een ruimere regeling voor rechtsmacht voorstelt:10

Wel is de nationale regeling ten aanzien van de verlening van rechtsmacht in het algemeen iets ruimer uitgevallen, hetgeen door de genoemde verdragen ook geenszins wordt verboden. De nationale wetgever moet in dit opzicht niet te zuinig zijn: wanneer de verdragen niet van toepassing zijn, dan moet in Nederland in beginsel een titel kunnen worden verkregen.

4.9.

Bij de beoordeling van de bevoegdheid is van verder belang dat de rechter zich bij dit onderzoek niet dient te beperken tot de stellingen van de eisende of verzoekende partij, maar ook acht moet slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verwerende partij. Wel geldt in dit verband de beperking dat indien de verwerende partij de stellingen van de eisende of verzoekende partij betwist, de rechter in het kader van de bepaling van zijn bevoegdheid geen gelegenheid behoeft te geven voor bewijslevering. Het onderzoek naar de bevoegdheid mag dus niet plaatsvinden op basis van enkel de door de eisende of verzoekende partij gekozen grondslag van haar vordering of verzoek.11

4.10.

De vraag luidt derhalve of, gelet op voorgaand toetsingskader, tussen de vorderingen tegen enerzijds Apple Retail / Apple Benelux en anderzijds Apple Inc zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Naar voorshands oordeel is dat het geval op grond van de volgende omstandigheden.

4.11.

De (gewijzigde) vorderingen van Ericsson zijn tegen alle gedaagden gelijkluidend en zien op hetzelfde territoir. Ook de grondslagen voor die vorderingen zijn gelijkluidend. Ericsson vreest dat Apple c.s. ergens ter wereld een ex parte procedure zal starten om een ASI tegen Ericsson te verkrijgen, waarbij dat zowel kan gaan om een preventieve actie om Ericsson als octrooihouder te beletten (standaard essentiële) octrooien in recht te handhaven, als een ASI om tegenover Ericsson nakoming van een ‘covenant not to sue’ af te dwingen.

In dit kader merkt de voorzieningenrechter op dat Ericsson in haar gedingstukken als grondslag van haar vorderingen voor wat betreft Apple Retail, Apple Benelux, Apple Distribution en Apple Sales daarnaast nog het volgende heeft opgenomen. Ericsson stelt dat de voornoemde gedaagden mogelijk niet steeds allemaal partij zullen zijn bij de buitenlandse procedures waarin een ASI tegen Ericsson wordt gevorderd. Maar in dat geval zullen zij volgens Ericsson onrechtmatig handelen omdat zij profiteren van het onrechtmatig handelen van Apple Inc en de in de buitenlandse procedures te verkrijgen ASI. De voorzieningenrechter constateert echter dat deze grondslag zich niet heeft vertaald in één van de vorderingen zoals opgenomen in het (gewijzigde) petitum. Deze grondslag zal dan ook niet bij de beoordeling worden betrokken.

4.12.

Apple c.s. betoogt dat de vereiste samenhang tussen de vorderingen ontbreekt, omdat de vorderingen tegen de twee Nederlandse gedaagden Apple Retail en Apple Benelux als ankergedaagden (de gedaagden die gevestigd zijn in het land van het aangezochte forum) evident kansloze vorderingen betreffen die enkel zijn ingesteld om bevoegdheid voor de buitenlandse gedaagden (waaronder Apple Inc) te creëren. Volgens Apple c.s. is duidelijk dat de Nederlandse ankergedaagden de gevreesde ASI’s niet tegenover Ericsson zullen instellen, maar – veronderstellenderwijs aannemende dat (één van de) Apple entiteiten een ASI vordering zou instellen – dat de (groot)moedermaatschappij Apple Inc dat zal doen, dan wel zustervennootschappen. De ankergedaagden zijn enkel in Nederland actief. Omdat zij ook op geen enkele wijze verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het (gevreesde) handelen van buitenlandse Apple vennootschappen, is op voorhand duidelijk dat de vorderingen tegen de ankergedaagden kennelijk ongegrond zijn, aldus Apple c.s.

4.13.

Voorop gesteld wordt dat samenhang tussen de vorderingen gericht tegen de ankergedaagden respectievelijk Apple Inc in de zin van artikel 7 lid 1 Rv niet kan worden aangenomen wanneer de vorderingen tegen de ankergedaagden evident kansloos zijn. In dat geval is er in het kader van internationale bevoegdheid immers geen aanleiding om aan te nemen dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.12

4.14.

Ericsson heeft erop gewezen dat het ongeloofwaardig is om aan te nemen dat de ankergedaagden nooit (mede) een ASI zullen aanvragen. De vrees daarvoor is met name gerechtvaardigd in de situatie dat Ericsson al een bodemprocedure zou zijn begonnen in Nederland of op punt staat te beginnen. De ankergedaagden zullen in dat geval (mede) het initiatief kunnen nemen om een ASI te vorderen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft Ericsson als productie EP16 (en nogmaals als productie EP26) een beslissing overgelegd van het District Court Southern District of California, Verenigde Staten van Amerika, van 7 oktober 2015. In die zaak waren zowel Apple Retail als Apple Benelux als eiseressen betrokken (naast onder andere Apple Inc) in een ex parte procedure tegen Qualcomm om ‘discovery’ tegen Qualcomm toe te staan en om documenten vanuit die ‘discovery’ te mogen gebruiken in de Nederlandse procedure tussen Ericsson en Apple. In de onderhavige procedure ligt een betrokkenheid van de ankergedaagden bij een in te stellen ASI temeer voor de hand vanwege de door Ericsson aangekondigde bodemzaken (vergelijk het tussenvonnis van 4 oktober 2021 in de onderhavige procedure, onder 2.4), nu de ankergedaagden in die zaken mede-gedaagden zijn vanwege hun commerciële activiteiten in Nederland en daarbuiten, aldus nog altijd Ericsson.

4.15.

Naar voorshands oordeel zijn niet alle vorderingen tegen de ankergedaagden evident kansloos. De voorzieningenrechter constateert echter wel dat deze dreiging enkel reëel is voor zover het gaat om een ASI met een gelding voor Nederland en België. Immers, Ericsson heeft zelf – onweersproken – gesteld dat Apple Benelux (naast Nederland) enkel in België actief is en Apple Retail enkel in Nederland. Voor Apple Retail / Apple Benelux heeft het instellen van een ASI met een werking buiten Nederland en België derhalve juridisch geen praktisch nut. Vorderingen van Ericsson tegen Apple Retail / Apple Benelux gegrond op de vrees dat zij ASI’s zullen vorderen met gelding buiten Nederland en/of België liggen daarmee op voorhand voor afwijzing gereed (en zijn in die zin inderdaad evident kansloos). Dat betekent dat er ten aanzien van Apple Inc geen bevoegdheid kan worden gebaseerd op artikel 7 lid 1 Rv voor zover die vorderingen buiten België of Nederland werking zouden hebben. Op basis van voorgaande onderbouwing van de vorderingen tegen de ankergedaagden kan niet op voorhand worden uitgesloten dat als er een ASI wordt ingesteld door bijvoorbeeld Apple Inc, dat Apple Benelux en Apple Retail als mede-eiser zullen optreden voor wat betreft de territoria (Nederland en België) waarin die ankergedaagden actief zijn. Nu het voorts gelijkluidende vorderingen zijn jegens de ankergedaagden en Apple Inc, is het doelmatig dat de voorzieningenrechter bevoegdheid aanneemt voor de vorderingen tegen Apple Inc die gegrond zijn op de dreiging dat Apple Inc ASI’s zal instellen met een gelding voor Nederland en België.

4.16.

Apple c.s. betoogt nog dat de vorderingen in hun algemeenheid voor afwijzing gereed liggen (waarbij de voorzieningenrechter begrijpt dat zij andermaal bedoelt te betogen dat de vorderingen tegen de ankergedaagden evident kansloos zijn) omdat op basis van het toepasselijke recht bepaald moet worden of het instellen van een ASI onrechtmatig is. Het toepasselijke recht moet volgens Apple c.s. op grond van artikel 4 lid 1 Rome II13 bepaald worden, wat leidt tot toepassing van het recht van het land waar de gevreesde ASI vordering zal worden ingesteld. Praktisch gezien zijn volgens Apple c.s. de enige denkbare landen waar een ASI vordering zal worden ingesteld China en de Verenigde Staten. Volgens het recht van die landen is het uitvaardigen van een ASI niet onrechtmatig.

Dit betoog is – wat daar ook van zij – op zichzelf onvoldoende om op voorhand aan te nemen dat de vorderingen tegen de ankergedaagden evident kansloos zijn. Ericsson vordert een AASI niet alleen uit te vaardigen voor China of de Verenigde Staten maar voor de gehele wereld. Bovendien stelt Ericsson dat Nederlands recht van toepassing is. Voor het geval toch buitenlands recht van toepassing is, stelt Ericsson dat in sommige gevallen het toepasselijke buitenlandse recht op grond van het buitengrenscriterium dan wel het binnengrenscriterium van artikel 10:6 BW14 buiten toepassing moet blijven, waarna volgens het dan toepasselijke Nederlandse recht – kort gezegd – een ASI onrechtmatig is. Geconstateerd wordt derhalve dat Ericsson voldoende heeft gesteld om de verweren van Apple c.s. gemotiveerd te betwisten. Dat is voldoende om de in r.o. 4.9 genoemde (beperkte) toets in het kader van de internationale bevoegdheid te doorstaan. De vraag of de stellingen dan wel verweren standhouden, komt pas aan de orde bij de inhoudelijke beoordeling.

4.17.

Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter op grond van artikel 7 lid 1 Rv internationaal bevoegd is kennis te nemen van de grensoverschrijdende vorderingen van Ericsson tegen Apple Inc, enkel voor zover die gegrond zijn op de vrees dat Apple Inc ASI’s instelt met een gelding voor Nederland en België.

Apple Distribution en Apple Sales

4.18.

Apple c.s. betwist voor alle weren eveneens de bevoegdheid van de voorzieningenrechter ten aanzien van Apple Distribution en Apple Sales.

4.19.

Ericsson grondt de bevoegdheid van de voorzieningenrechter primair op artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo en subsidiair op artikel 7 lid 2 Brussel I bis-Vo.

4.20.

Bevoegdheid ten aanzien van Apple Distribution en/of Apple Sales kan op basis van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo enkel worden aangenomen indien (1) de onderhavige rechtbank kan worden aangemerkt als het “gerecht van de woonplaats” van (één van) de medegedaagden van Apple Distribution / Apple Sales en bovendien (2) sprake is van een zodanig nauwe band met de vorderingen tegen die medegedaagde(n) dat een goede rechtsbedeling vraagt om een gelijktijdige behandeling en berechting teneinde tegenstrijdige beslissingen te voorkomen. Daarbij geldt dat deze vereisten terughoudend dienen te worden uitgelegd. Dit betekent onder meer dat het enkele feit dat tegenstrijdige uitspraken zich kunnen voordoen, onvoldoende is om te kunnen spreken van bedoelde nauwe band. Vereist is dat de tegenstrijdigheden zich kunnen voordoen in het kader van eenzelfde situatie, zowel feitelijk als rechtens, waarbij overigens niet is vereist dat de tegen de verschillende gedaagden ingestelde vorderingen dezelfde rechtsgrond hebben, voor zover voor gedaagden voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar één van hen haar woonplaats heeft.15 Ook bij de beoordeling of deze alternatieve bevoegdheidsregel van toepassing is, geldt het juridisch kader van het Kolassa-arrest (vergelijk r.o.4.9).

4.21.

Ten aanzien van het onder (1) bedoelde woonplaatsvereiste geldt dat de ankergedaagden (Apple Retail en Apple Benelux) in Nederland zijn gevestigd.

4.22.

Naar voorlopig oordeel is voor Apple Distribution en Apple Sales ook aan het onder (2) bedoelde vereiste voldaan voor zover de vorderingen zien op Nederland en België. Daartoe is (met verwijzing naar r.o. 4.11) redengevend dat de (gewijzigde) vorderingen van Ericsson tegen alle gedaagden gelijkluidend zijn. Voor wat betreft Apple Distribution en Apple Sales is van belang dat Ericsson heeft gesteld dat het zeer aannemelijk is dat als Apple Inc besluit een ASI te vorderen, zij dit gezamenlijk zal vorderen met Apple Distribution en Apple Sales (naast Apple Retail en Apple Benelux). Apple Sales is al eerder partij geweest in een procedure tegen Motorola waarin zij gezamenlijk met Apple Inc een ASI heeft gevorderd, aldus Ericsson. Voorts zijn Apple Distribution en Apple Sales beide actief in heel Europa, waaronder dus Nederland en België. Ericsson heeft dit onderbouwd door te stellen dat Apple Distribution verantwoordelijk is voor de online verkoop van Apple producten via de website www.apple.com/nl en dat Apple Sales verantwoordelijk is voor de uitvoering van inkoop-, verkoop- en distributieactiviteiten die verband houden met de verkoop van Apple-producten aan gelieerde partijen (in de Apple groep) en derde klanten in Europa, het Midden-Oosten, India en Afrika. Met verwijzing naar r.o. 4.14 en 4.16 verwerpt de voorzieningenrechter ook met betrekking tot Apple Distribution en Apple Sales dat de vorderingen tegen de ankergedaagden evident kansloos zijn. Ericsson heeft (in het kader van de beperkte toets zoals bedoeld in r.o. 4.9) voldoende gesteld om aan te nemen dat een goede rechtsbedeling vraagt om een gelijktijdige behandeling en berechting van de vorderingen tegen de ankergedaagden respectievelijk Apple Distribution / Apple Sales ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen. Met verwijzing naar r.o. 4.14 is de bevoegdheid van de voorzieningenrechter echter beperkt tot de vorderingen die gegrond zijn op de vrees dat Apple Distribution / Apple Sales ASI’s instellen met een gelding in Nederland en België. Enkel voor wat betreft die vorderingen geldt dat er een risico is op tegenstrijdige beslissingen en was voor Apple Distribution en Apple Sales voorzienbaar dat zij voor de voorzieningenrechter in Nederland gedaagd zouden worden.

4.23.

Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter internationaal bevoegd is kennis te nemen van de grensoverschrijdende vorderingen van Ericsson tegen Apple Distribution en Apple Sales, enkel voor zover die gegrond zijn op de vrees dat zij ASI’s instellen met een gelding voor Nederland en België.

Relatieve bevoegdheid

4.24.

Apple c.s. betwist voorts voor alle weren vervolgens dat de (voorzieningen)rechter van de rechtbank Den Haag relatief bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen.

4.25.

Ericsson grondt de exclusieve relatieve bevoegdheid op artikel 80 lid 2 ROW 1995, aangezien de onderhavige zaak de handhaving van een octrooi betreft ex artikel 70 ROW 199516. Wanneer de vorderingen niet onder deze relatieve bevoegdheidsgrond zouden vallen, baseert Ericsson de relatieve bevoegdheid op artikel 102 Rv.

4.26.

De voorzieningenrechter kan in het midden laten of hij bevoegd is op basis van artikel 80 ROW 1995 of op grond van artikel 83 lid 1 ROW 1995 en de algemene regeling voor de bepaling van de relatief bevoegde rechter. Langs beide wegen is de voorzieningenrechter van deze rechtbank bevoegd binnen Nederland.

4.27.

Indien de zaak is te kwalificeren als een zaak in de zin van artikel 80 ROW 1995 is de Haagse voorzieningenrechter exclusief bevoegd. Indien de algemene regeling voor de bepaling van de relatief bevoegde rechter van toepassing is, geldt het volgende. Artikel 102 Rv bepaalt dat bij zaken die zien op verbintenissen uit onrechtmatige daad mede bevoegd is de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Artikel 102 Rv is ontleend aan het bepaalde in artikel 5 sub 3 EEX-Verdrag (inmiddels artikel 7 lid 2 Brussel I bis-Vo).17 Voor de uitleg van het begrip “de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” zal de rechtbank dan ook bij laatstgenoemd artikel aanhaken en aansluiting zoeken bij de jurisprudentie van het HvJ daarover. Volgens vaste uitleg door het HvJ kan onder de plaats van het schadebrengende feit worden verstaan zowel de plaats waar de veroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan (het Handlungsort of locus delicti/actus) als de plaats waar de schade is ingetreden (het Erfolgsort of locus damni).

4.28.

Apple c.s. voert aan dat voor vaststelling van het Erfolgsort enkel de initiële schade die Ericsson lijdt relevant is. Dat betekent volgens Apple c.s. in dit geval dat het Handlungsort en het Erfolgsort samenvallen, omdat de initiële schade intreedt op dezelfde plaats als waar door Apple c.s. (mogelijk) een ASI zou worden gevorderd (het Handlungsort). Deze schade bestaat volgens Apple c.s. uit de ASI-procedure waartegen Ericsson zich dient te verweren en – als de ASI wordt toegewezen – het veroordelend vonnis en dwangsommen waaraan zij zich zal moeten houden.

4.29.

Het door Apple c.s. geschetste juridisch kader voor wat betreft de vaststelling van het Erfolgsort is naar voorshands oordeel (grotendeels) correct. Zoals Apple c.s. terecht opmerkt, volgt uit de jurisprudentie van het HvJ18 dat het Erfolgsort de plaats is waar de onrechtmatige handeling schadelijk inwerkt op de benadeelde en niet de plaats waar de benadeelde stelt zuivere vermogensschade te hebben geleden. Het begrip mag niet zo worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat al ergens anders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt. De voorzieningenrechter volgt Apple c.s. echter niet in de wijze waarop zij in het onderhavige geval het Erfolgsort duidt.

4.30.

De voorzieningenrechter is – met Ericsson – voorshands van oordeel dat de initiële (directe) schade die Ericsson lijdt ingeval Apple c.s. succesvol ergens ter wereld een ASI zou instellen met gelding in onder meer Nederland, niet enkel de schade is die voortvloeit uit het zich moeten verweren in die procedure. De initiële schade bestaat tevens uit het feit dat daarmee voor Ericsson de weg wordt afgesneden om in onder meer Nederland procedures tegen Apple c.s. aanhangig te maken gegrond op inbreuk op relevante octrooien van Ericsson met gelding in die landen. In wezen is de onderhavige situatie vergelijkbaar met de casus in het ook door Apple c.s. aangehaalde Kalimijnen-arrest19. Daarbij realiseert de voorzieningenrechter zich dat het in dat arrest ging om fysieke schade (in twee verschillende landen), terwijl het in de onderhavige zaak gaat om “immateriële” schade. Maar dat maakt voor de uitkomst geen verschil, nu deze immateriële schade het directe gevolg is (en daarmee gekwalificeerd moet worden als directe schade) van het instellen door Apple c.s. van een ASI. Het betreft geen zuivere vermogensschade zoals door het HvJ wordt bedoeld. Het Handlungsort van deze schade ligt in het onderhavige geval in het (buiten)land waar door Apple c.s. een ASI zou worden gevorderd. Maar het Erfolgsort ligt, voor wat betreft procedures ten aanzien van relevante octrooien van Ericsson met gelding voor Nederland, in Nederland, meer specifiek in Den Haag, nu dit het exclusieve forum is voor het aanbrengen van dergelijke zaken.

4.31.

Deze zaak onderscheidt zich van de door Apple c.s. nog genoemde Pfizer/Ono zaak.20 In die zaak oordeelde het hof immers dat de verweten schadebrengende handelingen (misbruik van procesrecht door een kansloze opeisingsprocedure in Duitsland waardoor de verleningsprocedure stil kwam te liggen) inwerkten op de Europese octrooiaanvrage van Ono, die kon worden gesitueerd in München. Dat de handhaving van het nog niet bestaande Nederlandse deel van het Europese octrooi wordt gefrustreerd, werd door het hof als vervolgschade gekwalificeerd, waaraan geen bevoegdheid op basis van locus damni kan worden ontleend. In deze zaak werkt de schade van een in het buitenland verkregen ASI, voor zover die op in Nederland geldende SEPs ziet, evenwel rechtstreeks door in dit arrondissement omdat de SEP-houder alhier wordt verhinderd een inbreukprocedure in te stellen. Dit een en ander was ook voorzienbaar voor Apple c.s.

4.32.

Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter relatief bevoegd is van de vorderingen van Ericsson kennis te nemen voor zover die gegrond zijn op de vrees dat Apple c.s. ASI’s zal instellen met gelding in Nederland.

4.33.

Voor wat betreft de vorderingen gegrond op de vrees dat Apple c.s. ASI’s zal instellen met gelding in andere landen, acht de voorzieningenrechter zich eveneens relatief bevoegd en wel op basis van verknochtheid. De vorderingen stemmen sterk overeen, zijn ingesteld tegen dezelfde gedaagden en vergen beoordeling van grotendeels dezelfde stellingen en betwistingen, waardoor het in het kader van relatieve bevoegdheid niet opportuun is om voor een deel van de vorderingen de zaak te verwijzen naar een Nederlandse voorzieningenrechter in een ander arrondissement.

Spoedeisend belang (preventieve ASI)

4.34.

De voorzieningenrechter brengt in herinnering dat de vorderingen van Ericsson gegrond zijn op de vrees dat Apple c.s. ergens ter wereld een ex parte procedure zal starten om een ASI tegen Ericsson te verkrijgen. Dit kan zowel gaan om een preventieve actie om Ericsson als octrooihouder te beletten (standaard-essentiële) octrooien in rechte te handhaven en een inbreukverbod te vorderen (hierna: de preventieve ASI; een dergelijke ASI is in het verleden wel eens toegewezen door Chinese rechters, voor de loop van de door de implementer gestarte Chinese procedure21), als een ASI om tegenover Ericsson nakoming van een ‘covenant not to sue’ af te dwingen (hierna: de nakomings-ASI). Met verwijzing naar r.o. 4.14, 4.17, 4.22 en 4.23 gaat het in de onderhavige procedure enkel nog om de preventieve dan wel de nakomings-ASI met gelding in Nederland en/of België.

4.35.

Voor wat betreft de preventieve ASI betwist Apple c.s. dat Ericsson spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de vorderingen op deze grondslag, omdat de (reële) dreiging dat Apple c.s. een preventieve ASI zal instellen, ontbreekt.

4.36.

Voor de volledigheid merkt de voorzieningenrechter op dat de vraag of sprake is van spoedeisend belang, een vraag is van formeel procesrecht zodat op basis van artikel 10:3 BW Nederlands recht van toepassing.

4.37.

De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het spoedeisend belang in beginsel is gegeven zolang het gestelde (dreigende) onrechtmatig handelen voortduurt.

4.38.

De voorzieningenrechter is – met Ericsson – voorshands van oordeel dat het instellen van een preventieve ASI met gelding in Nederland en/of België onder omstandigheden onrechtmatig kan zijn omdat – verkort weergegeven – dit in strijd is met grondrechten. Het dient in beginsel aan de betreffende (in dit geval: Nederlandse of Belgische) rechter te zijn om te beslissen of die procedure wordt aangehouden totdat de Chinese rechter heeft beslist.

4.39.

Ter onderbouwing van het bestaan van een (reële) dreiging dat Apple c.s. een dergelijke preventieve ASI zal instellen, heeft Ericsson gewezen op een geschil tussen Apple en Motorola uit 2012 en een geschil tussen Apple en BYD uit 2015. Tussen partijen is niet in geschil dat deze procedures zagen op de situatie dat de respectievelijke wederpartij van Apple een procedure tegen Apple instelde waarbij dit volgens Apple gebeurde in strijd met een contractuele verplichting, te weten een ‘covenant not to sue’. Vervolgens heeft Apple procedures tegen de respectievelijke wederpartijen gevoerd waarin zij ASI’s heeft gevorderd zodat de wederpartijen feitelijk in rechte verplicht werden tot nakoming van de ‘covenants not to sue’. Dit zijn derhalve procedures die zien op een nakomings-ASI. De voorzieningenrechter gaat in dit kader voorbij aan de stelling van Ericsson dat er juridisch gezien geen verschil is tussen een preventieve ASI en een nakomings-ASI. Met verwijzing naar r.o. 4.44 is naar voorlopig oordeel het instellen van een nakomings-ASI niet onrechtmatig (in tegenstelling tot, onder omstandigheden, een preventieve ASI).

4.40.

Voor het overige heeft Ericsson niets gesteld waaruit een concrete dreiging volgt dat Apple c.s. een preventieve ASI zal instellen. Zoals reeds in het provisionele vonnis van 18 oktober 2021 overwogen (r.o. 2.5) betekent de omstandigheid dat andere partijen dergelijke ASI’s hebben ingesteld in vergelijkbare omstandigheden niet dat Apple c.s. dat zal doen. Dat Apple c.s. niet bereid is een toezegging te doen geen ASI in te stellen tegen Ericsson, is op zichzelf onvoldoende dreiging als vereist voor het treffen van een voorlopige maatregel. De voorzieningenrechter stelt voorop dat Ericsson geen recht heeft op een dergelijke toezegging. Het feit dat Apple c.s. deze toezegging niet wil geven, zou mogelijk als bijkomende omstandigheid gelden wanneer Apple c.s. in het verleden al daadwerkelijk een (preventieve) ASI tegen Ericsson of anderde octrooihouder(s) heeft ingesteld of er andere omstandigheden zijn waaruit een dreiging daartoe kan worden afgeleid. Daarvan is in dit geval geen sprake. Bovendien heeft Apple c.s. tijdens de mondelinge behandeling van de provisie aangegeven dat zij nog nooit een ASI heeft gevraagd en ook niet voornemens is dat te doen. De omstandigheid waar Ericsson nog op heeft gewezen dat Apple c.s. op haar website meldt dat zij van mening is dat in SEP-zaken geen verbod zou moeten worden opgelegd, maakt het voorgaande evenmin anders. Die mededeling brengt immers niet mee dat Apple c.s. die mening niet slechts defensief in een betreffende SEP-zaak maar ook offensief zal willen inzetten (tegen Ericsson) door middel van een ASI.

4.41.

Het voorgaande betekent dat niet aannemelijk is geworden dat er een (reële) dreiging bestaat dat Apple c.s. een preventieve ASI tegen Ericsson zal instellen, zodat het spoedeisend belang van de vorderingen voor zover gegrond op deze stelling ontbreekt. In zoverre liggen de vorderingen voor afwijzing gereed.

Nakomings-ASI

4.42.

Apple c.s. betwist dat het instellen van een nakomings-ASI onrechtmatig is, zodat de AASI vorderingen van Ericsson die bedoeld zijn om Apple c.s. het instellen van een nakomings-ASI te beletten, voor afwijzing gereed liggen.

Toepasselijk recht

4.43.

Met partijen constateert de voorzieningenrechter dat de vraag of het instellen van een nakomings-ASI onrechtmatig is, beoordeeld moet worden naar het recht dat toepasselijk is op grond van artikel 4 lid 1 Rome II. Het toepasselijke recht is het recht van het land waar de - directe - schade zich voordoet (zie ook de preambule onder 16 en 17 van Rome II). Met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 3 juni 201622, neemt de voorzieningenrechter tot uitgangspunt dat het begrip “het land waar de schade zich voordoet” op vergelijkbare wijze moet worden uitgelegd als het begrip “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen” van artikel 7 lid 2 Brussel I bis-Vo. Dat betekent dat hetzelfde juridische kader geldt als geschetst in r.o. 4.29. Met verwijzing naar r.o. 4.30 overweegt de voorzieningenrechter dat de (directe) schade die Ericsson lijdt dan wel dreigt te zullen lijden, zich voordoet in Nederland dan wel België, zodat de vraag of sprake is van (dreigend) onrechtmatig handelen naar Nederlands respectievelijk Belgisch recht moet worden beantwoord.

Is het instellen van een nakomings-ASI onrechtmatig?

4.44.

De voorzieningenrechter is – met Apple c.s. – voorshands van oordeel dat naar Nederlands recht een nakomings-ASI een ander type vordering is met een ander doel dan een preventieve ASI. Wanneer tussen partijen een ‘covenant not to sue’ is overeengekomen en één van partijen (beweerdelijk) wanprestatie pleegt door in strijd met deze overeenkomst toch een procedure tegen de andere partij in te stellen, dan moet de andere partij de mogelijkheid behouden om deze wanprestatie een halt toe te roepen. Daartoe is de nakomings-ASI het enige geschikte middel. Bovendien heeft een partij in een dergelijk geval al bij voorbaat zijn grondrecht om zijn octrooi in rechte te handhaven (onder de voorwaarden van de ‘covenant not to sue’) ingeperkt. Bij gebreke van een deugdelijke toelichting door Ericsson, valt ook niet in te zien dat afdwinging van die afspraak dan niet zou mogen.

4.45.

Voor wat betreft het instellen van een nakomings-ASI met gelding in België, houdt de voorzieningenrechter het ervoor dat een dergelijke ASI ook naar Belgisch recht niet onrechtmatig is, nu er geen aanleiding is te veronderstellen dat het Belgisch recht in dit opzicht wezenlijk verschilt van het Nederlandse recht.

4.46.

Het voorgaande betekent dat de vorderingen van Ericsson voor zover gegrond op de vrees dat Apple c.s. een nakomings-ASI met gelding in Nederland en België tegen Ericsson zal instellen, eveneens voor afwijzing gereed liggen.

Proceskosten

4.47.

Ericsson zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in de provisionele voorziening en in de hoofdzaak. Deze zijn te begroten volgens artikel 1019h Rv omdat de zaak naar de kern het (vrije) handhaven door Ericsson van haar octrooien betreft. Partijen hebben afgesproken dat de proceskosten voor de provisionele voorziening € 15.000,- bedragen en voor de hoofdzaak € 45.000,- zodat daarvan wordt uitgegaan. Inclusief het griffierecht worden de kosten aan de zijde van Apple c.s. in de hoofdzaak begroot op € 45.667,-.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in de provisionele voorziening voorts

5.1.

veroordeelt Ericsson in de kosten van de provisionele voorziening, tot op heden aan de zijde van Apple c.s. begroot op € 15.000,-;

5.2.

verklaart de proceskostenveroordeling onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

5.3.

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen tegen Apple Inc, Apple Distribution en Apple Sales voor zover die zien op ASI’s met een gelding buiten Nederland en België;

5.4.

wijst de vorderingen af;

5.5.

veroordeelt Ericsson in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Apple c.s. begroot op € 45.667,-;

5.6.

verklaart de proceskostenveroordeling onder 5.5 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.F. Brinkman en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel op 16 december 2021.

1 De voorzieningenrechter merkt op dat de voorwaarde in het petitum onder 1 is geïncorporeerd door middel van het woord "althans" in de verschillende onderdelen van de vordering.

2 Verdrag van 30 oktober 2007 betreffende rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

4 Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

5 Parlementaire Geschiedenis. Herziening Rv, pag. 80; Kamerstukken II 2002/03, 28863, nr. 3, p. 1

6 Hof van Justitie

7 Hoge Raad 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, r.o. 4.1.3.

8 AG Vlas bij Hoge Raad 29 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:123, nr. 3.6

9 Memorie van Toelichting, pag. 108; AG Vlas bij Hoge Raad 29 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:123, nr. 3.4

10 Memorie van Toelichting, pag. 21

11 Zie HR 29 maart 2019 (voetnoot 7), r.o. 4.1.4 en 4.1.5 onder verwijzing naar HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa/Barclays Bank), punt 58-65, en HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music/Schilling), punt 42-46; zie tevens HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694, rov. 4.2.3.

12 Vergelijk gerechtshof Den Haag 18 december 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3587, r.o. 2.2.

13 Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen

14 Burgerlijk Wetboek

15 HvJEU 21 mei 2015, C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (Cartel Damage Claims / Akzo Nobel) r.o. 17 tot en met 20 en 23.

16 Rijksoctrooiwet 1995

17 Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 265 (nr. 3)

18 Vergelijk HvJ EG 19 september 1995, C-364/93, ECLI:EU:C:1995:289 (Marinari / Lloyd’s Bank); HvJ EG 10 juni 2004, C-168/02, ECLI:EU:C:2004:364 (Kronhofer / Maier)

19 HvJ EG 30 november 1976, ECLI:EU:C:1976:166

20 Gerechtshof Den Haag 9 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2606 (Ono/Pfizer).

21 Zie Wuhan Intermediate People’s Court 25 december 2020, E01 Zhi Min Chu No. 743 (2020) (Samsung/Ericsson); Supreme People's Court van 28 augustus 2020 (Huawei/Conversant), (2019) SPC IP Civil Final 732 / 733 / 734, beschikbaar op http://ipc.court.gov.cn/en-us/news/view-1226.html

22 ECLI:NL:HR:2016:1054 (Dahabshiil)