Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:13450

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-11-2021
Datum publicatie
07-12-2021
Zaaknummer
C-09-608582-HA RK 21-101
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verwijdering BKR-registratie o.g.v. artikelen 17 en 21 AVG. Verzoekschrift ontvankelijk (art. 35 UAVG). Verzoek o.g.v. art. 21 AVG kan te allen tijde worden gedaan, en er is geen sprake van een volledig herhaald verzoek. Verzoek wordt na belangenafweging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/608582 / HA RK 21-101

Beschikking van 18 november 2021

in de zaak van

[verzoeker] , te [plaats],

verzoeker,

advocaat mr. C.B.G.M. Foolen te Tilburg,

tegen

DEFAM B.V., te Bunnik,

verweerster,

advocaat mr. J.M. Penders te Nijmegen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van 4 maart 2021, met producties 1 tot en met 31,

  • -

    het verweerschrift, met producties 1 tot en met 22,

  • -

    de brief van mr. Penders van 1 oktober 2021, met productie 23 van Defam.

1.2.

Op 7 oktober 2021 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De advocaten van beide partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd, die tot het procesdossier behoren. De griffier heeft aantekeningen bijgehouden van wat er verder ter zitting is besproken.

1.3.

Ten slotte is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De Stichting Bureau Krediet Registratie (hierna: BKR) beheert het Centraal Krediet Informatiesysteem (hierna: het CKI), een systeem waarin betalingsachterstanden of andere onregelmatigheden die ontstaan tijdens de looptijd van een kredietovereenkomst met bijzonderheidscoderingen worden vermeld. Defam neemt als kredietaanbieder deel aan dit kredietregistratiestelsel van BKR.

2.2.

Eind januari 2014 heeft [verzoeker] een doorlopend krediet met een kredietlimiet van € 10.000 afgesloten bij Defam. [verzoeker] sloot dit krediet af voor een jeugdvriendin die samen met haar vriend een slijterij wilde beginnen maar daarvoor geld tekort kwam. [verzoeker] had op dat moment al een lening bij ING afgesloten voor een auto. Omdat hij zelf niet veel geld had en niet nog eens € 10.000 bij ING kon lenen, heeft [verzoeker] zich op advies van de vriend van zijn jeugdvriendin tot Defam gewend. [verzoeker] heeft het kredietbedrag van € 10.000 op 28 januari 2014 van Defam op zijn bankrekening ontvangen. Hij heeft daarna het geleende bedrag overgemaakt naar de bankrekening van (de vriend van) zijn jeugdvriendin.

2.3.

Op grond van de kredietovereenkomst moest [verzoeker] met ingang van 28 februari 2014 maandelijks € 100 aan aflossing en rente betalen. De eerst twee betalingstermijnen werden niet voldaan. In 2014 en 2015 zijn achterstanden blijven bestaan. Op 7 april 2015 heeft Defam een achterstandsmelding bij (het CKI van) BKR gedaan op dit krediet. De achterstand is in juli 2015 hersteld gemeld. Kort daarna zijn weer achterstanden ontstaan. Defam heeft op 31 oktober 2015 na eerdere aanmaningen (opnieuw) een achterstand (ditmaal van meer dan 60 dagen, ter hoogte van € 300) geregistreerd in het CKI (met codering ‘A’).

2.4.

Op 17 november 2015 heeft een deurwaarder in opdracht van Defam een huisbezoek afgelegd bij de woning waar [verzoeker] destijds bij de gemeente stond ingeschreven. Daar heeft de deurwaarder vastgesteld dat de ramen van de woning waar [verzoeker] zou verblijven, met kranten waren afgeplakt. De deurwaarder heeft een schriftelijk contactverzoek achtergelaten. Daarop is niet door [verzoeker] gereageerd.

2.5.

Na ontvangst van twee nieuwe aanmaningen is [verzoeker] in december 2015 een betalingsregeling van € 300 per maand met Defam overeengekomen. [verzoeker] is deze betalingsregeling niet correct nagekomen, waarna Defam de leningsovereenkomst heeft beëindigd en het krediet vervroegd heeft opgeëist. De deurwaarder heeft begin 2016 aan Defam bericht dat uit de controle in de Basisregistratie Personen (BRP) was gebleken dat het adres van [verzoeker] in onderzoek was. Van [verzoeker] was op dat moment geen ander adres bekend.

2.6.

Op 27 januari 2016 heeft Defam de opeising van het krediet in het CKI geregistreerd met een codering ‘A2’ (opmerking rechtbank: deze registratie wordt hierna samen met de achterstandregistraties ‘de BKR registratie’ genoemd).

2.7.

Op 30 mei 2016 heeft Defam [verzoeker] gedagvaard tot terugbetaling van de schuld uit het krediet, die per 23 mei 2016 was opgelopen tot € 10.491,84. De kantonrechter heeft de vorderingen van Defam bij vonnis van 9 augustus 2016 toegewezen en [verzoeker] veroordeeld tot terugbetaling. De deurwaarder heeft [verzoeker] per e-mail van 10 augustus 2016 op de hoogte gesteld van het vonnis.

2.8.

In april 2017 heeft ING bij BKR een achterstandsmelding geregistreerd (voor een geregistreerd bedrag van € 16.650) in verband met de lening die [verzoeker] bij ING had afgesloten.

2.9.

[verzoeker] heeft tussen december 2016 en mei 2017 op basis van een tijdelijke betalingsregeling gedurende vijf maanden maandelijks € 750 aan de deurwaarder van Defam betaald. In mei 2017 is [verzoeker] (die op dat moment al bijna twee jaren als zelfstandig containermonteur/-lasser werkte) werkloos geworden. [verzoeker] heeft nog een voorlopige betalingsregeling van € 750 per maand getroffen voor de maanden juni en juli 2017. In augustus 2017 is geen nieuwe betalingsregeling overeengekomen. Op 31 oktober 2017 heeft Defam het vonnis van de kantonrechter aan [verzoeker] laten betekenen.

2.10.

In 2018 hebben [verzoeker] en Defam een betalingsregeling van € 100 per maand getroffen. De termijnen voor de maanden april, juni en juli 2018 zijn te laat door [verzoeker] betaald. Vanaf augustus 2018 is [verzoeker] de betalingsregeling deugdelijk nagekomen. Op 30 januari 2019 heeft [verzoeker] de toen nog resterende schuld van € 5.494,53 in één keer afgelost.

2.11.

Defam heeft bij BKR geregistreerd dat het krediet op 31 januari 2019 is geëindigd. Tenzij er wijzigingen plaatsvinden, wordt de BKR registratie in januari 2024 uit het CKI verwijderd.

2.12.

[verzoeker] heeft eind 2017 een relatie gekregen met mw. [A] (hierna: [A]). Zij hebben samen twee kinderen, geboren op [geboortedatum 1] en [geboortedatum 2]. [verzoeker] en [A] wonen met hun kinderen bij de ouders van [A].

2.13.

Bij brief van 22 juni 2020 heeft CoderingsVrij B.V. (hierna: CoderingsVrij) namens [verzoeker] op grond van de artikelen 17, 21 en 6 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) bezwaar gemaakt tegen de handhaving van de BKR registratie en verzocht deze te verwijderen. Defam heeft bij brief van 8 juli 2020 in reactie op dit verzoek aan [verzoeker] bericht dat zij geen aanleiding ziet tot verwijdering van de registratie over te gaan.

2.14.

Op 15 februari 2021 heeft CoderingsVrij namens [verzoeker] het verzoekschrift voor deze procedure (in concept) aan Defam toegestuurd met het verzoek om op grond van een belangenafweging tot verwijdering van de BKR registratie over te gaan.

2.15.

Mr. Penders heeft bij brief van 25 februari 2021 namens Defam in reactie op het bovenstaande verzoek geantwoord dat de BKR registratie blijft gehandhaafd.

2.16.

[verzoeker] is daarop begin maart 2021 deze verzoekschriftprocedure gestart.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt, kort weergegeven, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking Defam veroordeelt om binnen 48 uur na betekening van deze beschikking de BKR registratie te (laten) verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag (met een maximum van € 30.000) en met veroordeling van Defam in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

3.2.

[verzoeker] baseert zijn verzoek op artikel 21 lid 1 AVG en de Santander-beschikking van de Hoge Raad van 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8097.[verzoeker] stelt dat zijn gerechtvaardigde belangen bij het verwijderen van de BKR registratie zwaarder wegen dan de belangen van Defam bij handhaving daarvan. [verzoeker] voert daartoe, kort gezegd, het volgende aan. Hij heeft zijn verantwoordelijkheid genomen. Door het verlies van zijn baan in mei 2017 was het een periode lastig om de schuld af te lossen, maar hij is uiteindelijk zijn betalingsregelingen nagekomen en heeft in 2019 de gehele schuld aan Defam terugbetaald. De huidige situatie van [verzoeker] is niet vergelijkbaar met het verleden. Hij heeft sinds 2019 een vast dienstverband waaruit hij een goed en stabiel inkomen geniet, terwijl ook zijn vriendin een vast dienstverband heeft. Zowel [verzoeker] als zijn vriendin hebben geen andere schulden meer, behalve een telefoonabonnement waarop geen achterstanden zijn. Zij zijn financieel stabiel. [verzoeker] wil met zijn gezin naar een huurwoning verhuizen, maar evenals bij (leningen voor) koopwoningen is de A2-codering ook een belemmering bij het kunnen krijgen van een huurwoning in de vrije sector. Het belang van [verzoeker] om een eigen huurwoning te krijgen is groot, omdat het gezin momenteel op één slaapkamer verblijft bij zijn schoonouders, die al op leeftijd zijn, behoefte hebben aan meer rust en privacy en ook kleiner willen gaan wonen. Er is geen sprake van een werkbare situatie. Het is zeer onredelijk als [verzoeker] onder deze omstandigheden tot 2024 moet wachten voordat hij eigen huisvesting kan verkrijgen, aldus – steeds – [verzoeker]. Het gezin van [verzoeker] woont nu in bij de ouders van zijn partner, maar zij hebben aangegeven dat dit niet langer zo kan blijven doorgaan.

3.3.

Defam voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

ontvankelijkheid verzoekschrift

4.1.

Defam voert in de eerste plaats aan dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek, omdat het verzoek te laat is ingediend. Defam stelt zich op het standpunt dat [verzoeker] op grond van artikel 35 Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) binnen zes weken na ontvangst van het afwijzende antwoord op het verwijderingsverzoek van 22 juni 2020 (dus uiterlijk op 19 augustus 2020) een verzoekschrift bij de rechtbank moeten indienen.

4.2.

De rechtbank volgt Defam niet in dit standpunt en overweegt daartoe als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat zowel het eerdere verwijderingsverzoek van [verzoeker] van 22 juni 2020 als zijn verwijderingsverzoek van 15 februari 2021 kan worden aangemerkt als een verzoek op basis van de artikelen 21 en 17 AVG. Op grond van artikel 21 lid 1 AVG heeft een betrokkene (hier: [verzoeker]) te allen tijde (cursivering rechtbank) het recht om vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van – onder meer – artikel 6, lid 1 onder f AVG. Hij kan aan dit bezwaar een verzoek koppelen om zijn persoonsgegevens te verwijderen (artikel 17 lid 1 sub c AVG). Met betrekking tot de verdere procedure na indiening van een dergelijk verwijderingsverzoek bepalen de AVG en de UAVG, kort gezegd en voor zover van belang, dat de verwerkingsverantwoordelijke (hier: Defam) binnen een maand op het verzoek moet antwoorden en dat de betrokkene in dat geval, als hij het niet met het (afwijzend) antwoord eens is, binnen zes weken na ontvangst van het antwoord zich tot de rechtbank kan richten met het schriftelijke verzoek de verwerkingsverantwoordelijke te bevelen het (verwijderings)verzoek alsnog toe te wijzen (zie de artikelen 12 AVG en 34 en 35 UAVG).

4.3.

Na de afwijzing van het eerste verzoek (op 8 juli 2020) heeft [verzoeker] zich niet tot de rechter gewend. Hij heeft ongeveer zeven maanden later een nieuw verzoek bij Defam gedaan op basis van artikel 21 AVG. Noch uit de AVG, noch uit de UAVG volgt echter dat een betrokkene, nadat een verzoek op basis van artikel 21 AVG is afgewezen, een bepaalde tijd moet wachten voordat hij een nieuw (verwijderings)verzoek kan indienen. Integendeel, in artikel 21 lid 1 AVG is juist, zoals hiervoor is vooropgesteld, bepaald dat [verzoeker] te allen tijde bezwaar mag maken tegen de BKR registratie, vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen. Uit de tekst van de AVG en de UAVG volgt dat dan in beginsel opnieuw een beantwoordingstermijn en, indien aan de orde, rechtsmiddelentermijn (van zes weken na ontvangst van het antwoord) gaat lopen.

4.4.

Defam heeft betoogd dat dit ten aanzien van het verzoek van 15 februari 2021 anders moet zijn, omdat het verzoek van 15 februari 2021 een volledig herhaald verzoek was, met exact dezelfde gronden. De rechtbank volgt Defam niet in dit betoog. Allereerst geldt dat Defam het verzoek van 15 februari 2021 niet als herhaald verzoek ter zijde heeft geschoven, maar dat Defam bij brief van haar advocaat van 25 februari 2021 volledig inhoudelijk op dit verzoek is ingegaan en de daarin door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden heeft betrokken in een afweging tussen de belangen van [verzoeker] (bij verwijdering van de BKR registratie) en de belangen van Defam (bij handhaving daarvan). De rechtbank is bovendien met [verzoeker] eens dat het verzoek van 15 februari 2021 relevante nieuwe omstandigheden ten opzichte van het eerdere verzoek van 22 juni 2020 bevat en in zoverre, anders dan Defam bepleit, niet als volledig herhaald verzoek kan worden aangemerkt. Ten eerste zijn [verzoeker] en [A] tussen het eerste verzoek (van 22 juni 2021) en het nieuwe verzoek (van 15 februari 2021) ouders geworden van hun tweede kind (hun dochter). Hoewel de geboorte al in het eerdere verzoek (en het daardoor verwachte ruimtegebrek in de woning van de schoonouders) was aangekondigd, heeft [verzoeker] in de daaropvolgende periode daadwerkelijk ervaren welke concrete gevolgen de geboorte van zijn dochter voor de huidige woonsituatie heeft. In zoverre is sprake van nieuwe persoonlijke omstandigheden, die een rol spelen bij het door [verzoeker] aangevoerde persoonlijke belang bij verwijdering van de BKR registratie (het kunnen krijgen van een eigen huis). In dat laatste kader heeft [verzoeker] bovendien als productie 23 verdere afwijzende reacties van verhuurmakelaars (van na juli 2020) overgelegd met betrekking tot de mogelijkheid van huren met een code A2 BKR registratie. Ten slotte is ook het tijdsverloop een relevante nieuwe omstandigheid ten opzichte van het eerdere verzoek. [verzoeker] heeft immers erop gewezen dat hij vanaf 2019 financieel stabiel is. Defam heeft in reactie daarop onder meer aangevoerd dat [verzoeker] een periode van twee jaar sinds de einddatum van het krediet te kort is om te beoordelen dat het problematische betalingsgedrag van [verzoeker] tot het verleden behoort. Daaruit volgt dat Defam ook het tijdsverloop tussen het indienen van het nieuwe verwijderingsverzoek (in februari 2021) en de aflossing van het krediet (in januari 2019), als relevante omstandigheid in haar belangenafweging heeft betrokken.

4.5.

Uit het bovenstaande volgt dat het betoog van Defam dat aan het verzoek van 15 februari 2021 geen betekenis toekomt omdat dit het een herhaald verzoek is, alleen al op inhoudelijke gronden niet kan slagen. Het verzoek van 15 februari 2021 is een nieuw verzoek op basis van artikel 21 AVG, naar aanleiding waarvan een nieuwe antwoord- en rechtsmiddelentermijn zijn gestart. [verzoeker] heeft tijdig – binnen zes weken – na ontvangst van het antwoord van Defam van 22 februari 2021 een verzoekschrift ingediend. Hij kan daarmee in zijn verzoeken worden ontvangen. Het ontvankelijkheidsverweer van Defam wordt dan ook verworpen.

inhoudelijke beoordeling van het verzoek

4.6.

Het verzoek van [verzoeker] moet worden beoordeeld op grond van de bepalingen van de AVG. Daarbij dient het volgende tot uitgangspunt. De BKR registratie houdt een verwerking van de persoonsgegevens van [verzoeker] in (artikel 4 lid 1 en 2 AVG). Defam is in dit kader verwerkingsverantwoordelijke (artikel 4 lid 7 AVG). In artikel 6 lid 1 AVG is bepaald dat verwerking van persoonsgegevens alleen is toegestaan indien ten minste aan één van de in dat artikel genoemde voorwaarden is voldaan. Een van die voorwaarden houdt in dat de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig is wanneer deze noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer – kort gezegd - de privacybelangen van de betrokkene zwaarder wegen dan die belangen (artikel 6 lid 1 onder f AVG). De rechtmatigheid van de BKR-registratie berust op deze grondslag (conclusie A-G Rank Berenschot 15 oktober 2021, ECLI:PHR:2021:831, 3.17). Op grond van artikel 21 lid 1 AVG heeft de betrokkene echter te allen tijde het recht om vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6, lid 1 onder f AVG, met inbegrip van profilering op basis van die bepalingen. De verwerkingsverantwoordelijke staakt de verwerking van de persoonsgegevens, tenzij hij dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene (eveneens artikel 21 lid 1 AVG). Als het bezwaar van de betrokkene op grond van artikel 21 lid 1 AVG slaagt, dan heeft de betrokkene het recht dat zijn persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging worden gewist (artikel 17 lid 1 sub c AVG).

4.7.

[verzoeker] doet een beroep op artikel 21 lid 1 AVG. Er zal dus een belangenafweging moeten plaatsvinden op basis van dit artikel, tussen enerzijds de belangen bij handhaving van de BKR registratie en anderzijds het belang van [verzoeker] bij verwijdering daarvan.

4.8.

Ten aanzien van het belang van Defam bij handhaving van de BKR registratie geldt het volgende. Uit de toelichting van Defam en de rechtspraak (onder meer Gerechtshof Den Haag 10 november 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2068) volgt dat de BKR registratie tot doel heeft maatschappelijk verantwoorde financiële dienstverlening te bevorderen. Kredietverleners moeten informatie inwinnen over de financiële positie van de consument, ter voorkoming van overkreditering. Het BKR verschaft kredietverstrekkers inzicht in de betaalhistorie van de consument. Het doel van de BKR registratie is dus tweeledig. Aan de ene kant beoogt dit eraan bij te dragen dat consumenten worden behoed voor overkreditering en andere financiële problemen (problematische schuldsituaties). Aan de andere kant beoogt de registratie ook een bijdrage te leveren aan het beperken van de financiële risico’s van kredietverleners bij het verlenen van kredieten en het voorkomen en bestrijden van misbruik en fraude. Deze doelstellingen volgen ook uit de bepalingen van het Algemeen reglement CKI (‘AR’), waaraan Defam als deelnemer aan het CKI contractueel tegenover het BKR is gebonden. Defam houdt in overeenstemming met het AR als uitgangspunt aan dat gegevens van afgelopen kredietovereenkomsten vijf jaar na de werkelijke einddatum van de overeenkomst uit het CKI worden verwijderd (zie ook artikel 14 lid 1 AR). Dit is volgens Defam een redelijke termijn, die voorkomt dat personen die in een problematische schuldsituatie hebben gezeten direct weer vervallen in oude gewoontes en onverantwoorde kredieten kunnen sluiten. Defam heeft daarnaast aangevoerd dat een voortijdige verwijdering van de registratie de kwaliteit en bruikbaarheid van het CKI voor kredietverstrekkers om inzicht te krijgen in de betaalhistorie van de consument kan schaden, omdat daardoor een onjuist beeld van de werkelijke situatie ontstaat.

4.9.

De rechtbank stelt voorop dat op zichzelf duidelijk is dat [verzoeker], gezien zijn huidige gezins- en woonsituatie, een groot belang heeft bij het verkrijgen van een eigen woonruimte, meer concreet een huurwoning. [verzoeker] heeft echter onvoldoende onderbouwd dat en zo ja, in hoeverre de BKR-registratie daaraan momenteel in de weg staat. [verzoeker] heeft verschillende afwijzingen van professionele verhuurmakelaars overgelegd, die desgevraagd aan hem hebben verklaard dat hij vanwege de BKR registratie, en dan met name de A2 codering, niet in aanmerking komt voor een huurcontract. Maar [verzoeker] heeft onvoldoende onderbouwd dat die codering eveneens een onoverkomelijke hindernis vormt bij (alle) particuliere verhuurders. Daar komt bij dat niet duidelijk is geworden of [verzoeker] momenteel ook zonder BKR registratie in aanmerking zou kunnen komen voor een (particuliere) huurwoning, aangezien – naar [verzoeker] ook zelf erkent – het aanbod op de vrije huurmarkt (waarvan [verzoeker] afhankelijk is) momenteel erg laag is, zeker in de lagere prijscategorie. De rechtbank merkt in dat verband op dat [verzoeker] onvoldoende concreet heeft gesteld – en ook niet heeft onderbouwd – welk bedrag hij en [A] momenteel samen beschikbaar hebben om een woning te huren. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling een maximaal besteedbaar bedrag aan huur van € 1.000 genoemd, terwijl [A] een bedrag van maximaal € 1.300 heeft genoemd. Geen van deze besteedbare bedragen is bovendien onderbouwd. Weliswaar heeft [verzoeker] stukken overgelegd waaruit de huidige inkomsten van hem en [A] blijken en heeft [verzoeker] ook onder verwijzing naar het BKR-overzicht gesteld dat zij geen andere schulden hebben, maar [verzoeker] heeft geen volledig, met stukken onderbouwd, inzicht gegeven in zijn huidige vermogenspositie (ook voor wat betreft kosten, vermogen en eventuele schulden aan derden, die – zoals Defam heeft aangevoerd – niet zichtbaar zijn in BKR). Defam heeft in dat verband erop gewezen dat het krediet in januari 2019 moet zijn afgelost met behulp van derden, omdat [verzoeker] daarvoor destijds niet genoeg inkomsten en vermogen had. [verzoeker] heeft in reactie op deze stelling geantwoord dat het bedrag is betaald door de jeugdvriendin ten behoeve van wie hij het krediet is aangegaan, en dat dit dus geen lening was. [verzoeker] heeft deze stelling echter niet met concrete stukken onderbouwd, zodat voor Defam en de rechtbank niet valt te toetsen of wat [verzoeker] over de afbetaling stelt, juist is.

4.10.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Defam terecht aangevoerd dat zonder een voldoende compleet en onderbouwd inzicht in de financiële positie van [verzoeker] evenmin goed kan worden beoordeeld of de financiële situatie van [verzoeker] duurzaam op orde is. Dat is wel van belang, aangezien uit de hiervoor onder vaststaande feiten (2.2 - 2.10) weergegeven betaalhistorie van [verzoeker] met betrekking tot het krediet bij Defam volgt dat in het verleden bij [verzoeker] sprake is geweest van een lange periode van problematisch betaalgedrag, waarbij [verzoeker] weliswaar – naar de rechtbank uit zijn verklaring ter zitting begrijpt – in goed vertrouwen, maar toch behoorlijk lichtvaardig een krediet voor een ander heeft afgesloten, waarop vervolgens herhaaldelijk betalingsachterstanden zijn ontstaan, terwijl [verzoeker] op momenten ook niet bereikbaar is geweest voor (de deurwaarder van) Defam en Defam uiteindelijk het volledige krediet bij de kantonrechter heeft moeten opeisen. Ook tijdens de laatste aflossingsregeling heeft [verzoeker] nog een aantal keer te laat een aflossingstermijn betaald. Weliswaar is [verzoeker] vanaf augustus 2018 zijn betalingsverplichtingen correct nagekomen en heeft hij vrij snel daarna, in januari 2019, het krediet volledig afgelost, maar de rechtbank vindt – gezien de hiervoor geschetste lange problematische betaalhistorie – de inmiddels verstreken periode van iets minder dan drie jaren tussen de aflossing en dit vonnis te kort om tot het oordeel te komen dat [verzoeker] al blijk heeft gegeven van een zodanig duurzaam stabiele financiële situatie, dat beëindiging van de BKR registratie gerechtvaardigd is. Daarbij weegt, als gezegd, ook mee dat [verzoeker] geen inzicht heeft gegeven in zijn volledige financiële situatie, zodat niet goed valt te toetsen of en zo ja, vanaf wanneer [verzoeker] volledig schuldenvrij is.

4.11.

De rechtbank is met Defam van oordeel dat, gelet op al het voorgaande, de gerechtvaardigde belangen van Defam bij handhaving van de BKR-registratie, zoals geschetst onder 4.8, zwaarder wegen dan de belangen van [verzoeker] bij verwijdering van de registratie. Het verwijderingsverzoek van [verzoeker] wordt daarom afgewezen.

4.12.

Wel merkt de rechtbank, ten overvloede, nog het volgende op. Zoals uit de hiervoor gegeven beoordeling volgt, zijn de feiten en omstandigheden die [verzoeker] voor nu in deze procedure heeft gepresenteerd onvoldoende om thans tot verwijdering van de BKR registratie over te gaan. De rechtbank heeft uit de verklaring van [verzoeker] en [A] ter zitting echter begrepen dat zich over ongeveer een jaar waarschijnlijk veranderingen in hun persoonlijke situatie zullen voordoen, ook financieel gezien, aangezien hun zoontje dan de schoolgaande leeftijd bereikt en zij mogelijk minder geld kwijt zijn aan kinderopvang, wat ook positieve gevolgen kan hebben voor hun besteedbare huurbudget en daarmee mogelijk ook hun financiële kansen op de vrije huurmarkt.

Defam heeft in reactie hierop ter zitting – terecht – verklaard dat zij nu niet op een situatie in de toekomst vooruit kan lopen en dat Defam bij een beoordeling of aanleiding bestaat de BKR registratie eerder dan vijf jaar te beëindigen, altijd alle omstandigheden van het geval, op dat moment, zal moeten betrekken. Defam heeft ook gesteld dat voor haar van belang is dat in deze zaak vanaf het begin sprake is geweest van een problematisch dossier en dat het 2,5 jaar heeft geduurd, voordat aan het vonnis van de kantonrechter was voldaan.

Dit één en ander neemt niet weg dat het naar het oordeel van de rechtbank in het licht van wat er zitting is besproken alleszins voorstelbaar is dat, als de reeds door [verzoeker] aangekondigde wijzigingen hem tegen die tijd zouden doen besluiten een nieuw verzoek op grond van artikel 21 AVG in te dienen, dit Defam aanleiding geeft om een nieuwe belangenafweging te maken, op basis van de omstandigheden dan. De rechtbank merkt wel op dat het in dat geval tegen de achtergrond van deze beschikking dan wel op de weg van [verzoeker] ligt om bij zijn verzoek ten minste met stukken inzichtelijk te maken dat aan zijn kant sprake is van een stabiele financiële situatie.

4.13.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [verzoeker] veroordeeld in de proceskosten, aan de kant van Defam begroot op € 1.793 (€ 667 aan griffierecht en € (2,0 punten x € 563) aan salaris advocaat).

4.14.

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (Hoge Raad 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116). De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten conform het liquidatietarief.

4.15.

De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de hierna in de beslissing genoemde datum.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de verzoeken af;

5.2.

veroordeelt [verzoeker] om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking de proceskosten aan Defam te betalen, aan de kant van Defam begroot op € 1.793 aan kosten tot op heden en op € 163 aan nakosten, te vermeerderen met € 85 bij betekening; bepaalt dat bij niet tijdige betaling de kosten worden vermeerderd met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf de vijftiende dag na betekening tot aan de dag van volledige voldoening;

5.3.

verklaart de bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2021.1

1type: 2431coll: