Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:13378

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-12-2021
Datum publicatie
21-12-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2088
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bob waarbij beëindiging ZW-uitkering is gehandhaafd vernietigd na inschakeling deskundige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/2088

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.G.A.M. van den Heuvel),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: C. Schravesande).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Ziektewet (ZW) vanaf 21 juli 2018 beëindigd.

Bij besluit van 14 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn nadien aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2019.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek in deze zaak ter zitting geschorst en bepaald dat

een psychiater als deskundige wordt benoemd om eiseres te onderzoeken en hiervan de rechtbank van verslag en advies te voorzien. De deskundige heeft op 17 februari 2020 een rapport uitgebracht.

Eiseres heeft hierop gereageerd.

In reactie op het rapport van de deskundige heeft verweerder een rapport van de verzekeringsarts b&b van 2 april 2020 ingebracht.

De deskundige heeft daarop bij brief van 29 mei 2020 gereageerd.

Partijen is verzocht om aan te geven of zij instemmen met het achterwege laten van een nadere zitting.

Eiseres heeft bij brief van 25 januari 2021 een schriftelijke reactie ingediend op de rapporten van de deskundige.

Verweerder heeft bij brief van 19 februari 2021 gereageerd.

Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven een nadere zitting achterwege te laten.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiseres heeft zich op 7 november 2013 ziek gemeld voor haar werkzaamheden als allround verkoopster gedurende 24,14 uur per week wegens rugklachten. Zij is op 11 juni 2014 geopereerd. Op 22 september 2014 heeft een beoordeling plaatsgevonden door een primaire verzekeringsarts. Deze verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat eiseres niet langer geschikt is voor haar eigen werk en benutbare mogelijkheden heeft. Ook heeft deze arts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Uit arbeidsdeskundig onderzoek is gebleken dat eiseres 3 voor haar geschikte functies zou kunnen verrichten op basis waarvan zij meer dan 65% van haar maatmanloon kan verdienen.

1.2

Eiseres heeft zich op 27 mei 2015 ziek gemeld met stressklachten en rug- en schouderklachten. Op 4 april 2016 heeft de primaire verzekeringsarts een nieuwe FML opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft op grond hiervan geconcludeerd dat eiseres geschikt kan worden geacht voor 2 van de eerder geduide functies. De ZW-uitkering van eiseres wordt per 1 juni 2016 beëindigd.

1.3

Eiseres heeft zich op 27 februari 2017 ziek gemeld met dezelfde lichamelijke klachten en toegenomen psychische klachten. Per 15 mei 2017 is eiseres weer een ZW-uitkering toegekend.

Op 7 mei 2018 heeft in het kader van een Eerstejaars Ziektewet Beoordeling een beoordeling door een primaire verzekeringsarts plaatsgevonden. Op 11 juni 2018 heeft een arbeidsdeskundige beoordeling plaatsgehad.

1.4

Bij het primaire besluit heeft verweerder de ZW-uitkering van eiseres vanaf 21 juli 2018 beëindigd, omdat zij op 26 februari 2018 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. In het bestreden besluit is overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) weliswaar heeft geconcludeerd dat er aanleiding is om de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid aan te passen en om aanvullende beperkingen op te nemen.

Daarnaast is overwogen dat de arbeidsdeskundige b&b op basis van de gewijzigde FML tot de conclusie is gekomen dat eiseres op 26 februari 2018 meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen. Daarom heeft eiseres vanaf 21 juli 2018 geen recht meer op een ZW-uitkering, aldus verweerder.

Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat eiseres geschikt moet worden geacht om tenminste één van de in 2014 geduide functies te verrichten.

3. Eiseres voert aan dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen door de verzekeringsartsen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een rapport van een medisch belastbaarheidsonderzoek van A-REA van 23 januari 2019 in het geding gebracht, bestaande uit een rapport van verzekeringsarts W.J.J.M. Hundscheid van 23 januari 2019 en een advies van psycholoog drs. S. van Binnendijk van 16 januari 2019.

4.1

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomst het bij of krachtens deze wet bepaalde.

4.2

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 juni 2017, (ECLI:NL:CRVB:2017:2226).

5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder zijn besluiten omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.

6. In het rapport van de verzekeringsarts b&b van 25 januari 2019 is vermeld dat er aanleiding is om de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid aan te passen en om aanvullende beperkingen op te nemen gezien de belaste voorgeschiedenis met betrekking tot de rug en pijnklachten door een hielspoor. Vanwege de medicatie heeft deze verzekeringsarts ook een beperking aangegeven voor gevaar opleverende omstandigheden. Deze arts heeft daarom een nieuwe FML opgesteld. Op basis van zijn bevindingen is de verzekeringsarts b&b verder tot de conclusie gekomen dat de primaire verzekeringsarts met betrekking tot de psyche ruime beperkingen heeft aangenomen in de rubrieken 1 en 2. Voor verdergaande beperkingen ontbreken nieuwe medische feiten. De informatie van de behandelaar bevestigt volgens deze arts dat er geen sprake is van een ernstig psychiatrisch beeld, hetgeen conform de bevindingen bij eigen onderzoek is. Evenmin voldoet eiseres aan de criteria voor het stellen van een urenbeperking, aldus de verzekeringsarts b&b.

De verzekeringsarts b&b ziet blijkens zijn rapporten van 30 oktober 2019 en 1 november 2019 in de in beroep door eiseres overgelegde rapporten geen reden om zijn standpunt te wijzigen. Het rapport van 23 januari 2019 bevat volgens de verzekeringsarts b&b geen nieuwe medische gegevens, de beoordeling in dat rapport is verricht ten behoeve van een ander doel en eiseres voldoet niet aan de criteria voor volledige arbeidsongeschiktheid.

7.1

De door de rechtbank benoemde deskundige dr. F. van der Wurff, psychiater, heeft het dossier bestudeerd en eiseres op 31 januari 2020 en 5 februari 2020 onderzocht. De deskundige heeft in zijn rapport van 17 februari 2020 geconcludeerd dat er vanuit psychiatrsch oogpunt geredeneerd meer beperkingen gelden dan de verzekeringsarts b&b in zijn rapport van 25 januari 2019 heeft vastgesteld. De deskundige heeft aangegeven dat de verzekeringsarts b&b de beperkingen van eiseres heeft onderschat op de aspecten (1) het vasthouden van de aandacht, (2) het zelfstandig en doelmatig handelen en (3) het handelingstempo. Daarnaast heeft de deskundige geconcludeerd dat in de oorspronkelijke inschatting van de urenbelasting niet voldoende rekening is gehouden met deze beperkingen, zodat het aannemelijk is dat er sprake is van een (aanzienlijkere) urenbeperking.

7.2

De verzekeringsarts b&b heeft in zijn rapport van 2 april 2020 aangegeven dat er volgens de deskundige sprake is van een matig ernstig psychiatrisch ziektebeeld, maar dat uit de geopperde beperkingen voor de FML sprake lijkt te zijn van zeer forse ernstige psychiatrie. De conclusie en de aangegeven beperkingen komen derhalve niet met elkaar overeen, aldus de verzekeringsarts b&b.

7.3

De deskundige heeft in zijn brief van 29 mei 2020 als reactie gegeven dat de ernst van beperkingen of de last die iemand ervaart niet afhangt van de aan- of afwezigheid van een diagnostische classificatie, zoals door de verzekeringsarts b&b genoemd. De ernst van een stoornis en vooral ook de mate waarin beperkingen en verminderd functioneren ontstaan wordt door de ernst van klachten en de duur ervan bepaald, waarvan dus juist ook de lange duur van klachten impact heeft op het functioneren. Daarnaast heeft de deskundige onder verwijzing naar de medisch objectiveerbare gegevens in zijn rapport van 17 februari 2020 aangegeven dat hij uitvoerig uiteen heeft gezet hoe de stoornissen tot beperkingen leiden, ook op het gebied van aandacht en concentratie.

8.1

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de CRvB het oordeel van de door de rechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige dient te worden gevolgd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven van dat oordeel af te wijken, zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 3 november 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3822). Het is immers bij uitstek de taak van de deskundige om bij verschil van inzicht tussen partijen over de medische beperkingen een beslissend advies te geven.

8.2

De rechtbank ziet aanleiding om de conclusies van de door haar geraadpleegde deskundige te volgen. Van een situatie waarin een deskundige zijn conclusies onvoldoende onderbouwt, zoals verweerder betoogt in zijn brief van 19 februari 2021, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank acht het psychiatrisch rapport van de deskundige van 17 februari 2020 zorgvuldig en uitvoerig gemotiveerd. Zo heeft de deskundige eiseres tweemaal gezien op het spreekuur, heeft hij een uitgebreid psychiatrisch onderzoek uitgevoerd en informatie ingewonnen van de behandelend sector, op basis waarvan hij tot een DSM-IV classificatie is gekomen. Verder heeft de deskundige in zijn rapport de overige klachten van eiseres beschreven en de medicatie die zij gebruikt. Vervolgens heeft de deskundige aan de hand van een beschouwing de door de rechtbank gestelde vragen beantwoord.

Van belang is tevens dat de deskundige ook na kennisneming van de zienswijze van de verzekeringsarts b&b zijn standpunt heeft gehandhaafd.

9.1

Uit wat hiervoor is overwogen vloeit voort dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op een juiste medische grondslag. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

9.2

De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de gebreken die thans aan het bestreden besluit kleven, in de beroepsfase niet kunnen worden hersteld. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent dat verweerder de FML dient aan te passen overeenkomstig de conclusie van de deskundige. Daarnaast zal verweerder aandacht moeten besteden aan de vaststelling van de urenomvang.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een deskundigenrapport, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Toegekend wordt € 1.870,-.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 1.870,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van drs.

A.C.P. Witsiers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.