Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:1306

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-02-2021
Datum publicatie
22-02-2021
Zaaknummer
C-09-604033-KG ZA 20-1191
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De vordering van eiseres, een beroepsvisser in het Benedenrivierengebied, om hersteld te worden in een door haar gesteld historisch recht om met de zegen te vissen op schubvis, met inbegrip van snoek en baars, wordt afgewezen. Het door de Staat en de sportvisserij betwiste bestaan van het gestelde historisch recht en de gestelde tijdelijkheid van de voor beroepsvissers geldende terugzetplicht voor wat betreft snoek en baars, kunnen in het beperkte bestek van de kortgedingprocedure niet worden aangenomen. Hiervoor is nader feitenonderzoek en mogelijk ook bewijslevering nodig waarvoor eerst in een bodemprocedure plaats is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/604033 / KG ZA 20-1191

Vonnis in kort geding van 22 februari 2021

in de zaak van

[eiseres] te [plaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.H. Hermsen te Zutphen,

tegen:

1. de Staat der Nederlanden (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)

te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.G. Nielen te Den Haag,

2 de vereniging Sportvisserij Zuidwest-Nederlandte Breda,

gedaagde,

in persoon verschenen,

gemachtigde mr. R.R. Bil, [postbusnummer] .

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’, ‘de Staat’ en ‘SZWN’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 17 december 2020, met producties;

- de brieven van mr. Hermsen van 25 januari en 28 januari 2021, met producties;

- de conclusie van antwoord van de Staat, met producties;

- de schriftelijke reactie op de dagvaarding van SZWN van 27 januari 2021, met producties;

- de op 1 februari 2021 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiseres] exploiteert een visserijbedrijf. In het kader van de uitoefening van haar bedrijf bevist [eiseres] zowel zee- en kustwateren als Nederlandse binnenwateren op vis en/of schaal – en weekdieren.

2.2.

SZWN is een overkoepelende organisatie van hengelsportverenigingen in de regio Zuidwest-Nederland. SZWN houdt zich bezig met het ontwikkelen, stimuleren en bevorderen van de hengelsport. SZWN huurt van diverse partijen, waaronder de Staat, visrechten.

2.3.

In deze procedure staat centraal het recht om te vissen op schubvis in een aantal binnenwateren van het zogenaamde Benedenrivierengebied. Het betreft de Nieuwe Merwede (staatvisserijperceel I), delen van het Hollands Diep (staatsvisserijperceel II) en een gedeelte van de rivier de Amer (staatsvisserijperceel III). De Staat is eigenaar van deze binnenwateren.

2.3.1.

De Staat verhuurde tot 1 januari 1993 aan SZWN (en voorheen aan haar rechtsvoorgangster federatie de Maas) het recht om op schubvis te vissen met maximaal twee hengels in voormelde wateren van het Benedenrivierengebied. Dit recht is met ingang van 1 januari 1993 gewijzigd, in die zin dat vanaf die datum aan SZWN via huurovereenkomsten met een looptijd van zes jaar het recht wordt verhuurd om in de desbetreffende wateren van het Benedenrivierengebied te vissen op schubvis. In de tussen de Staat en SZWN voor de periode van 1 januari 1993 tot en met 31 december 1998 gesloten huurovereenkomst valt te lezen dat:

“het beleid voor wat betreft de verhuur van visrechten in staatsbinnenwateren er op is gericht, de visrechten gesplitst te verhuren, waarbij t.a.v. het schubvis-visrecht prioriteit wordt gegeven aan sportvisserijorganisaties, met inachtneming van de belangen van de beroepsbinnenvisserij”

2.3.2.

In de vanaf 1993 door de Staat met SZWN gesloten huurovereenkomsten, waaronder de huidige huurovereenkomst voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2021, is als bijzondere voorwaarde opgenomen dat SZWN dient toe te staan dat de Staat een schriftelijke toestemming als bedoeld in artikel 21, tweede lid onder a, Visserijwet uitgeeft aan drie beroepsvissers ten behoeve van de visserij met de zegen op schubvis. In de vanaf 1998 gesloten huurovereenkomsten is opgenomen dat deze beroepsvissers meegevangen snoek en baars direct in hetzelfde water dienen terug te zetten (hierna: ‘de terugzetplicht’).

2.3.3.

[eiseres] is één van de drie beroepsvissers die op basis van een schriftelijke toestemming van de Staat beroepsmatig in voormelde wateren van het Benedenrivierengebied met de zegen op schubvis vist. De aan de beroepsvissers verleende toestemmingen hebben een looptijd van twee jaar. Vanaf 1982 is in deze toestemmingen de terugzetplicht opgenomen. In de vier gedurende de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2017 aan de drie beroepsvissers verleende toestemmingen is de terugzetplicht niet opgenomen. In de voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019 aan [eiseres] verleende toestemmingen is de terugzetplicht wel opgenomen. In de brief van de Staat aan [eiseres] van 26 september 2017 over de verlenging van de destijds geldende toestemming heeft de Staat hierover het volgende bericht:

“Aan de schriftelijke toestemming is de voorwaarde opgenomen dat toestemminghouder verplicht is meegevangen snoek/baars direct terug te zetten in hetzelfde water (…) Deze voorwaarde is nadrukkelijk geen uitwerking van een doelmatige bevissing van betreffend water. Het betreft navolging van een voorwaarde bij de aanvullende bijzondere voorwaarden van huurovereenkomst 60707 van Sportvisserij Zuidwest Nederland, waarin uitgifte van deze schriftelijke toestemming is geregeld. Bij omissie was deze voorwaarde uit voorgaande schriftelijke toestemming verdwenen.”

2.4.

De advocaat van [eiseres] heeft SZWN bij brief van 12 maart 2020 verzocht haar medewerking te verlenen aan het herstel van een volgens [eiseres] van oudsher aan haar toekomend recht om met de zegen te vissen op schubvis, met inbegrip op snoek en baars.

2.5.

SZWN heeft bij e-mail van 17 maart 2020 aan de advocaat van [eiseres] bericht dat zij vooralsnog geen gehoor zal geven aan het verzoek van 12 maart 2020. Daarbij heeft SZWN te kennen gegeven dat zij eerst de uitkomsten van een lopend onderzoek naar de visstanden in het Benedenrivierengebied wil afwachten.

2.6.

Bij e-mail van 1 augustus 2020 heeft de advocaat van [eiseres] SZWN verzocht op korte termijn met haar in overleg te treden over het herstel van haar in 2.4 bedoelde recht.

2.7.

Bij brief van 15 oktober 2020 heeft de advocaat van [eiseres] de Staat verzocht te berichten of hij bereid is vóór 1 mei 2021 een gewijzigde huurovereenkomst, dat wil zeggen zonder terugzetplicht voor de beroepsvissers voor wat betreft meegevangen snoek en baars, aan SZWN voor te leggen.

2.8.

De Staat heeft bij brief van 3 november 2020 aan de advocaat van [eiseres] bericht dat het bij brief van 15 oktober 2020 gedane verzoek zal worden meegenomen in de procedure tot verlenging van de huurovereenkomsten voor de binnenwateren en dat een overleg met SZWN zal worden belegd waarin dit verzoek zal worden besproken. Tevens heeft de Staat [eiseres] verzocht nadere documentatie over te leggen waaruit blijkt van de bestaande historische afspraken over de terugzetplicht.

2.9.

De advocaat van [eiseres] heeft de Staat bij brief van 15 december 2020 bericht dat de brief van 3 november 2020 aanleiding geeft om tot dagvaarden over te gaan. Naar aanleiding van het verzoek van de Staat om nadere documentatie heeft de advocaat van [eiseres] de Staat als volgt bericht:

“Zoals bij uw ministerie bekend is bestaat zodanige documentatie niet omdat de desbetreffende “afspraak” nooit op schrift is gesteld maar indertijd op basis van wederzijds vertrouwen met elkaar is gemaakt. Niettemin leg ik bij deze vertrouwelijk twee getuigenverklaringen (…) over van de andere betrokken zegenvisserijbedrijven waaruit blijkt dat sprake is geweest van een tijdelijke regeling die verband hield met de toenmalige stand van snoek en baars. Dat tijdelijke karakter is in 2016 ook in rechte bevestigd namens uw ministerie in de door SZWN geëntameerde bestuursrechtelijke procedure over de door de Staat uitgegeven zegentoestemmingen 2016-2017. Blijkens proces-verbaal van de rechtbank te Breda (…) van 20 december 2016 is ter zitting van genoemde datum namens de Staat over betreffende regeling verklaard (citaat): “Voor de visstand van snoek en baars is een terugzetverplichting niet nodig, dat is een oude maatregel die destijds nodig was, maar nu niet meer”.”

2.10.

De Staat heeft de advocaat van [eiseres] bij brief van 26 januari 2021 onder als volgt bericht:

“Het betreffende schubvis-visrecht is met de huurovereenkomst tussen de Staat en SZWN verhuurd aan huurder. De bepaling waar uw verzoek betrekking op heeft, is in de huurovereenkomst opgenomen om voor de huurder te borgen dat geen uitgifte van zegentoestemmingen plaatsvindt zonder dat sprake is van een terugzetbepaling voor snoek en baars. Het toestaan van het behouden van de snoek en baars door de zegenvisserijbedrijven grijpt immers direct in op dit verhuurde visrecht en beperkt dit huurrecht voor de beide genoemde soorten.

De Staat is niet voornemens de door uw cliënt gewenste uitbreiding van op de zegentoestemming te behouden vissoorten vorm te geven, waar dit een gelijktijdige inperking van het gehuurde visrecht betreft. Om deze reden is in de brieven van de DG aangegeven dat wijzigingen van de voorwaarden alleen kan plaatsvinden indien het visserijbedrijf hierover met de huurder tot afspraken komt.

Om die reden heb ik u in mijn recente brief aangegeven dat u ook zelf contact kunt opnemen met de huurder. U geeft aan dat het eigen gesprek met de huurder niet tot de gewenste situatie heeft geleid, huurder acht het gewenste medegebruik van zijn visrecht niet wenselijk.

De door u in uw stukken ingebrachte stellingname dat het hierbij zou gaan om het herstel van een oude afspraak, waarbij destijds in 1981 de bepalingen tijdelijk uit de overeenkomsten zouden zijn verwijderd onder de conditie dat dit zou worden aangepast zodra de bestanden van genoemde soorten dat zouden toelaten, is ons niet bekend en blijkt ook niet uit de hiervoor door u overgelegde stukken. Anders dan dat uw cliënt (en de overige betrokken beroepsvissers in het gebied) zich dit zeggen te herinneren.”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. de Staat te veroordelen [eiseres] binnen één week na de betekening van dit vonnis schriftelijk toestemming te verlenen om in de in de verleende toestemming genoemde delen van het Benedenrivierengebied met de zegen te vissen op schubvis, met inbegrip van snoek en baars;

II. SZWN te veroordelen te gehengen en te gedogen dat de Staat [eiseres] het voorgaande aan [eiseres] toestaat;

een en ander onder de voorwaarde dat, voor zover de Staat niet toezegt vóór 1 mei 2021 op eigen initiatief de door [eiseres] verlangde wijziging van de huurovereenkomst en de toestemming te bewerkstelligen, [eiseres] binnen vier weken na de betekening van dit vonnis een bodemprocedure aanhangig maakt, waarin zij aanpassing van de met ingang van 1 januari 2022 met SZWN te sluiten huurovereenkomst en de per die datum aan [eiseres] te verlenen toestemming zal vorderen, in die zin dat de terugzetplicht hierin komt te vervallen;

subsidiair:

III. in goede justitie een voorziening te treffen die ertoe strekt dat [eiseres] het haar toekomende recht kan uitoefenen om in de desbetreffende delen van het Benedenrivierengebied met de zegen te vissen op schubvis, met inbegrip van snoek en baars;

zowel primair als subsidiair:

IV. de Staat en SZWN hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de nakosten.

3.2.

Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. [eiseres] stelt dat zij in 1981 onder druk van een ambtenaar van het toenmalige Ministerie van Landbouw en Visserij tegemoet is gekomen aan de wens van (de rechtsvoorgangster van) SZWN om in verband met de toenmalige slechte stand van de snoek en de baars in het Benedenrivierengebied tijdelijk geen gebruik te maken van het van oudsher aan haar toekomende recht om in die wateren beroepsmatig op schubvis, met inbegrip van snoek en baars, te vissen. Dat sprake was van een tijdelijke regeling wordt volgens [eiseres] onderschreven door het feit dat in het kader van die regeling ten behoeve van haar niet is voorzien in een uitkoopsom of andere vorm van compensatie voor het prijsgeven van haar recht. Inmiddels is volgens [eiseres] mede als gevolg van het jarenlang op eigen kosten door haar uitzetten van jonge snoek en baars, de stand van de snoek en de baars reeds lange tijd dusdanig is verbeterd dat er geen reden meer is om de terugzetplicht te handhaven. Daarbij wijst [eiseres] erop dat de Staat de terugzetplicht in de vanaf 2010 tot en met 2017 aan haar verleende toestemmingen niet meer heeft opgenomen en voorts dat de Staat zowel in als buiten rechte kenbaar heeft gemaakt dat er geen visserijkundige reden meer is om de terugzetplicht te handhaven. De terugzetplicht is volgens [eiseres] vanaf 2018 uitsluitend op aandringen van SZWN heringevoerd. [eiseres] stelt een financieel belang te hebben bij herstel van haar recht om beroepsmatig te vissen op schubvis, met inbegrip van snoek en baars. De Staat is uitsluitend bereid de terugzetplicht ongedaan te maken als SZWN daarmee instemt. SZWN weigert echter haar medewerking hieraan te verlenen en wil eerst de uitkomsten van een nog lopend onderzoek naar de visstanden in het Benedenrivierengebied afwachten. Volgens [eiseres] handelt de Staat jegens haar onrechtmatig. In de eerste plaats maakt de Staat volgens [eiseres] inbreuk op het van oudsher aan haar toekomende recht om in de desbetreffende binnenwateren met de zegen te vissen op schubvis, met inbegrip van snoek en baars. Daarnaast handelt de Staat volgens [eiseres] in strijd met de op hem rustende rechtsplicht door haar het vissen met de zegen op snoek en baars in die wateren niet toe te staan. Voorts handelt de Staat naar de mening van [eiseres] hiermee zowel in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt als met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarbij wijst [eiseres] erop dat op de Staat als eigenaar van de viswateren en uitgever van de visrechten de verplichting rust ervoor zorg te dragen dat de schaarse visrechten evenredig en rechtvaardig worden verdeeld. Voorts stelt [eiseres] dat vanwege de verbeterde visstand sprake is van gewijzigde omstandigheden, die maken dat de Staat op grond van artikel 6:258 BW een aanpassing van de huurovereenkomst met SZWN kan bewerkstelligen, in die zin dat de terugzetplicht voor de beroepsvissers niet langer wordt gehandhaafd. SZWN maakt naar de mening van [eiseres] door haar medewerking aan het herstel van het schubvisrecht van [eiseres] te onthouden misbruik van haar positie als medegebruiker van dit schubvisrecht. Daarnaast handelt SZWN volgens [eiseres] in strijd met de jegens haar in acht te nemen maatschappelijke zorgvuldigheid.

3.3.

De Staat heeft volgens [eiseres] op grond van artikel 33, eerste lid, Visserijwet de mogelijkheid om vóór 1 mei 2021 een gewijzigde huurovereenkomst aan SZWN voor te leggen zonder terugzetplicht voor de beroepsvisserij. Indien de Staat van die mogelijkheid geen gebruik maakt, zal de bestaande huurovereenkomst met SZWN, met inbegrip van de terugzetplicht, voor een periode van zes jaar worden verlengd. Onduidelijk is of de Staat vrijwillig van die mogelijkheid gebruik zal maken. [eiseres] stelt een spoedeisend belang te hebben bij haar vordering om weer tot de visserij op schubvis, met in begrip van snoek en baars, te worden toegelaten en bij haar vordering jegens SZWN om dit te gedogen, zulks in afwachting van het onherroepelijk worden van een door de Staat te initiëren wijziging van de huurovereenkomst met SZWN dan wel in afwachting van de uitkomst van een door [eiseres] te starten bodemprocedure tot aanpassing van de huurovereenkomst en de zegentoestemming. [eiseres] stelt dat zij aanvankelijk met ingang van 1 januari 2010 in haar schubvisrecht is hersteld. Na herinvoering van de terugzetplicht per 1 januari 2018 stelt [eiseres] te hebben getracht in goed overleg met de Staat en SZWN tot een oplossing te komen, hetgeen lang heeft geduurd en niet tot het door [eiseres] gewenste resultaat heeft geleid. Nu de datum van 1 mei 2021 in zicht komt, stelt [eiseres] dat zij genoodzaakt is tot het voeren van deze kortgedingprocedure.

3.4.

De Staat en SZWN voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De Staat en SZWN hebben zich in de eerste plaats verweerd met de stelling dat [eiseres] geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Daarbij wijzen de Staat en SZWN er – kort gezegd – op dat de terugzetplicht reeds vanaf 1982 in de aan [eiseres] verleende toestemmingen (aanvankelijk: vergunningen) was opgenomen. [eiseres] had volgens de Staat en SZWN dus al vanaf 1982, maar in ieder geval vanaf het moment van herinvoering van die plicht in de vanaf 1 januari 2018 verleende toestemmingen, in rechte tegen de terugzetplicht kunnen opkomen. Voor zover [eiseres] het spoedeisend belang ontleent aan de per 1 januari 2022 met SZWN te sluiten nieuwe huurovereenkomst en aan de daarbij geldende datum van 1 mei 2021 voor het door de Staat aan SZWN voorleggen van een gewijzigde overeenkomst, is dat belang er volgens de Staat en SZWN alleen omdat [eiseres] zelf lang met juridische actie heeft gewacht.

4.2.

De voorzieningenrechter passeert dit verweer. Hoewel juist is dat de terugzetplicht al in 1982 voor [eiseres] is gaan gelden, staat niet ter discussie dat de Staat deze terugzetplicht niet in de gedurende de periode van 2010 tot en met 2017 aan [eiseres] verleende toestemmingen heeft opgenomen. Dat deze omstandigheid (volgens de Staat en SZWN gaat hier om een in 2018 herstelde omissie) [eiseres] destijds heeft gesterkt in haar stelling dat de terugzetplicht een tijdelijk karakter had en dat zij om die reden vóór 2018 de terugzetplicht niet in rechte ter discussie heeft gesteld, is niet onbegrijpelijk. Hieraan kan dan ook niet de gevolgtrekking worden verbonden dat het [eiseres] in deze procedure aan spoedeisend belang ontbreekt. De Staat en SZWN hebben er daarnaast met juistheid op gewezen dat de terugzetplicht met ingang van 2018 weer in de aan [eiseres] verleende toestemmingen is opgenomen. Uit de overgelegde correspondentie volgt dat [eiseres] vanaf 2018 via minnelijk overleg met zowel de Staat als SZWN heeft getracht om tot opheffing van de terugzetplicht te komen. Dat [eiseres] eerst een minnelijk traject heeft bewandeld alvorens tot dagvaarden over te gaan, kan haar niet worden tegengeworpen en staat derhalve evenmin aan het aannemen van een spoedeisend belang in de weg. Nu niet ter discussie staat dat [eiseres] een financieel belang heeft bij opheffing van de terugzetplicht (opheffing betekent immers dat zij de door haar gevangen snoek en baars kan verkopen) en verlenging van de met SZWN gesloten huurovereenkomst op korte termijn aan de orde is, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij de door [eiseres] verlangde voorlopige voorziening in voldoende mate gegeven.

4.3.

Vervolgens is de vraag of de vorderingen van [eiseres] in dit kort geding toewijsbaar zijn. Nu de Staat kenbaar heeft gemaakt dat hij niet uit eigen beweging een voorstel voor een gewijzigde huurovereenkomst aan SZWN zal voorleggen, is de vraag of een voorziening moet worden getroffen voor de duur van de door [eiseres] aanhangig te maken bodemprocedure, waarin [eiseres] de rechtsgeldigheid van de in de met SZWN gesloten huurovereenkomst en de aan haar verleende toestemming opgenomen terugzetplicht ter discussie zal stellen. [eiseres] vordert dat het haar hangende die bodemprocedure wordt toegestaan om met de zegen mede op snoek en baars te vissen en – naar de voorzieningenrechter begrijpt – deze door haar te vangen vissoorten te behouden. Een dergelijke voorziening is in kort geding slechts toewijsbaar indien voorshands voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de Staat de terugzetplicht niet langer mag handhaven.

4.4.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan de vordering van [eiseres] de toets aan die maatstaf niet doorstaan. Het betoog van [eiseres] komt er in deze procedure in de kern op neer dat haar van oudsher het recht toekomt om in het Benedenrivierengebied met de zegen te vissen op schubvis, met inbegrip van snoek en baars, en dat dit recht ook thans nog onverminderd van kracht is. [eiseres] stelt in 1981 (onder dwang) te hebben ingestemd met een tijdelijke terugzetplicht voor snoek en baars voor de duur van het herstel van de snoek- en baarsstand in de desbetreffende delen van het Benedenrivierengebied. De Staat en SZWN hebben zowel het bestaan van het door [eiseres] gestelde recht als het tijdelijke karakter van de terugzetplicht gemotiveerd weersproken.

4.4.1.

De Staat en SZWN hebben beide betoogd dat de terugzetplicht onderdeel uitmaakt van het inmiddels ruim veertig jaar bestaande uitgiftebeleid van visrechten voor de Staatsbinnenwateren. Volgens de Staat en SZWN voorziet dit bestendige beleid in een splitsing van visrechten, waarbij het aalvisrecht is toebedeeld aan de beroepsvisserij en het schubvisrecht aan de sportvisserij. Het is volgens de Staat en SZWN deze splitsing van visrechten en niet de vermeende slechte stand van snoek en baars, die destijds tot het opleggen van de terugzetplicht aan de beroepsvissers heeft geleid. Deze splitsing is volgens de Staat en SZWN consequent doorgevoerd in de sinds 1982 aan de beroepsvissers verleende toestemmingen (aanvankelijk: vergunningen) en de met SZWN (en haar rechtsvoorgangster) gesloten huurovereenkomsten. [eiseres] heeft ter zitting betoogd dat het door de Staat en SZWN aangehaalde splitsingsbeleid vanwege de daarmee gepaard gaande rechtsongelijkheid tussen beroeps- en sportvissers voor wat betreft het Benedenrivierengebied niet is uitgevoerd. De voorzieningenrechter volgt [eiseres] in dat betoog niet. De Staat en SZWN hebben er immers met juistheid op gewezen dat het [eiseres] sinds de jaren tachtig naast het vissen op aalvis tevens is toegestaan om in het Benedenrivierengebied met de zegen te vissen op pootvis, waarbij meegevangen snoekbaars mocht worden behouden en snoek en baars dienden te worden teruggezet. Hieruit volgt voorshands dat het uitgiftebeleid ook voor wat betreft het Benedenrivierengebied is uitgevoerd. [eiseres] stelt zich kennelijk op het standpunt dat a) haar recht om als beroepsvisser mede te mogen vissen op snoek en baars dateert van vóór de totstandkoming van het hiervoor geschetste bestendige uitgiftebeleid van visrechten en b) dit beleid, meer in het bijzonder de terugzetplicht, de gelding van haar recht ongemoeid heeft gelaten. [eiseres] heeft in deze procedure bevestigd dat het recht waarop zij zich beroept nooit schriftelijk is vastgelegd. Ter onderbouwing van het bestaan van dit recht heeft [eiseres] verwezen naar verklaringen van de overige twee beroepsvissers die het bestaan van dit recht bevestigen. Op basis van uitsluitend deze verklaringen kan in het licht van het hiervoor geschetste bestendige uitgiftebeleid van visrechten het bestaan van het door [eiseres] gestelde recht niet worden aangenomen. Het bestaan van dit recht kan evenmin worden afgeleid uit het feit dat de Staat de terugzetplicht gedurende de periode 2010-2017 niet in de aan [eiseres] verleende toestemmingen heeft opgenomen. Zoals de Staat en SZWN terecht hebben opgemerkt, was de terugzetplicht gedurende die periode wel opgenomen in de met SZWN gesloten huurovereenkomsten. Daarmee valt voorshands niet uit te sluiten dat het weglaten van de terugzetplicht in de aan [eiseres] verleende toestemmingen een omissie betrof. Uit het citaat uit het proces-verbaal van de rechtbank te Breda van 20 december 2016 (weergegeven onder 2.9) kan, als dit citaat al juist is, hetgeen de Staat betwist, evenmin worden afgeleid dat de terugzetplicht een tijdelijke maatregel betrof. Een en ander brengt met zich dat eerst na nader feitenonderzoek en mogelijk ook bewijslevering kan worden vastgesteld of aan [eiseres] van oudsher het door haar gestelde recht toekomt en in het verlengde daarvan hoe dit vermeende recht (als het bestaan daarvan door de bodemrechter wordt aangenomen) zich verhoudt tot het door de Staat gevoerde bestendige uitgiftebeleid van visrechten. In het beperkte bestek van de kortgedingprocedure is voor nader feitenonderzoek en bewijslevering geen plaats. Hiervoor zal [eiseres] een bodemprocedure aanhangig moeten maken. Voor zover [eiseres] in deze procedure de rechtmatigheid van het uitgiftebeleid ter discussie wenst te stellen omdat dit beleid volgens hem niet tot eerlijke en evenredige verdeling van visrechten leidt, geldt dat die vordering naar zijn aard het bestek van deze kortgedingprocedure te buiten gaat en ook die vordering eerst in een bodemprocedure door [eiseres] ter beoordeling kan worden voorgelegd.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eiseres] jegens de Staat in deze kortgedingprocedure niet toewijsbaar is. Dit heeft tot gevolg dat de vordering jegens SZWN eveneens dient te worden afgewezen. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van zowel de Staat als SZWN.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van zowel de Staat als SZWN telkens begroot op € 1.672,--, waarvan € 1.016,-- aan salaris advocaat respectievelijk gemachtigde en € 656,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2021.

mw