Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:12808

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
06-12-2021
Zaaknummer
AWB 20/4473
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

mvv voor het doel gezinsleven conform artikel 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/4473

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , geboren op [1946] , van Syrische nationaliteit, eiseres

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van
[referent] (referent) voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van artikel 8 van het EVRM1 ten behoeve van eiseres, afgewezen.

Bij besluit van 6 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft via Skype plaatsgevonden op 1 december 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Namens eiseres is ook referent verschenen, bijgestaan door de tolk Z. Hamawandi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is 73 jaar en referent is haar jongste (derde) zoon. Referent is op 15 januari 2018 uit Syrië gevlucht en heeft in Nederland een asielvergunning gekregen. Referent heeft in september 2018 voor zijn echtgenote en vier minderjarige kinderen een aanvraag voor een mvv-nareis ingediend. Zij verblijven inmiddels bij referent in Nederland.

1.1

Eiseres woonde in Syrië eerst bij haar oudste zoon, [A] . Omdat hij werd opgepakt, is eiseres bij referent en zijn gezin gaan wonen. Eiseres woonde ongeveer twee jaar bij referent en zijn gezin voordat referent naar Nederland vertrok. Inmiddels heeft de tweede zoon van eiseres, [B] , ook een verblijfsvergunning in Nederland gekregen. Eiseres heeft nog een dochter die in Syrië woont.

2. Referent heeft op 7 september 2018 ten behoeve van eiseres een aanvraag voor een mvv voor het doel ‘gezinsleven conform artikel 8 EVRM’ ingediend.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en deze afwijzing in bezwaar gehandhaafd omdat niet is gebleken dat tussen eiseres en referent een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. Verweerder overweegt daartoe dat niet is gebleken dat eiseres voor haar medische en financiële situatie exclusief van referent afhankelijk is. Dit betekent dat referent en eiseres – ondanks de scheiding als gevolg van de vlucht van referent naar Nederland – in staat zijn om zelfstandig te kunnen functioneren. Verder neemt verweerder aan dat tussen eiseres en haar kleinkinderen sprake is van gezinsleven. Na een afweging van de belangen van eiseres en haar kleinkinderen aan de ene kant en het Nederlands algemeen belang aan de andere kant, concludeert verweerder dat afwijzing van de aanvraag van eiseres niet leidt tot een schending van het bepaalde in artikel 8 van het EVRM.

Is sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent?

4. Eiseres voert in beroep aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat er tussen haar en referent een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. Vóór het vertrek van referent woonde eiseres met hem en zijn gezin samen. Eiseres is hulpbehoevend en heeft medische zorg nodig. Zij is hiervoor financieel afhankelijk van referent en zijn broer, maar zij hebben niet langer de middelen om haar te ondersteunen. Verweerder mag bovendien niet aan haar tegenwerpen dat financiële steun ook op afstand kan worden verleend. Zij verwijst hiervoor naar het arrest van het EHRM van 9 april 2019 inzake I.M. tegen Zwitserland.2 Zij heeft ook hulp nodig om feitelijk toegang te hebben tot de zorg die zij nodig heeft. Zij is hiervoor afhankelijk van mantelzorg van referent. Haar dochter en schoonzoon in Syrië kunnen deze hulp niet bieden en hulp van (professionele) derden is niet beschikbaar of te duur. Volgens eiseres moet verweerder aannemelijk maken waarom hij twijfelt aan de door haar gestelde feiten en omstandigheden.

5. De rechtbank stelt voorop dat het hier om een aanvraagsituatie gaat en dat de bewijslast daarom op eiseres rust: zij moet aannemelijk maken dat er sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan aan haar een mvv (voor het doel ‘gezinsleven conform artikel 8 EVRM’) moet worden verleend. In dit verband overweegt de rechtbank verder als volgt.

6. Paragraaf B7/3.8.1. van de Vc3, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

“ De IND neemt familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aan tussen ouders en hun meerderjarige kinderen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than normal emotional ties) tussen het meerderjarige kind en diens ouder(s).”

7. Volgens vaste rechtspraak is sprake van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel
8 van het EVRM tussen ouders en hun meerderjarige kinderen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than normal emotional ties) tussen het meerderjarige kind en diens ouder(s).4 Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen volwassen familieleden is een aantal factoren van belang. Deze factoren betreffen de eventuele samenwoning, de mate van emotionele afhankelijkheid, de mate van financiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst. Ook mag gewicht worden toegekend aan de vraag of de door het afhankelijke familielid benodigde zorg exclusief door de referent kan worden gegeven of dat ook andere familieleden of derden die zorg kunnen verschaffen. Geen van deze factoren zijn op zichzelf of in combinatie per definitie voldoende om een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie aan te nemen. Daarbij moeten steeds alle omstandigheden van het geval worden meegewogen. Indien geen sprake is van familieleven in vorenbedoelde zin, is er geen noodzaak meer voor een nadere belangenafweging.

8. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij dusdanig afhankelijk van referent is dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Verweerder heeft er daarbij op mogen wijzen dat referent al vanaf januari 2018 niet meer in Syrië is en dat zijn gezin hem eind 2018 is gevolgd. Verweerder heeft daaruit de gevolgtrekking mogen maken dat dit betekent dat eiseres al bijna twee jaar alleen woont en zich – al dan niet met hulp van derden – in die zin heeft weten te handhaven.5 Dat eiseres en referent door de vlucht gedwongen van elkaar gescheiden zijn, doet hieraan niet af.

9. Verweerder heeft daarnaast deugdelijk gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij mantelzorg nodig heeft en/of dat deze mantelzorg alleen door referent zou kunnen worden verleend. Bij de aanvraag is een verklaring van de arts [C] (specialist hart- en vaatziekten) van 28 augustus 2018 overgelegd. Daarin staat dat eiseres sinds 2003 bij zijn kliniek op consult komt en dat zij lijdt aan vernauwing van de kransslagaders, last heeft van een hartritmestoornis en vocht dat uit de bloedvaten lekt en van een ontsteking. Ook staat in de verklaring dat eiseres later een operatie nodig heeft voor het vervangen van de mitralisklep. Verweerder heeft mogen beslissen dat uit de verklaring van de arts van 28 augustus 2018 niet blijkt waaruit de hulp voor de medische klachten van eiseres zou moeten bestaan, wie de hulp moet bieden en ook niet dat alleen referent hierin iets voor eiseres zou kunnen betekenen. Eiseres heeft in bezwaar nog een kopie van een verklaring d.d. 8 oktober 2019 van de arts [D] (algemeen chirurg) overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat zij mobiliteitsklachten heeft. In de verklaring staat dat eiseres hulp van anderen nodig heeft. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat er geen origineel is overgelegd en dat er geen beëdigde vertaling van deze verklaring is opgemaakt. Verweerder heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit de inhoud van de verklaring ook niet blijkt waaruit de hulp moet bestaan, wie die moet bieden of dat uitsluitend referent deze hulp kan bieden.

10. Verweerder heeft daarnaast op basis van de verklaring van de cardioloog [C] mogen concluderen dat eiseres feitelijk wel toegang heeft tot medische voorzieningen. De algemene informatie over de toegang tot zorg in Syrië, waar in beroep op is gewezen, dateert van 2018 en daaruit blijkt niet dat eiseres geen toegang heeft tot de benodigde zorg.

11. Over de financiële afhankelijkheid van eiseres van referent heeft verweerder in de besluitvorming niet ten onrechte gesteld dat eiseres en referent zonder elkaars fysieke aanwezigheid kunnen functioneren, omdat deze financiële ondersteuning ook op afstand kan worden geboden.6 De verwijzing van eiseres naar het arrest van het EHM inzake I.M. tegen Zwitserland gaat niet op reeds omdat het in dat arrest ging om de intrekking van het verblijfsrecht van een vreemdeling die lange tijd rechtmatig verblijf had gehad. Daarvan is in de situatie van eiseres geen sprake; het gaat hier namelijk om een aanvraagsituatie. Dat is een geheel ander vetrekpunt.

12. Referent heeft gesteld dat hij het levensonderhoud van eiseres heeft bekostigd uit een dwangsom die hij heeft ontvangen. Hij heeft in beroep stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij op 28 mei 2020 € 340,84 heeft overgemaakt, maar hieruit blijkt niet wie de ontvanger is. Verder is op 4 maart 2020 een bedrag van $ 100, op 4 mei 2020 $ 150 en op 13 mei 2020 $ 400 naar eiseres overgemaakt, maar dit is gedaan door ene [E] . Volgens referent is dit een soort tussenpersoon, die hij in Nederland ontmoette en aan wie hij dan het geld gaf dat vervolgens werd overgemaakt naar eiseres. Referent heeft verder verklaard dat hij geen andere bewijsstukken van geldoverboekingen heeft. Verweerder heeft hier terecht tegen ingebracht dat, voor zover hieruit al blijkt dat dat referent geld naar eiseres heeft overgemaakt, de overboekingen alleen betrekking hebben op twee maanden in 2020, terwijl referent al in januari 2018 uit Syrië is vertrokken. Referent heeft ter zitting gesteld dat hij bij zijn vertrek uit Syrië geld heeft achtergelaten waarmee zijn vrouw, kinderen en eiseres tot eind 2018 in hun levensonderhoud hebben kunnen voorzien. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat hiermee niet inzichtelijk is gemaakt hoe eiseres zichzelf in 2019 en 2020 heeft kunnen onderhouden. Verweerder heeft er daarbij op mogen wijzen dat de overgemaakte bedragen, voor zover zou moeten worden aangenomen dat dit overboekingen zijn van referent aan eiseres, daarvoor niet voldoende zijn en ook niet het volledige bedrag van de dwangsom betreffen.

Is afwijzing van de mvv-aanvraag in strijd met artikel 8 van het EVRM gelet op de hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinkinderen?

13. Eiseres voert aan dat verweerder niet alle belangen heeft betrokken en ook niet alle feiten en omstandigheden kenbaar heeft meegewogen. Daarbij stelt eiseres dat haar band met Syrië vanwege de oorlog aldaar en de omstandigheid dat haar zonen in Nederland wonen minder sterk is geworden. Daarnaast geldt dat haar zonen een asielvergunning hebben gekregen en het daarom niet mogelijk is om in Syrië gezinsleven met hen uit te oefenen. Verder hebben referent en zijn gezin er baat bij dat zij naar Nederland komt, omdat zij hierdoor beter zullen functioneren. Hierdoor zullen zij ook beter integreren en hun kans op arbeidsparticipatie vergroten. Het enkele economische belang van de Nederlandse staat is onvoldoende zwaarwegend om de belangenafweging in haar nadeel te laten vallen, aldus eiseres.

13. Tussen partijen is niet in geschil dat tussen eiseres en haar kleinkinderen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Ook is niet in geschil dat geen sprake is van inmenging in het recht op familie- en gezinsleven, omdat eiseres nooit rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Daarom moet beoordeeld worden of zich zodanige feiten en omstandigheden voordoen dat uit het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven voor verweerder een positieve verplichting voortvloeit om eiseres verblijf toe te staan.

15. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM7 en de ABRvS8 moet bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven een ‘fair balance’ worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert een enigszins terughoudende toetsing.

16. De rechtbank oordeelt dat verweerder in het bestreden besluit alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar in zijn belangenafweging heeft betrokken. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt mogen stellen dat de kleinkinderen van eiseres al met hun ouders in Nederland verblijven, hier gezinsleven met hun ouders uitoefenen en dat dit gezinsleven prevaleert boven het gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen. Verweerder heeft in dit verband vanuit economisch oogpunt niet ten onrechte in het nadeel van eiseres meegewogen dat het aannemelijk is dat zij bij overkomst een zekere tijd ten laste zal komen van de openbare kas. Dit wordt door eiseres niet weersproken. Ook heeft verweerder in het nadeel van eiseres in de belangenafweging kunnen meewegen dat zij haar hele leven in Syrië heeft gewoond, zij nog nooit in Nederland heeft verbleven en zij de Nederlandse taal niet beheerst waardoor de binding van eiseres met Syrië groter is dan de binding met Nederland. Dat het oorlog is in Syrië en dat twee zonen van eiseres recentelijk in Nederland zijn gaan wonen, heeft bij verweerder niet tot de conclusie hoeven leiden dat de band van eiseres met Nederland sterker is dan haar band met Syrië.

17. Mede gelet op de beoordelingsruimte die hij in dit verband heeft, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij een ‘fair balance’ heeft gevonden tussen het belang van eiseres enerzijds en het belang van de Nederlandse samenleving anderzijds, waarbij de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt.


Hoorplicht

18. Eiseres heeft aangevoerd dat in bezwaar ten onrechte geen mondelinge hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat uit de processtukken blijkt dat verweerder heeft voorgesteld om in plaats van een hoorzitting schriftelijke vragen te stellen en dat eiseres hiermee akkoord is gegaan en ook een nadere schriftelijke reactie heeft ingediend.9 In die zin is eiseres dus wel gehoord in bezwaar. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder uit één en ander heeft mogen afleiden dat eiseres geen prijs stelde op een mondelinge hoorzitting en geen gebruik zou maken van haar recht daarop.10

Overig

19. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is uitgesproken op 12 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

- de griffier is verhinderd deze
uitspraak mede te ondertekenen -

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2 Europees Hof voor de Rechten van de Mens, ECLI:CE:ECHR:2019:0409JUD002388716.

3 Vreemdelingencirculaire 2000.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:758, en van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003.

5 Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 16 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:758.

6 Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 16 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:758.

7 Onder meer de arresten Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006 (ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599), Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011 (ECLI:CE:ECHR:2011:0614JUD003805809), Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011 (ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD005559709) en het arrest Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012 (ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709).

8 Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1503.

9 Zie de brief van 22 april 2020 van de gemachtigde van eiseres aan verweerder.

10 Artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.