Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:12613

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
02-12-2021
Zaaknummer
20/962
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering, geschikt voor zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/962


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.G.A.M. van den Heuvel),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: C. Schravesande).

Procesverloop

In het besluit van 17 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 21 oktober 2019 beëindigd.

In het besluit van 10 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft gereageerd op de nadere stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van Skype plaatsgevonden op 7 mei 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Aan eiser is in 2016 een ZW-uitkering toegekend. Na de wachttijd van 104 weken te hebben doorlopen, heeft eiser een uitkering op grond van de Wet werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd. Verweerder heeft in het besluit van 29 maart 2018 geweigerd om aan eiser per 8 mei 2018 een WIA-uitkering toe te kennen. Het daartegen gemaakte bezwaar is in het besluit van 5 oktober 2018 ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van 4 juli 2019 ongegrond verklaard.

1.2.

Na het overlijden van zijn vader zijn de klachten van eiser verergerd. Eiser heeft zich op 26 september 2018 vanuit de Werkloosheidswet ziekgemeld. Na deze ziekmelding is aan eiser opnieuw een ZW-uitkering toegekend. Aan die toekenning lag geen medische conclusie over eisers arbeidsgeschiktheid ten grondslag. Eiser is op 26 november 2018 wel door een verzekeringsarts gezien, maar die beschikte op dat moment over onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen of eiser de in het kader van de WIA geduide functies kon verrichten.

1.3.

Eiser is vervolgens in het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling gezien door de primaire verzekeringsarts. De primaire verzekeringsarts heeft eiser psychisch onderzocht en dossierstudie verricht, waarbij ook informatie van de huisarts is betrokken. Zij heeft hiervan op 10 september 2019 een rapport opgesteld. Zij heeft overwogen dat eiser, bij wie in het kader van een eerdere expertise werd gesproken over een aanpassingsstoornis op een veranderde sociale situatie, klachten van een depressie heeft, aansluitend op een life event (overlijden van vader). Het is daarom aannemelijk dat er beperkingen zijn ten aan zien van het persoonlijk en sociaal functioneren. De verzekeringsarts heeft deze neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Blijkens het hierop volgende rapport van de primaire arbeidsdeskundige van 13 oktober 2019, hebben de primaire verzekeringsarts en de primaire arbeidsdeskundige overleg gevoerd. Op basis van dit overleg heeft de primaire arbeidsdeskundige, met in achtneming van de in de FML opgenomen aanvullende beperkingen ten opzichte van de bij de WIA-beoordeling toegepaste FML van 20 maart 2018, geconcludeerd dat eiser geschikt is voor twee van de bij de WIA-beoordeling geduide functies, namelijk ‘productiemedewerker machinaal inpakken’ en ‘inpakker (handmatig)’. Op basis hiervan is het primaire besluit genomen door de primaire verzekeringsarts namens verweerder.

2. Naar aanleiding van het door eiser gemaakte bezwaar, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) op 16 december 2019 een rapport uitgebracht waarin hij uiteenzet op basis waarvan hij de bevindingen van de primaire verzekeringsarts onderschrijft. Hiertoe heeft hij dossieronderzoek verricht. Daarbij zijn ook de gegevens bestudeerd die zijn verkregen tijdens de bezwaarprocedure. Verder heeft de verzekeringsarts b&b de hoorzitting bijgewoond en heeft hij eiser onderzocht. De verzekeringsarts b&b stelt dat er geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid zoals eiser claimt. Hiervoor moet er sprake zijn van geen benutbare mogelijkheden en eiser voldoet niet aan de criteria hiervoor. Wel kan de claim van eiser worden gevolgd dat hij meer beperkt is dan voorheen. De verergering van zijn klachten, waardoor hij psychisch minder aankan, is goed te verklaren door het plotseling overlijden van zijn vader. Omdat de functies van ‘productiemedewerker machinaal inpakken’ en ‘inpakker’ psychisch in het geheel niet belastend zijn, acht de verzekeringsarts b&b eiser ondanks een toename van zijn beperkingen geschikt voor deze functies. Een urenbeperking is volgens de verzekeringsarts b&b niet aan de orde. Verweerder heeft op grond van dit rapport het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser vanaf 21 oktober 2019 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering omdat eiser vanaf deze datum ten minste één van de bij de WIA-beoordeling geduide functies kan verrichten.

3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert aan dat de verzekeringsarts b&b heeft verzuimd de extra beperkingen die horen bij de verslechterde medische situatie ten opzichte van de WIA-beoordeling te vertalen in de FML. De in 2017 door de psychiater gestelde diagnose ongespecificeerde aanpassingsstoornis is volgens eiser geëscaleerd naar de zwaardere diagnose persisterende depressieve stoornis. Eiser vindt het gelet hierop onbegrijpelijk dat de verzekeringsarts b&b niet de bevindingen van de specialistische GGZ wilde afwachten, te meer omdat eiser was aangemeld voor een intensieve (dag)behandeling depressie. De verzekeringsarts b&b heeft dat ten onrechte afgedaan met de opmerking dat een diagnose van de GGZ-psycholoog niet centraal staat in de ZW-beoordeling. Gelet op de behandeling - eiser is begin 2020 gestart met een behandeling van 12 uur per week, had de verzekeringsarts b&b een urenbeperking moeten opnemen.

4. Naar aanleiding van het beroepschrift en de daarbij overgelegde informatie van de huisarts heeft de verzekeringsarts b&b op 14 oktober 2020 een aanvullend rapport uitgebracht. Hij stelt dat het beroepschrift geen aanleiding geeft om het medisch standpunt te wijzigen. De verzekeringsarts b&b wijst erop dat de toegenomen klachten waar eiser zich op beroept, al zijn aangenomen door de primaire verzekeringsarts en dat ook extra beperkingen zijn aangenomen, in de zin dat het werk voorspelbaar dient te zijn, zonder hoog werktempo en zonder deadlines. Er was geen sprake van een acuut ernstig psychiatrisch decompensatiebeeld, op grond waarvan eiser volledig arbeidsongeschikt beschouwd kon worden. Dat de verzekeringsarts b&b de bevindingen van de (specialistische) GGZ niet heeft afgewacht, komt omdat de eigen bevindingen en de hieruit voortvloeiende beperkingen voldoende duidelijk waren. De informatie van de GGZ waarin wordt gesproken van een persisterende depressieve stoornis en niet van een ernstige depressie, is met de bevindingen van de verzekeringsarts b&b in lijn. Voor een urenbeperking bestaat volgens de verzekeringsarts b&b nog steeds geen grond nu er niet van tevoren - op de datum in geding - een urenbeperking kan worden aangegeven voor een behandeling die veel later gaat plaatsvinden. De verder in beroep aangeleverde informatie van de huisarts bevat geen nieuwe medische gegevens voor de datum in geding.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

In geschil is of eiser op de datum in geding, 21 oktober 2019, geschikt was om ‘zijn arbeid’, als bedoeld in artikel 19 van de ZW te verrichten. Onder ‘zijn arbeid’ wordt in dit geval verstaan de bij de WIA-beoordeling voor eiser geduide functies. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij het met die destijds geduide functies oneens is, kan dat in deze procedure niet meer ter discussie staan.

5.2.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Het rapport van de verzekeringsarts b&b geeft er blijk van alle klachten van eiser betrokken te hebben in het eindoordeel. Zo zijn alle door eiser zelf genoemde klachten benoemd en is de informatie vanuit de behandelend sector, te weten recente informatie van de huisarts met daarin een verslag van de POH GGZ, bij de oordeelsvorming betrokken. Er zijn geen klachten over het hoofd gezien. Ook heeft de verzekeringsarts b&b specifiek gereageerd op de bezwaargronden van eiser. De persisterende depressieve stoornis, waarop eiser wijst, is volgens de verzekeringsarts b&b in lijn met zijn eigen bevindingen en betreft geen nieuwe medische informatie, nu deze stoornis al in het medisch rapport naar aanleiding van het bezwaar is meegenomen. Dat de verzekeringsarts b&b de bevindingen van de specialistische GGZ niet wilde afwachten, is niet onbegrijpelijk nu de eigen bevindingen van de verzekeringsarts voldoende duidelijk waren. De door eiser in beroep overgelegde informatie van de huisarts werpt hierop geen ander licht. De bevindingen van de specialistische GGZ zijn niet meer in geding gebracht, zodat ook daarin geen aanknopingspunt voor een ander oordeel kan worden gevonden.

5.4.

De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert ook geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts b&b en overweegt daartoe het volgende. De verzekeringsarts b&b heeft in zijn rapportage deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerd waarom er geen reden bestaat voor het aannemen van volledige arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts b&b heeft verder beschreven dat de beschikbare medische gegevens hem geen aanleiding geven om af te wijken van de belastbaarheid zoals de primaire verzekeringsarts deze heeft vastgesteld. De rechtbank kan eiser niet volgen in de stelling dat de extra beperkingen ten opzichte van de WIA-beoordeling niet in de FML zijn vertaald, al niet omdat dit door de primaire verzekeringsarts wel is gedaan en de verzekeringsarts b&b die extra beperkingen, mede gezien zijn aanvullend rapport, onderschrijft. Dat eiser vindt dat hij beperkter is dan aangenomen, gelet op wat hij bij zijn ziekmelding zelf heeft aangegeven, kan niet leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de subjectieve beleving van de klachten niet beslissend is voor de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin kunnen worden vastgesteld. Ook aan de diagnose komt in dat verband geen beslissende betekenis toe (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:503). Van een andere diagnose dan persisterende depressieve stoornis - waarvan onbetwist is dat die in lijn is met de bevindingen van de verzekeringsarts b&b - is in dit geval overigens niet gebleken. Dat eiser vindt dat er een urenbeperking gesteld moet worden omdat hij een behandeling zou ondergaan, kan niet leiden tot een ander oordeel nu deze behandeling enkele maanden na de datum in geding plaatsvond, zodat daar op die datum, wat betreft eisers beschikbaarheid voor arbeid geen rekening mee kon worden gehouden.

Ter zitting heeft eiser met verwijzing naar de informatie van de huisarts van 4 augustus 2020 nog aangevoerd dat hij is gediagnosticeerd met slaapapneu. Verweerder heeft daarop met juistheid aangevoerd dat die informatie dateert van ruim na de datum in geding, zodat die niet tot een andere beoordeling kan leiden. Voor zover eiser betoogt dat met die diagnose een verklaring voor een deel van zijn eerder geuite klachten is gegeven, valt gelet op de rapportages van de verzekeringsartsen niet in te zien dat met die klachten niet reeds rekening is gehouden. Nu eiser in beroep geen andere medische gegevens heeft aangedragen op grond waarvan de medische beoordeling door de verzekeringsarts b&b en de conclusie over de geschiktheid van eiser voor het eigen werk, meer specifiek de functies productiemedewerker machinaal inpakken en handmatig inpakker, voor onjuist moet worden gehouden, wordt de verzekeringsarts b&b in zijn conclusie gevolgd. De rechtbank onderschrijft dan ook de medische grondslag van het bestreden besluit.

6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de ZW-uitkering van eiser terecht beëindigd.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T. Aalbers, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.C. van Poelgeest, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.