Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:12550

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-08-2021
Datum publicatie
29-11-2021
Zaaknummer
C/09/607418 / HA RK 21-72
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Artikel 19 RVV. Gestelde toedracht onvoldoende onderbouwd. Ongeval niet te wijten aan rijgedrag verweerder. Geen sprake van onrechtmatig handelen jegens verzoeker. Geen grond voor aannemen van aansprakelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0962
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/607418 / HA RK 21-72

Beschikking van 30 augustus 2021

in de zaak van

[verzoeker] te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. Y. Ersoy te Amsterdam,

tegen

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V. te Apeldoorn,

verweerster,

advocaat mr. G.S.E. van Helden te Apeldoorn.

Verzoeker wordt hierna ‘ [verzoeker] ’ genoemd. Verweerster wordt hierna ‘Achmea’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift op grond van artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’) met producties 1 tot en met 15, ingekomen op 15 februari 2021;

  • -

    het verweerschrift met 2 producties, ingekomen op 11 juni 2021;

  • -

    het e-mailbericht van de zijde van [verzoeker] van 18 juni 2021, met daarbij gevoegd productie 16;

  • -

    het e-mailbericht van de zijde van [verzoeker] van 22 juni 2021, met daarbij gevoegd (nogmaals) productie 16 en productie 17 en 18;

  • -

    de brief van de zijde van [verzoeker] van 23 juni 2021, met daarbij gevoegd een proceskostenspecificatie tot de dag van de mondelinge behandeling;

  • -

    de mondelinge behandeling van 24 juni 2021. Hierbij zijn verschenen: [verzoeker] in persoon bijgestaan door mr. Y. Ersoy voornoemd (vergezeld door mr. G. Grujic) en namens Achmea mr. J.L.S.M. van Esser voor mr. G.S.E. van Helden voornoemd.

1.2.

Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 21 juni 2011 heeft omstreeks 23.20 uur een verkeersongeval plaatsgevonden op de snelweg A4 in de richting van Amsterdam / Den Haag . Bij dit ongeval waren betrokken [verzoeker] als bestuurder van een bestelbus ( [auto 1] Pregio ) en de heer R.M. [betrokkene] (‘ [betrokkene] ’) als bestuurder van een personenauto ( [auto 2] ). [betrokkene] heeft de bestelbus van [verzoeker] van achteren aangereden.

2.2.

De heer W.A. [getuige 1] (‘ [getuige 1] ’) zat als bijrijder naast [verzoeker] in de bestelbus.

2.3.

[betrokkene] had de [auto 2] tijdelijk in bezit, de auto was van mevrouw [eigenaresse auto 2] (‘ [eigenaresse auto 2] ’). [eigenaresse auto 2] is als eigenaresse van de [auto 2] WAM-verzekerd bij Achmea.

2.4.

De snelweg A4 bestaat op de plaats van het ongeval uit vier rijbanen: twee rijbanen links om de doorgaande weg te vervolgen in de richting van Amsterdam en twee rijbanen rechts om af te slaan in de richting van Den Haag / Zoetermeer. Het linker- en rechterdeel van de rijbaan worden van elkaar gescheiden door een blokprofiel. Onderstaande foto (die niet zeker op de exacte plek van het ongeval is gemaakt) geeft de situatie ter plekke weer:

De aanrijding heeft plaatsgevonden op de derde rijstrook van rechts gezien, derhalve de rechter baan van de rijstroken richting Amsterdam.

2.5.

De politie is ter plaatse geweest. Met behulp van de politie is (het voorblad van) een aanrijdingsformulier ingevuld. Op het deel dat is bestemd voor het invullen van de gegevens van [verzoeker] zijn naast zijn naw- en verzekeringsgegevens, geen overige opmerkingen geschreven. [betrokkene] heeft naast zijn naw- en de verzekeringsgegevens van [eigenaresse auto 2] , op zijn deel van het formulier onder ‘mijn opmerkingen’ ingevuld “A [ [verzoeker] ] wisselde van rijstrook”. Op het (voorblad van het) aanrijdingsformulier is de volgende situatieschets te zien:

2.6.

[verzoeker] en [betrokkene] hebben het aanrijdingsformulier ter plekke ondertekend.

2.7.

In een mutatierapport van de politie over het ongeval staat onder meer het volgende genoteerd:

Maatschappelijke klasse : verkeersongeval met uitsluitend materiele schade.

Datum / tijdstip kennisname : dinsdag 21 juni 2011 te 23.40 uur.

Pleegdatum / tijd : op dinsdag 21 juni 2011 te 23.20 uur.

Plaats voorval : de A4 L ter hoogte van hectometerpaal 47.9 linker

rijbaan, binnen de gemeente ’s-Gravenhage.

(…)

Terplaatse aangekomen zagen wij twee voertuigen op de vluchtstrook staan. De bestuurder van de [auto 1] klaagde over nekklachten. Gestabiliseerd in afwachting van de ambu. De bestuurder is nagekeken door de ambulance bleek geen letsel te hebben.

De aanrijding is vermoedelijk als volgt gegaan. De [auto 2] reed op rijstrook 2 voorgesorteerd voor de richting Leidschendam/Amsterdam. De [auto 1] reed op rijstrook 3 voorgesorteerd voor de richting Den Haag /Zoetermeer. De bestuurder van de [auto 2] reed ongeveer 110 km/h. Hij zag schuin rechts voor hem de [auto 1] bus rijden. Deze reed een stuk langzamer. De [auto 1] wisselde onverwachts van rijstrook 3 naar 2. Hierbij is de [auto 2] vol in de remmen gegaan, maar aangezien het snelheidsniveau van beide voertuigen te groot was, is de [auto 2] achter op de [auto 1] gebotst.

Door tegenstrijdige verhalen van de bestuurders hebben we besloten geen PV op te maken.

2.8.

[betrokkene] heeft op 23 juni 2011 het eigen bijlagedeel, behorend bij het door beide partijen ondertekende aanrijdingsformulier, ingevuld. [betrokkene] heeft ingevuld dat hij circa 100 km/u reed en dat [verzoeker] circa 75 km/u reed, bij een maximaal toegestane snelheid van volgens hem 100 km/u. Bij de vraag wie er volgens hem aansprakelijk is, heeft [betrokkene] ingevuld: “Partij A [ [verzoeker] ] wisselde met lagere snelheid van rijstrook zonder richting aan te geven plotseling vlak voor voertuig B [ [betrokkene] ]. B moest hierdoor remmen maar kon botsing niet vermijden.

2.9.

Op 9 oktober 2011 heeft [verzoeker] eenzijdig een nieuw aanrijdingsformulier ingevuld en ondertekend, waarop hij bij ‘Mijn opmerkingen’ heeft ingevuld “Ik reed rechtdoor en ben plotseling aangereden”. Op het formulier heeft [verzoeker] de volgende situatieschets gemaakt:

Op het bijlagedeel behorende bij het (tweede) aanrijdingsformulier heeft [verzoeker] ingevuld dat een taxateur de schade aan zijn bestelbus heeft geschat op € 750 en dat sprake is van rug- en nekletsel. [verzoeker] heeft ook opgeschreven dat hij met een snelheid van 100 km/u reed en dat [betrokkene] “110+” km/u reed. Bij de vraag of tijdig richtingverandering werd aangegeven, heeft [verzoeker] “nvt” ingevuld. Bij de vraag wie er aansprakelijk is, heeft [verzoeker] ingevuld: “Tegenpartij is aansprakelijk, deze heeft mij voluit van achteren aangereden, terwijl ik rechtdoor aan het rijden was. Ik ben plotseling van achteren aangereden. Na aanrijding is de tegenpartij nog doorgereden en [heeft] mij ingehaald.

2.10.

Op 18 oktober 2011 heeft [getuige 1] , de passagier van [verzoeker] , een getuigenverklaring ingevuld op verzoek van de rechtsbijstandsverzekeraar van [verzoeker] , DAS. Deze verklaring luidt als volgt, voor zover hier relevant:

“1. Wie heeft er volgens u schuld aan het gebeurde?

De tegenpartij want wij reden rechtdoor en de andere bestuurder kwam van achteren en reed ons aan.

4. Wat heeft u zien gebeuren?

Wij reden rechtdoor op dezelfde baan, de tegenpartij heeft ons van achteren aangereden. Zonder enige richtingverandering bleven wij op onze baan. Hij reed in een [auto 2] , van achter komende hebben wij hem niet gezien. Naar mijn mening probeerde hij nog te ontkomen. Hij heeft ons na de aanrijding ingehaald. Het leek wel of hij in slaap was gedompeld voor een moment en zodoende ons aangereden.”

2.11.

Bij brief van 27 december 2011 heeft DAS Achmea aansprakelijk gesteld voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval. Op 3 januari 2012 heeft Achmea aansprakelijkheid afgewezen. DAS en Achmea hebben nadien nog gecorrespondeerd, maar zijn het niet eens geworden over de toedracht van het ongeval en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid.

2.12.

Op 21 mei 2013 heeft DAS namens [verzoeker] een aanvullende verklaring van de heer S. Soerjbali [getuige 2] (‘ [getuige 2] ’) aan Achmea gestuurd. De verklaring is gedateerd op 22 oktober 2012 en luidt als volgt, voor zover hier relevant:

“2. Wat hebt u als getuige waargenomen?

Ik heb de [auto 1] [bestelbus] rechtdoor zien rijden en de [auto 2] deze van achteren zien aanrijden met hoge snelheid.

3. Welke fouten zijn er naar uw mening gemaakt en door wie?

De [auto 2] diende de [auto 1] links in te halen.

4. Aan welke oorzaken meent u de aanrijding te moeten toeschrijven?

De [auto 2] heeft niet goed opgelet, dit kan alleen gebeuren als een bestuurder achter het stuur in slaap valt.

6. Kunt u de kenmerken van de betrokken auto’s beschrijven?

[auto 2] was wit en de [auto 1] was donker (grijs/bruin).

7. Waarom heeft u zich eerst nu gemeld als getuige?

Per toeval ben ik in een gesprek beland.

Staat u in relatie tot een van de betrokkenen?

Nee.”

2.13.

Op 22 januari 2015 hebben op verzoek van [verzoeker] voorlopig getuigenverhoren plaatsgevonden voor de rechter-commissaris van deze rechtbank. Hierbij zijn [verzoeker] , [getuige 1] en [getuige 2] gehoord. De desbetreffende verklaringen luiden als volgt, voor zover hier relevant:

[verzoeker] :

Ik reed in een [auto 1] op de A4, op de derde rijstrook vanaf rechts gezien. Er waren in totaal vier rijstroken. Twee rijstroken aan de linkerkant gaan naar Amsterdam en de rechtertwee gaan naar Zoetermeer. (…) Ik reed richting Amsterdam. Ik schat dat ik twintig á dertig seconden reed op de rijstrook.

Het was niet druk, er was weinig verkeer. Toen werd ik van achteren aangereden. De wagen maakte ineens een schommeling. Ik rijd in een bus en normaliter is dat een stabiel voertuig. Dus een lichte aanraking voel je niet, maar dit was echt een klap. Ik schrok ervan. Vervolgens zag ik in mijn achteruitkijkspiegel een auto dichtbij. Die haalde mij vervolgens in via de vierde rijstrook. De auto is mij voorbijgegaan en vervolgens ging de bestuurder voor mij rijden. Hij is zelf aan de kant gegaan en vervolgens ben ik ook aan de kant gegaan. Ik reed niet alleen, maar samen met de heer [getuige 1] .

Ik had de [auto 2] niet eerder gezien. Pas toen we aan de kant stonden heb ik dat gezien. Voor de aanrijding heb ik de auto niet waargenomen. Ik heb de auto niet zien aankomen, ik voelde alleen de klap. (…)

Ik kwam van Rijswijk en op een gegeven moment moet je invoegen om rechtdoor te gaan. Toen ik al op die rijstrook was, ben ik aangereden. Tussen het moment van invoegen en de aanrijding heeft denk ik 20 a 30 seconden gezeten. (…)

Op uw vraag waarom er twee aanrijdingsformulieren in omloop zijn, zeg ik u het volgende. Vlak na de aanrijding heeft de politie mij gevraagd om het aanrijdingsformulier in te vullen. Ik gaf aan dat ik niets in kon vullen, omdat ik was aangereden. Ik heb aangegeven wat de positie was van de auto’s. Mij werd gevraagd een tekening te maken van de auto’s. Ik kon die zelf niet maken, want ik zat met pijn in de auto. (…)

U toont mij de tekening op productie 6. Ik zeg u dat die tekening is gemaakt door de tegenpartij. De linkerhandtekening is van mij, [verzoeker] .

(…) U toont mij productie 6 en zegt dat de tekening afwijkt van de door mij beschreven situatie. Ik kan dat verklaren, doordat ik het formulier heb ondertekend voordat de tekening erop stond. Op het moment van de aanrijding is de tekening niet gemaakt. De hokjes op het formulier zijn wel na de aanrijding aangekruist, maar de tekeningen zijn dus later gemaakt. (…)

Prod 6. Alles onder Onderdeel A is niet mijn handschrift en dat heb ik niet zelf ingevuld. Als ik het formulier zo had gekregen vooraf dan had ik niet getekend, want de tekening klopt niet met de situatie zoals die was tijdens het ongeval.

Ik heb met twee mensen gesproken over het ongeval. Ik had een whiplash en vertelde deze personen in een groothandel aan de Edisonstraat in Zoetermeer hierover. Meneer [getuige 2] hoorde dat en zei: “Ik heb die aanrijding gezien”. Daarop heb ik gezegd dat ik graag zijn gegevens wilde hebben en dat heb ik doorgegeven aan mijn advocaat. Het was dus puur toeval dat ik deze getuige tegenkwam. Meneer [getuige 2] kende ik daarvoor niet, het is geen familie of kennis.

(…)

Op uw vraag met wie ik sprak in de groothandel over het ongeluk, zeg ik u dat het kennissen waren. (…). Ik weet niet meer wanneer dit gesprek heeft plaatsgevonden. Ruim een jaar later had ik het nog steeds over het ongeluk. Ik weet niet meer in welke maand dit gesprek heeft plaatsgevonden. Ik weet ook niet meer op welk tijdstip. (…)

Productie 6 was ingevuld zoals dat nu ook is, alleen de tekening stond er niet op. Op uw vraag of de politie het formulier heeft ingevuld, zeg ik u dat de politie mij vroeg om een tekening te maken. De politie heeft het formulier direct na het ongeval ingevuld en ik heb het toen ondertekend. De tekening is er later op gemaakt. (…)

Als ik moet schatten hoeveel auto’s er ten tijde van het ongeluk er plaatse op de A4 reden, zeg ik u dat er naast mij geen auto’s reden. Maar voor mij en achter mij reden er wel auto’s. Voor mij reden er twee a drie auto’s. Ik heb geen idee hoeveel auto’s er in totaal achter mij reden. Misschien wel een stuk of drie a vier auto’s in totaal. Op het moment toen ik aan de kant stond zag ik veel auto’s voorbijrijden. Dat waren er wel een hoop. (…)

Toen ik aan de kant stond en de bestuurder vroeg: “wat maak je me nou?”, zei hij daarop “sorry, sorry”. Hij gaf ook aan dat de auto niet van hem was (…). Als u mij vraagt wat voor indruk de bestuurder op mij maakte, zeg ik u dat hij een geschrokken, net wakkere indruk maakte.

[getuige 1] :

Er waren ter plekke vier rijstroken. Vanuit de rechterkant gezien reden wij op de derde rijstrook. Ik was de bijrijder, [verzoeker] was de bestuurder van de auto. We reden bijna twintig of dertig minuten op de snelweg. We kwamen uit Den Haag en we reden naar Zoetermeer. We reden ongeveer vijf a zes minuten op die derde rijstrook vanaf de rechterkant gezien. Plotseling werden wij van achteren aangereden, dat voelde ik en ik hoorde ook de klap. De auto die ons aanreed heeft ons vervolgens ingehaald en was voor ons gaan rijden. Ik zei daarop tegen [verzoeker] : “wat is er gebeurd?”. We zijn naar de zijkant van de rijbaan gereden en uitgestapt. Ik zag dat we van achteren in het midden van de auto waren aangereden. (…) Ik heb niet gesproken met de bestuurder van de andere auto. Ik heb gezien dat de politie kwam en daar was ik bij. Er zijn ook formulieren ondertekend door [verzoeker] en de andere bestuurder. Ik sprak apart met één van de politieagenten. Dat was een man. Dat was achter onze auto en [verzoeker] sprak met een andere politieagent en hij was toen in de ambulance. (…) Het was ten tijde van de aanrijding niet druk op de weg. Links en rechts van onze auto reed er niemand. Voor ons reden er ook geen auto’s. Er reed veel verder achter ons nog wel een andere auto. Toen wij aan de kant stonden na het ongeval, was het een beetje druk. Daarmee bedoel ik dat er soms één a twee auto’s passeerden. (…)

U toont mij mijn verklaring, productie 1. Ik heb dat niet zelf geschreven. Mijn vrouw heeft dat later voor mij opgeschreven. Ik heb dat wel ondertekend, de handtekening is van mij afkomstig. Als u mij vraagt waarom ik heb geschreven dat ik denk dat de bestuurder van de andere auto in slaap was gedommeld, zeg ik u dat ik veel rijervaring heb opgedaan in Pakistan en daarom denk dat degene die ons aanreed in slaap was gevallen. Of misschien heeft hij zijn mobiele telefoon gebruikt. Ik heb dat niet gezien, maar ik denk dat. (….)

[getuige 2] :

Ik ken meneer [verzoeker] niet. (…) Ik ben voor het eerst in aanraking met [verzoeker] gekomen, op de dag van de aanrijding. Ik heb toen niet met hem gesproken. Daarvoor heb ik hem nooit ergens gezien. Ik wist dus ook niet dat het meneer [verzoeker] was. Ik heb alleen de aanrijding zelf gezien. Ik was in Den Haag en ging naar Amsterdam via de Boogaard. Ik reed op de A4 en daar heb ik de aanrijding gezien. Ik reed zelf in een auto, ook een busje, een [auto 3] . Ik was de bestuurder en mijn vrouw zat naast mij.

Ik reed achter de aanrijding, de aanrijding gebeurde dus voor mij. Ik reed ongeveer 100 a 150 meter erachter. Ik reed op de rijstrook precies achter de aanrijding, want als je van de Boogaard naar Amsterdam wil moet je daar voorsorteren. Ik reed dus achter de auto die werd aangereden. Ik zag een witte of grijze, lichte auto een groene bus aanrijden van achteren. Dat was denk ik de bus van meneer [verzoeker] . Toen heeft die witte auto de groene bus ingehaald en ik ben daarna rechtdoor gereden richting Amsterdam. Ik ben dus niet uitgestapt, want ik moest naar mijn moeder toe. (…)

Later ben ik hem [ [verzoeker] ] voor het eerst echt tegengekomen. Ik was boodschappen aan het doen in Zoetermeer, in een groothandel. Ik hoorde iemand praten over het ongeval. Toen ben ik erbij gaan staan. Ik heb toen gezegd dat ik het ongeval had gezien. [verzoeker] vroeg of ik voor hem wilde getuigen. Ik zei “waarom niet, want ik heb het ongeval toch gezien”. Dat was alles. (…)

U vraagt mij waarom ik op vraag 4 heb genoteerd dat ik denk dat de bestuurder van de andere auto in slaap was gevallen. Dat was een vermoeden van mij, ik heb het niet gezien. (…)

Het was tussen 21.00 uur en 22.00 uur in de avond dat het ongeval plaatsvond. Ik ging zelf naar Amsterdam, naar mijn moeder. Zij zou een feestje hebben en ik zou het feestje gaan voorbereiden. Ik had geen afspraak met mijn moeder gemaakt. Ik kwam ongeveer 22.45 uur bij mijn moeder aan, in de Bijlmer. Ik ben die avond bij mijn moeder blijven slapen. (…)

Ik heb het formulier twee a drie maanden nadat ik [verzoeker] in de winkel sprak, van de DAS gekregen. Ik denk dat de aanrijding in juni 2011 was gebeurd. Ik wist het nog, omdat het feest bij mijn moeder op 22 juni was, zij was toen jarig en werd 65 jaar. (…)

Ik had goed zicht op het ongeval. Tussen mijn auto en de auto die de bus van [verzoeker] aanreed, reed nog één andere auto.

2.14.

Op 20 april 2015 hebben op verzoek van Achmea voorlopig (tegen)getuigenverhoren plaatsgevonden voor de rechter-commissaris van deze rechtbank. Hierbij zijn [betrokkene] , [eigenaresse auto 2] en haar partner de heer J.G. [partner] (‘ [partner] ’) gehoord. [eigenaresse auto 2] en [partner] waren niet aanwezig bij het ongeval, wel hebben zij [betrokkene] kort daarna gesproken. De verklaringen luiden als volgt, voor zover hier relevant:

[betrokkene] :

“Ik reed op dinsdagavond geloof ik tegen 23.00 uur op de A4 en ik kwam uit de richting van Rijswijk. Ik reed op dat moment op de meest rechtse rijbaan richting Amsterdam/Leidschendam. Op enig moment komen daar 2 rijbanen bij naar de richting Den Haag centrum, Voorburg/Zoetermeer. De rijbanen zijn daar nog gescheiden door een zogenaamd blokprofiel. Ik denk dat ik ongeveer 100/110 km per uur reed en dat is daar ook de maximum snelheid. Ik zag dat er een bestelauto op de meest linkse baan van de rijstroken reed richting Den Haag centrum. Deze auto reed langzaam; ik schat ongeveer 70 km per uur. Net toen ik langs deze bestelauto wilde rijden wisselde de bestuurder van rijstrook en kwam ineens voor mij rijden. Hij heeft geen richting aangegeven. Ik heb nog geprobeerd te remmen, maar dat was te laat. Ik reed toen achterop deze bestelauto. De aanrijding vond niet exact plaats bij het puntstuk waar 2 richtingen bij elkaar komen, maar ik schat dat het 100 meter verderop was.

U toont mij het aanrijdingsformulier (…) dit is het formulier dat is opgemaakt ten tijde van het ongeval toen de politie was gearriveerd. Op het formulier heb ik onder de kolom voertuig B de punten 6, 9 en 14 ingevuld. Ook heb ik de situatieschets ingetekend. De politie heeft voor mij punten 6, 9 en 14 ingevuld en is vervolgens met het formulier naar de bestuurder van de bestelauto gegaan. Ik schat dat de politie ongeveer na 10 minuten terugkeerde met het formulier dat toen getekend was door de bestuurder van de bestelauto. Ik heb het formulier toen op mijn beurt getekend. (…)

Ik zag de bestelauto voor het eerst voor het puntstuk zoals op de situatieschets is aangegeven (…). Ik zag hem voor het eerst vanuit mijn raam een paar 100 meter voor de samenvoeging. Ik had alleen schade aan de voorkant van mijn auto, niet aan de zijkant. Na dat wij gestopt waren heb ik niet veel woorden met de bestuurder van de bestelauto gewisseld. Ik weet wel dat er 2 heren in de auto zaten en ook dat er een ambulance is gekomen om naar de passagier te kijken. Ik kan mij niet herinneren dat ik toen op een vraag van de bestuurder, “wat maak je me nou?” heb gezegd “sorry, sorry” en dat ik heb gezegd dat de auto niet van mij was maar van mijn tante en de auto net uit de garage kwam. Het is niet eens een tante van mij. Het was een behoorlijk ongeluk en ik moest ook even bijkomen.”

[eigenaresse auto 2] :

“Meneer [betrokkene] heeft mijn vriend de dag na het ongeval telefonisch geïnformeerd. (…) Mijn vriend vroeg hem [ [betrokkene] ] hoe het ongeval was gebeurd en hij vertelde dat hij op de weg reed en opeens kwam er van een rijstrook van rechts met verminderde snelheid een andere auto plots voor hem rijden. Hij zat er toen achterop. Hij vertelde dat de politie er bij was geweest (…). De dag erop is hij bij mij thuis geweest en heeft hij mij hetzelfde verhaal verteld. Hij zei “ik kon er niks aan doen”. Dat is alles wat ik weet over de toedracht.”

[partner] :

De volgende dag belde meneer [betrokkene] mij op en vertelde hij dat hij een aanrijding met die auto heeft gehad. Verder vertelde hij niet veel. Ik heb hem toen gevraagd of hij naar mijn vriendin kon komen om het haar zelf te vertellen. Toen hij kwam was ik er ook bij. Hij vertelde dat hij op de grote weg richting Amsterdam reed en dat er schuin voor hem een busje reed met een veel lagere snelheid dan hij. Dit busje kwam zonder richting aan te geven op zijn rijstrook rijden en deed dit met een veel lagere snelheid. [betrokkene] deed nog een poging om er niet tegenaan te rijden, maar de afstand tussen beide auto’s was te klein om een ongeval te voorkomen. (…). Ik heb de verklaring van de tegenpartij gelezen die bij het verzoekschrift zit en volgens mij klopt dit niet.

2.15.

Bij e-mailbericht van 11 april 2018 heeft de huidige advocaat van [verzoeker] Achmea bericht dat hij het dossier heeft overgenomen. Nadat Achmea aansprakelijkheid wederom had afgewezen, is de advocaat van [verzoeker] deze procedure gestart.

3 Het geschil

3.1.

Het verzoek op grond van artikel 1019w Rv strekt ertoe dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. verklaart voor recht dat Achmea aansprakelijk is jegens [verzoeker] voor de door hem geleden en te lijden schade als gevolg van het verkeersongeval van 21 juni 2011;

  2. Achmea gebiedt een voorschot onder algemene titel te verlenen aan [verzoeker] ter hoogte van € 5.000, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag en (betalings)termijn;

  3. Achmea gebiedt de openstaande declaratie aan buitengerechtelijke kosten integraal te betalen conform de overgelegde declaratie en de bijbehorende urenspecificatie;

  4. met veroordeling van Achmea in de (integrale) kosten van dit deelgeschil (vooralsnog voor de kosten van rechtsbijstand begroot op € 3.500 exclusief btw) alsmede het door [verzoeker] te betalen griffierecht.

3.2.

[verzoeker] legt aan het verzoek ten grondslag dat Achmea als verzekeraar van de eigenaar van de [auto 2] aansprakelijk is voor de door hem als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade. [betrokkene] heeft als bestuurder van de [auto 2] onrechtmatig jegens [verzoeker] gehandeld door in strijd met artikel 19 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (‘RVV’) de [auto 2] niet op tijd tot stilstand te brengen en de bestelbus van [verzoeker] van achteren aan te rijden. [verzoeker] vermoedt dat [betrokkene] in slaap is gevallen. Als gevolg van het ongeval heeft [verzoeker] zowel fysieke als psychische schade geleden. Achmea is gehouden deze schade, waaronder ook de buitengerechtelijke kosten, te vergoeden.

3.3.

Achmea stelt zich op het standpunt dat de verzoeken van [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, dan wel moeten worden afgewezen. Achmea betwist de door [verzoeker] gestelde toedracht en betoogt dat geen sprake is van onrechtmatig handelen van de zijde van [betrokkene] , gelet op de plotselinge manoeuvre van [verzoeker] zelf. Achmea verzet zich voorts tegen het verzoek tot bevoorschotting. Er zijn volgens Achmea geen aanwijzingen voor blijvend letsel. Achmea heeft ook de buitengerechtelijke kosten betwist.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Behandeling in deelgeschil

4.1.

De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letselschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling. [verzoeker] heeft verzocht vast te stellen dat Achmea jegens hem aansprakelijk is voor de door hem geleden schade als gevolg van het ongeval. Een dergelijk verzoek leent zich in beginsel voor behandeling in deelgeschil, nu de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019z Rv). Achmea heeft echter betoogd dat het verzoek van [verzoeker] zich niet leent voor behandeling deelgeschil en ten onrechte is ingesteld, omdat niet duidelijk is dát sprake is van letsel of schade. [verzoeker] heeft ondanks toezeggingen, het bestaan van (medische en/of financiële) schade nooit onderbouwd, aldus Achmea. Hoewel de rechtbank met Achmea eens is dat [verzoeker] de door hem gestelde schade zeer mager heeft onderbouwd, staat wel vast dat op 21 juni 2011 een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarvan niet op voorhand kan worden uitgesloten dat dit tot schade of letsel heeft geleid. Zoals [verzoeker] terecht heeft betoogd hoeft op dit moment in de procedure slechts de mogelijkheid van schade aannemelijk te zijn. Gelet op het feit dat [verzoeker] direct na het ongeval melding heeft gemaakt van nekklachten, acht de rechtbank de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk om tot inhoudelijke behandeling van het verzoek over te gaan.

Inhoudelijke beoordeling

4.2.

De eerste vraag die voorligt is of [betrokkene] onrechtmatig jegens [verzoeker] heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW. [verzoeker] heeft betoogd dat dit het geval is. Achmea betwist dat.

4.3.

Als uitgangspunt geldt dat op [verzoeker] ingevolge artikel 150 Rv de stelplicht en (zo nodig) de bewijslast rusten van zijn stelling dat onrechtmatig is gehandeld en van de in dat kader door hem beschreven toedracht. [verzoeker] heeft in dit verband betoogd dat [betrokkene] verschillende verkeersfouten heeft gemaakt. Ten eerste had [betrokkene] zijn snelheid moeten aanpassen en voldoende afstand van zijn voorligger ( [verzoeker] ) moeten houden. Op grond van artikel 19 RVV moet een bestuurder immers in staat zijn om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. [betrokkene] reed bovendien te hard en had naar links moeten uitwijken. Daarnaast bestaat het sterke vermoeden dat [betrokkene] in slaap is gevallen. Hiermee heeft [betrokkene] zich zodanig gedragen dat hiermee een gevaar op de weg is veroorzaakt, wat een schending van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (‘WVW’) oplevert, aldus [verzoeker] .

4.4.

Over de feitelijke toedracht heeft [verzoeker] in dit verband gesteld dat hij al enige tijd op de rijbaan reed waarop hij werd aangereden. Het klopt, zoals Achmea stelt, dat hij daarvoor van baan was gewisseld, maar dat was al 20 à 30 seconden daarvoor gebeurd. [betrokkene] heeft dus genoeg tijd gehad om te anticiperen, zijn snelheid aan te passen, dan wel uit te wijken. [betrokkene] reed bovendien te hard, zijn snelheid was 110 km/h terwijl de maximumsnelheid ter plaatste 100 km/h was. Het was een enorme klap, [betrokkene] heeft niet geremd. Hij moet daarom wel in slaap zijn gevallen, aldus [verzoeker] . Verder heeft [verzoeker] ingeschat dat hij zelf 90 à 100 km/h per uur reed.

4.5.

Achmea heeft de stellingen van [verzoeker] betwist. Volgens Achmea was de toedracht heel anders. [verzoeker] zou plotseling, zonder zijn richtaanwijzer te gebruiken, van baan zijn gewisseld. Dit terwijl hij slechts 70 à 80 km/h reed. [verzoeker] kwam zo ineens pal voor [betrokkene] te rijden. [betrokkene] heeft nog getracht (hard) te remmen, maar kon de bestelbus van [verzoeker] niet meer ontwijken. Er was geen mogelijkheid voor [betrokkene] om het ongeval te voorkomen. [betrokkene] reed met 100 à 110 km/h niet te hard. Dat [betrokkene] in slaap zou zijn gevallen wordt ten stelligste betwist, aldus Achmea.

4.6.

Beide partijen hebben ter onderbouwing van hun stellingen verwezen naar onder meer de aanrijdingsformulieren, het mutatierapport van de politie en de getuigenverklaringen. De lezingen van partijen over wat er uit deze documenten volgt en wat de betrouwbaarheid van deze documenten is, lopen uiteen. De rechtbank zal daarom nu eerst bespreken welke waarde zij hecht aan de verschillende overgelegde stukken.

4.7.

De rechtbank hecht allereerst waarde aan het aanrijdingsformulier dat direct na het ongeval door [verzoeker] en [betrokkene] is ondertekend (zie 2.5). Er bestaat geen enkele aanleiding om aan te nemen dat het formulier door [betrokkene] is vervalst, in die zin dat de tekening er pas op is geplaatst nadat [verzoeker] had getekend, zoals [verzoeker] stelt. De plaats om een handtekening te zetten op het formulier bevindt zich recht onder het vlak voor de tekening/situatieschets. Het is niet logisch dat [verzoeker] het formulier heeft ondertekend terwijl het vlak voor de tekening nog leeg was. [betrokkene] heeft (in het kader van het voorlopig getuigenverhoor) ook verklaard dat hij eerst de tekening heeft gemaakt en het formulier voor het overige heeft ingevuld en dat de politie pas daarna met het formulier naar [verzoeker] is gegaan voor een handtekening, hetgeen ook de gebruikelijke gang van zaken is. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat [verzoeker] het in eerste instantie eens was met het formulier en de tekening en dat hij daarom heeft getekend. Dat het door hem meegekregen doordrukvel zoek is geraakt, zoals [verzoeker] stelt, moet voor zijn rekening blijven.

4.8.

Het tweede aanrijdingsformulier (zie 2.9), dat eenzijdig door [verzoeker] is ingevuld en waarbij hij een tekening van het ongeval heeft gemaakt, kan niet tot uitgangspunt worden genomen in deze kwestie. Dit formulier is immers niet door [betrokkene] gezien en niet door hem ondertekend.

4.9.

De rechtbank hecht ook waarde aan het (objectieve) mutatierapport waarin de politie de vermoedelijke toedracht heeft beschreven: “De bestuurder van de [auto 2] reed ongeveer 110 km/h. Hij zag schuin rechts voor hem de [auto 1] bus rijden. Deze reed een stuk langzamer. De [auto 1] wisselde onverwachts van rijstrook 3 naar 2. Hierbij is de [auto 2] vol in de remmen gegaan, maar aangezien het snelheidsniveau van beide voertuigen te groot was, is de [auto 2] achter op de [auto 1] gebotst”.

Uit de verklaringen van [verzoeker] , [betrokkene] en [getuige 1] volgt dat zij alle drie met de politie hebben gesproken na het ongeval. De rechtbank gaat ervan uit dat de politie de beschreven toedracht op die gesprekken van kort na het ongeval heeft gebaseerd. Dat de politie verder geen proces-verbaal heeft opgesteld en geen verdere conclusies heeft getrokken vanwege “tegenstrijdige verhalen van de bestuurders” (zie 2.7) maakt dit niet anders. Die tegenstrijdigheden hebben de politie er immers niet van weerhouden een vermoedelijke toedracht te beschrijven.

4.10.

Over de getuigenverklaringen overweegt de rechtbank het volgende.

4.11.

De rechtbank behandelt eerst de verklaringen van [getuige 2] . Volgens de stellingen van [verzoeker] en [getuige 2] zou [getuige 2] , geruime tijd na het ongeval, toevalligerwijs in een groothandel in een gesprek zijn beland waarbij [verzoeker] over het ongeval vertelde, waarna [getuige 2] zich het ongeval zou hebben herinnerd en zich als getuige zou hebben gemeld. Ten eerste acht de rechtbank dit een wel heel erg toevallige, moeilijk als zijnde juist aan te nemen gang van zaken. Ten tweede wijken de verklaringen van [getuige 2] op verschillende essentiële punten af van de vaststaande feiten en van hetgeen overigens door getuigen is verklaard. Zo verklaart [getuige 2] dat het ongeluk plaatsvond tussen 21.00 uur en 22.00 uur en dat hij op weg was naar zijn moeder, waar hij rond 22.45 uur aan kwam. Het ongeval heeft echter pas rond 23.20 uur plaatsgevonden. Voorts weten [getuige 2] en [verzoeker] niet wanneer zij elkaar in de groothandel hebben ontmoet en [getuige 2] heeft verklaard dat zij elkaar hebben ontmoet bij de Sligro in Zoetermeer (hoewel er volgens Achmea geen Sligro in Zoetermeer bestaat), terwijl [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat dit niet de Sligro, maar de ‘Zugro’ (of ‘Zegro’) is geweest. [getuige 2] heeft verder wisselend verklaard over de kleur van de bestelbus van [verzoeker] : “donker, grijs/bruin” en later “groen”. Bovendien heeft hij verklaard dat er een andere auto tussen hem en [verzoeker] reed en dat hij circa 100 à 150 meter achter het ongeval reed, zodat onaannemelijk is dat hij – als hij al op dat moment ter plaatste is geweest – goed zicht heeft gehad op het ongeval. Gelet op al het voorgaande heeft de rechtbank zulke sterke twijfels over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 2] , dat zij daar verder geen acht op slaat.

4.12.

De rechtbank stelt ook vast dat verklaringen van [verzoeker] en [getuige 1] op essentiële punten tegenstrijdig zijn. Zo verklaart [verzoeker] dat ze richting Amsterdam reden (waarvoor op de twee meest linkse banen moest worden voorgesorteerd), terwijl [getuige 1] verklaart dat ze richting Zoetermeer reden (waarvoor op de twee meest rechtse banen moest worden voorgesorteerd). Daarnaast springt in het oog dat [verzoeker] verklaart dat ze 20 à 30 seconden op de derde rijbaan vanaf rechts gezien reden toen ze werden aangereden, terwijl [getuige 1] verklaart dat ze daar al 5 à 6 minuten reden op het moment van de aanrijding. Ze verklaren bovendien verschillend over de drukte en de andere aanwezige auto’s op de weg.

4.13.

Tegenover deze verklaringen staan de verklaringen van [betrokkene] , [eigenaresse auto 2] en [partner] . Ook al zijn [eigenaresse auto 2] en [partner] geen direct getuige van het ongeval geweest, uit hun verklaringen volgt wel dat [betrokkene] hen kort na het ongeval precies hetzelfde heeft verteld als hij steeds heeft verklaard. Volgens [betrokkene] is [verzoeker] plotseling naar de rijbaan van [betrokkene] gewisseld, zonder richting aan te geven en terwijl hij met een veel lagere snelheid reed. Deze verklaring strookt ook met het mutatierapport van de politie en met hetgeen [betrokkene] heeft ingevuld op het aanrijdingsformulier (zie 2.8). Het is ook in lijn met de tekening op de voorkant van het formulier, waar [verzoeker] voor heeft getekend. Over zijn snelheid en de snelheid van [verzoeker] heeft [betrokkene] ook steeds gelijkluidend verklaard. Op het aanrijdingsformulier heeft hij ingevuld circa 100 km/h te hebben gereden en bij het voorlopig getuigenverhoor heeft hij verklaard dat zijn snelheid circa 100 à 110 km/h is geweest. Over de snelheid van [verzoeker] heeft [betrokkene] op het aanrijdingsformulier ingevuld dat deze circa 75 km/h was, bij het getuigenverhoor heeft [betrokkene] 70 km/h genoemd. Deze snelheden zijn ook in overeenstemming met het mutatierapport van de politie.

4.14.

Zoals overwogen rust op [verzoeker] de stelplicht (en zo nodig) de bewijslast voor het onrechtmatig handelen van [betrokkene] en de in dat kader beschreven toedracht. Zijn eigen verklaring over die toedracht wordt gelet op de voorgaande overwegingen echter niet, althans onvoldoende ondersteund door de andere in deze zaak aanwezige verklaringen en stukken en is daar op essentiële punten ook mee in strijd. Daar staat tegenover dat Achmea de door [verzoeker] gestelde toedracht gemotiveerd heeft betwist en gewezen heeft op verklaringen en stukken die elkaar wel ondersteunen en die een andere toedracht beschrijven. Gelet hierop heeft [verzoeker] onvoldoende onderbouwd gesteld dat het ongeval onder de door hem beschreven omstandigheden heeft plaatsgevonden. Op grond van de aanwezige stukken gaat de rechtbank uit van een andere toedracht, namelijk de volgende.

4.15.

Ten eerste neemt de rechtbank aan dat [betrokkene] met een snelheid van 100 à 110 km/h heeft gereden. Hij heeft dit direct tegenover de politie verklaard, op het aanrijdingsformulier genoteerd en ook bij het voorlopig getuigenverhoor verklaard. Bovendien is er overigens niets dat op een andere snelheid van [betrokkene] wijst. Ten aanzien van de snelheid van [verzoeker] gaat de rechtbank uit van 70 à 80 km/h. De rechtbank baseert dit op de verklaringen van [betrokkene] , die steun vinden in de verklaringen van [eigenaresse auto 2] en [partner] en op het mutatierapport van de politie. Ook wordt meegewogen dat de omstandigheden van het ongeval – waarbij [betrokkene] achterop [verzoeker] is gereden – een snelheidsverschil aannemelijk maken.

Tussen partijen is in geschil wat de maximumsnelheid destijds ter plaatse was. Volgens [verzoeker] was dit 100 km/h, volgens Achmea was dit 130 km/h. De rechtbank laat dit discussiepunt voor wat het is, nu zij van oordeel is dat ook uitgaande van een maximumsnelheid van 100 km/h, [betrokkene] met zijn snelheid van 100 à 110 km/h geen (evidente) snelheidsovertreding heeft begaan.

4.16.

De rechtbank gaat er verder van uit dat [verzoeker] kort voor het ongeval van rijbaan is gewisseld. Zij baseert dit op het mutatierapport van de politie, het (door beide partijen) ondertekende aanrijdingsformulier en de verklaringen van [betrokkene] die worden ondersteund door de verklaringen van [eigenaresse auto 2] en [partner] . De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van [verzoeker] dat hij al 20 à 30 seconden op de betreffende rijbaan reed. Deze verklaring strookt niet met de overige stukken en zelfs niet met de verklaring van bijrijder [getuige 1] . De rechtbank gaat er verder van uit dat, zoals [betrokkene] verschillende keren heeft verklaard, [verzoeker] geen richtingaanwijzer heeft gebruikt en dat [betrokkene] nog heeft geprobeerd te remmen, maar dat dit niet meer ging. De precieze plaats van het ongeval kan de rechtbank niet vast stellen, maar deze is gelet op het voorgaande ook niet relevant voor de beoordeling.

4.17.

De rechtbank gaat er niet van uit dat, zoals [verzoeker] stelt, [betrokkene] in slaap is gevallen. Geen van de betrokkenen heeft dit werkelijk gezien en ook overigens ziet de rechtbank geen enkele reden om aan te nemen dat daarvan sprake is geweest.

4.18.

Uitgaande van de voornoemde toedracht, moet vervolgens de vraag worden beantwoord of [betrokkene] onder deze omstandigheden een verwijt treft. De rechtbank overweegt in dit verband dat een bestuurder op grond van artikel 19 RVV in staat moet zijn om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. De bepaling heeft echter niet zonder meer en altijd tot gevolg dat een bestuurder die achterop een ander voertuig botst kan worden verweten dat hij te weinig afstand heeft bewaard. De verplichting van artikel 19 RVV gaat niet op indien de bestuurder door een andere bestuurder in een zodanige situatie wordt gebracht dat hij zijn voertuig niet tijdig tot stilstand kán brengen. Dit laatste is hier naar oordeel van de rechtbank voorgevallen. Er moet van worden uitgegaan dat [verzoeker] plotseling, zonder richtingaanwijzer te gebruiken, met een aanzienlijk lagere snelheid dan [betrokkene] , naar de rijstrook van [betrokkene] is gewisseld. Op een dergelijke gevaarlijke manoeuvre heeft [betrokkene] niet kunnen, noch behoeven te anticiperen. Door de manoeuvre van [verzoeker] ontstond tussen beide voertuigen een zodanig korte afstand dat een aanrijding niet viel te voorkomen, ondanks de poging van [betrokkene] daartoe. Dat [betrokkene] nog naar links had kunnen uitwijken is niet gebleken. Zoals reeds overwogen ziet de rechtbank ook geen verkeersfout in de snelheid van [betrokkene] en wordt ook het vermeende in slaap vallen niet aangenomen.

4.19.

[verzoeker] heeft zich nog beroepen op een omkering van de bewijslast omdat vast zou staan dat [betrokkene] te weinig afstand heeft gehouden. Dit betoog gaat hoe dan ook niet op nu, zoals is overwogen, [verzoeker] plots van baan wisselde waardoor [betrokkene] hem niet meer kón ontwijken.

4.20.

De slotconclusie is dat het ongeval niet te wijten is aan het rijgedrag van [betrokkene] , maar aan de manoeuvre van [verzoeker] . Van onrechtmatig handelen van [betrokkene] richting [verzoeker] is dus geen sprake. Daarmee bestaat geen grond voor het aannemen van aansprakelijkheid van Achmea. Het verzoek onder 3.1.a) zal dan ook worden afgewezen. Dit betekent dat ook het verzoek van [verzoeker] onder 3.1.b) om Achmea te veroordelen tot het betalen van een voorschot van € 5.000, zal worden afgewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.21.

[verzoeker] verzoekt - zie 3.1.c) - dat de rechtbank Achmea veroordeelt tot vergoeding van de buitengerechtelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand op de voet van artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Dit verzoek wordt afgewezen. Nu de aansprakelijkheid van Achmea voor de door [verzoeker] gestelde (letsel)schade niet vast staat en derhalve niet kan worden verondersteld dat een wettelijke verplichting tot schadevergoeding van de zijde van Achmea bestaat, biedt artikel 6:96 lid 2 onder b BW in beginsel geen grondslag voor vergoeding van de door [verzoeker] gemaakte buitengerechtelijke kosten.

Kosten deelgeschil

4.22.

Op grond van artikel 1019aa Rv moet begroting plaatsvinden van de kosten van de behandeling van het verzoek in deelgeschil aan de zijde van [verzoeker] , ook als de verzoeken worden afgewezen. Dit is alleen anders als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Dit laatste is naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. Bij de kostenbegroting moet de dubbele redelijkheidstoets die besloten ligt in artikel 6:96 lid 2 BW worden toegepast: het moet redelijk zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten moet eveneens redelijk zijn.

4.23.

De advocaat van [verzoeker] heeft de kosten van het deelgeschil begroot op € 3.500, zijnde de fixed fee die met de rechtsbijstandsverzekeraar van [verzoeker] is afgesproken. De advocaat heeft toegelicht dat dit bedrag is gebaseerd op 14 uren maal een uurtarief van € 250. In werkelijkheid zijn volgens de advocaat echter meer uren gemaakt, hetgeen is onderbouwd met specificaties.

Zowel het aantal uren als het uurtarief acht de rechtbank redelijk in deze zaak (die hoewel inhoudelijk niet complex, al wel een tijd loopt). Dat betekent dat de rechtbank de kosten vaststelt op een bedrag van (€ 3.500 (excl. btw) plus € 952 aan griffierecht is) € 4.452.

4.24.

Nu de aansprakelijkheid van Achmea in deze procedure niet is komen vast te staan, zal het verzoek van [verzoeker] om Achmea in de kosten van deze procedure te veroordelen, worden afgewezen. Het begrote bedrag is uitsluitend verschuldigd als de aansprakelijkheid van Achmea alsnog (in rechte) komt vast te staan.

4.25.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

begroot de kosten van dit deelgeschil aan de zijde van [verzoeker] zoals bedoeld in artikel 1019aa Rv op een bedrag van € 4.452 (€ 3.500 excl. btw plus € 952 aan griffierecht);

5.2.

wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.H. Erich en in het openbaar uitgesproken door

mr. D. Nobel op 30 augustus 2021.