Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:12479

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-01-2021
Datum publicatie
13-12-2021
Zaaknummer
NL21.251
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amersfoort Bestuursrecht zaaknummer: NL21.251

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. T.R. Hüpscher), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL21.252, plaatsgevonden op 19 januari 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

2. Eiser beschouwt allereerst zijn zienswijze van 4 januari 2021 als herhaald en ingelast. Verweerder is op de zienswijze ingegaan in het bestreden besluit. Nu eiser niet concreet heeft gemaakt op welk punt van zijn zienswijze verweerder onvoldoende is ingegaan gaat de rechtbank hieraan voorbij.

3. Eiser voert aan dat verweerder geen rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke

omstandigheden en ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser werd in Italië als slaaf behandeld. Hij moest dag en nacht werken in ruil voor onderdak en eten en kreeg geen loon betaald. Eiser had geen andere keuze dan dit te accepteren om te overleven. Hij kon of durfde zich niet te wenden tot de Italiaanse autoriteiten om hulp te vragen. Zijn toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling. Eiser voert verder aan dat hij door wat hem in Italië is overkomen aannemelijk heeft gemaakt dat er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij in Italië een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Tot slot voert eiser aan dat zijn eventuele overdracht naar Italië voorlopig niet mogelijk is vanwege de coronamaatregelen die in de Europese Unie gelden. Het ligt in de rede dat Nederland zijn asielverzoek in behandeling gaat nemen.

4. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit recent nog weer bevestigd in onder meer de uitspraken van 8 april 20201 en 15 oktober 20202. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval ten opzichte van Italië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd. Eiser heeft geen informatie overgelegd die aanleiding geeft voor het oordeel dat in Italië sprake is van systematische tekortkomingen in het Italiaanse asiel- en opvangsysteem.

5. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij in Italië als een slaaf werd behandeld. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt mogen stellen dat eiser hiervoor bescherming had moeten zoeken bij de Italiaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser is belemmerd om aangifte te doen of dat de Italiaanse autoriteiten hem geen bescherming kunnen of willen bieden. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer heeft te vrezen om opnieuw in dergelijke omstandigheden terecht te komen.

6. Tot slot overweegt de rechtbank dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat er onder voorwaarden en na afstemming met de Italiaanse autoriteiten overdrachten van Dublinclaimanten aan Italië plaatsvinden. Het is op dit moment nog niet bekend hoe en wanneer verweerder eiser aan Italië zal overdragen. Mocht blijken dat eiser niet kan worden overgedragen dan is dit een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel. Dit maakt de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig en staat er niet aan in de weg dat, als dat beletsel is opgeheven, eiser in beginsel alsnog kan worden overgedragen. De rechtbank ziet daarin geen reden om te oordelen dat verweerder de behandeling van de asielaanvraag van eiser op zich moet nemen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 20203 en 12 oktober 20204.

7. Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat met de overdracht van eiser aan de Italiaanse autoriteiten een situatie zal ontstaan die strijdig is met het Handvest of het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele

1. ECLI:NL:RVS:2020:986

2 ECLI:NL:RVS:2020:2449

3 ECLI:NL:RVS:2020:1032

4 ECLI:NL:RVS:2020:2408

vrijheden. Verweerder heeft in hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de behandeling van de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Dit betekent dat verweerder de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling heeft genomen en dat verweerder eiser mag overdragen aan Italië. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op

22 januari 2021

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Mr. L.A. Banga A.M. Zwijnenberg

Rechter Griffier

Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling

bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.