Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:12401

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-11-2021
Datum publicatie
15-11-2021
Zaaknummer
UTL-I-2009 028 458
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitlevering ter fine van strafvervolging aan Rwanda. De rechtbank verklaart uitlevering aan Rwanda toelaatbaar. De opgeëiste persoon zal in Rwanda vervolgd kunnen worden voor (medeplichtigheid aan) genocide en misdrijven tegen de menselijkheid. De opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat hij in Rwanda geen eerlijk proces zal krijgen. De rechtbank komt, mede op grond van monitoring reports die in eerdere uitleveringszaken zijn uitgebracht, tot het oordeel dat er geen vrees bestaat voor dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces. De rechtbank adviseert de minister van Veiligheid en Justitie ook in deze zaak het proces in Rwanda te laten waarnemen en de waarnemingsrapporten publiek toegankelijk te maken. Uiteindelijk zal de minister moeten beslissen of de opgeëiste persoon daadwerkelijk uitgeleverd zal worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Uitleveringskamer

Kenmerk UTL-I-2009 028 458
Raadkamernummer [-]

De rechtbank Den Haag, uitleveringskamer, doet de volgende uitspraak op een verzoek van de Rwandese autoriteiten tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,

wonende aan de [adres] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting ‘Alphen aan den Rijn’ aan de Eikenlaan te Alphen aan den Rijn,

verder te noemen: de opgeëiste persoon.

Overweging vooraf

Zoals de rechtbank hierna zal overwegen is op het verzoek (onder meer) toepasselijk de Wet

overlevering inzake oorlogsmisdrijven (hierna: WOO). De rechtbank zal om verwarring te

voorkomen in deze uitspraak niet de term ‘overlevering’ gebruiken, maar ‘uitlevering’.

De term overlevering lijkt in de praktijk uitsluitend verbonden aan het rechtshulpverkeer tussen Nederland en internationale gerechten en het rechtshulpverkeer binnen de Europese Unie. Rechtshulpverkeer met landen buiten de Europese Unie waarbij verzocht wordt personen van de rechtsmacht van een staat naar de rechtsmacht van een andere staat te brengen, pleegt te worden aangeduid als uitlevering. Daarom zal de rechtbank deze terminologie aanhouden in deze uitspraak.

1 Het verzoek tot uitlevering en de overgelegde stukken

1.1

Het verzoek tot uitlevering

Bij brief van gedateerd 17 juni 2021 (de rechtbank begrijpt: 17 augustus 2021) hebben de autoriteiten van Rwanda het Ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland een gewaarmerkt verzoek, gedateerd 9 augustus 2021, in de Engelse taal doen toekomen, strekkende tot uitlevering van de opgeëiste persoon voornoemd ter fine van strafvervolging (hierna ook: het uitleveringsverzoek).

Blijkens voormeld verzoek wordt de opgeëiste persoon in Rwanda verdacht van deelname aan de genocide in Rwanda in 1994.

Bij brief van 17 augustus 2021 van de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) aan het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie, is verzocht het door Rwanda gedane verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon in behandeling te nemen.

1.2

De door de verzoekende staat overgelegde stukken

Voormeld verzoek is vergezeld van en/of in voormeld verzoek is het volgende opgenomen:

  • -

    een authentiek afschrift van een, voor tenuitvoerlegging vatbaar, tegen de opgeëiste persoon door de daartoe bevoegde autoriteiten van de verzoekende staat gegeven bevel tot aanhouding van de opgeëiste persoon, betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;

  • -

    een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;

  • -

    de tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften;

  • -

    stukken met betrekking tot de identiteit van de opgeëiste persoon en zijn nationaliteit;

  • -

    informatie betreffende het verloop van de verjaringstermijn;

  • -

    eventuele garanties die door de verzoekende staat worden verstrekt;

  • -

    een brief van de Rwandese Prosecutor General gedateerd 12 juli 2021, waarin is opgenomen dat het uitleveringsverzoek van 2009 nog steeds geldig is en er geen veranderingen zijn in het eerder ingediende verzoek.

1.3

De overige stukken

In het uitleveringsdossier zijn voorts de volgende stukken opgenomen:

  • -

    een uittreksel van de Justitiële Documentatie van 27 juli 2021, betreffende de opgeëiste persoon;

  • -

    stukken met betrekking tot de voorlopige aanhouding en de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon;

  • -

    een proces-verbaal van verhoor ex artikel 14 lid 3 Uitleveringswet, d.d. 29 juli 2021, inhoudende dat de opgeëiste persoon niet akkoord gaat met verkorte uitlevering;

  • -

    de schriftelijke vordering van de officier van justitie te Rotterdam van

31 augustus 2021, bij de rechtbank binnengekomen op 2 september 2021, strekkende tot het in behandeling nemen van genoemd uitleveringsverzoek, alsmede inhoudende de vordering tot gevangenhouding van de opgeëiste persoon;

  • -

    de schriftelijke samenvatting van de officier van justitie te Den Haag, overgelegd ter zitting op 29 oktober 2021, houdende diens opvatting omtrent de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek;

  • -

    de pleitnotities van de raadsvrouw van de opgeëiste persoon, overgelegd ter zitting op 29 oktober 2021.

2 De inhoud van het verzoek


Blijkens het uitleveringsverzoek zijn de Rwandese autoriteiten voornemens om de opgeëiste persoon te vervolgen voor de volgende feiten, omschreven in het uitleveringsverzoek als ‘charges’ en in het bevel tot aanhouding als ‘counts’:

i. i) Genocide;

ii) Medeplichtigheid aan genocide;

iii) Samenspannen tot genocide;

iv) Moord als misdrijf tegen de menselijkheid;

v) Uitroeiing als misdrijf tegen de menselijkheid.

De feiten zijn volgens het uitleveringsverzoek gepleegd in de periode 6 april 1994 tot en met 4 juli 1994 in Rwanda.

Aan deze verdenking worden door de verzoekende staat de volgende feiten ten grondslag gelegd.

De opgeëiste persoon is getrouwd met [naam 1] en was director bij het [organisatie 1] . In de feitenomschrijving is opgenomen dat de opgeëiste persoon onderdeel was van [organisatie 2] en [organisatie 3] . De beschuldiging in Rwanda is dat hij gedurende de genocide in Rwanda alleen dan wel samen met leden van het leger (ex-Forces Armee Rwandese), [burgermilitie 1] leiders, interim overheid en anderen de [burgermilitie 1] milities onder zijn supervisie heeft voorbereid, heeft gefaciliteerd en voorzien heeft van materialen in verschillende regio’s, waaronder Byangabo, Busogo, Rwinzovu, Shingiro, Kerara, Nyabirehe in Mukingo Commune en Nkuri Commune in de Ruhengeri Prefecture en Karago Commune in Gisenyi Prefecture, Replubliek Rwanda. De opgeëiste persoon zou alleen of tezamen en in vereniging met anderen, waaronder [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] . [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben gedood, leden van de [burgermilitie 1] en andere burgermilities zoals [burgermilitie 2] hebben getraind, aangemoedigd, bewapend en voorzien hebben van inlichtingen en met lokale bestuurders de distributie van wapens georganiseerd en gepland hebben. Zo zou de opgeëiste persoon een militie genaamd ‘[burgermilitie 3]’ gefinancierd en mede opgericht hebben, een rol gespeeld hebben bij de moord op verschillende families, toegezien hebben op verschillende moorden bij wegblokkades waar [slachtoffer 3] zijn vermoord, milities hebben aangespoord om [slachtoffer 3] te vermoorden en hun middelen hebben gegeven zoals auto’s om naar de gebieden te gaan.

De rechtbank heeft geconstateerd dat in de korte aanduiding van de aanklacht op pagina 2 van het aanhoudingsbevel van de opgeëiste persoon complicity in genocide twee keer wordt genoemd. In de feitelijke uiteenzetting op pagina 3 en verder in het aanhoudingsbevel is echter sprake van dezelfde vijf counts als de charges die in het uitleveringsverzoek zijn genoemd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de dubbele vermelding van complicity in genocide op een vergissing berust.

3 Het onderzoek ter zitting

2.1

De behandeling

Het onderzoek ter zitting is in het openbaar gehouden op 29 oktober 2021. Aldaar is mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder 1. genoemde stukken.

De opgeëiste persoon, ter zitting verschenen - en bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. Temminck Tuinstra - heeft verklaard dat hij niet degene is die in het uitleveringsverzoek wordt genoemd, dat hij op dit moment stateloos is en dat hij zich tegen de gevraagde uitlevering verzet.

Namens het openbaar ministerie zijn verschenen de officieren van justitie mrs. J.M. Stad en E.M.A.F. Vos, hierna te noemen: de officier van justitie.

2.2

Het standpunt van de opgeëiste persoon

Namens de opgeëiste persoon is bepleit dat de opgeëiste persoon niet degene is waar het uitleveringsverzoek en arrestatiebevel op zien, nu zijn naam anders gespeld is, een andere geboorteplaats wordt genoemd en de vader die in het arrestatiebevel genoemd wordt, niet zijn vader is. Voorts is bepleit dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard.

Er is sprake van een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De mensenrechtelijke situatie in Rwanda is aanzienlijk verslechterd, zoals blijkt uit een groot aantal kritische rapporten en (nieuws)artikelen. Daarnaast is er sprake van een reëel risico op schending van artikelen 2 en 3 EVRM vanwege een reëel gevaar op foltering en/of onmenselijke detentieomstandigheden. Voorts komt de opgeëiste persoon geen effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM toe. Tot slot is namens de opgeëiste persoon een beroep op de hardheidsclausule gedaan.

2.3

De opvatting van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het verzoek tot uitlevering toelaatbaar dient te worden verklaard. Aan de formele vereisten is voldaan. Daarnaast kan er op grond van de door Rwanda gegeven garanties en de Rwandese Transfer Law van worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon in Rwanda een eerlijk proces zal krijgen.

Waar nodig zal hierna op specifieke standpunten van de opgeëiste persoon en de officier van justitie nader worden ingegaan.

3 Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering

3.1

Inleiding

De Uitleveringswet (hierna: UW) kent diverse gronden om een uitlevering te weigeren. In multilaterale en bilaterale verdragen zijn daarnaast veelal nog aanvullende gronden opgenomen. De opgeëiste persoon kan zich in de uitleveringsprocedure rechtstreeks beroepen op die bepalingen. In Nederland kent men echter wel een strikte scheiding tussen de bevoegdheden van de uitleveringsrechter enerzijds en de minister anderzijds. Het is aan de uitleveringsrechter om te oordelen over de toelaatbaarheid van de uitlevering, terwijl de minister dient te beslissen of het verzoek wordt ingewilligd (waarbij hij overigens wel is gebonden aan het oordeel van de uitleveringsrechter tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering). Dit brengt met zich dat niet alle weigeringsgronden die de UW en de verdragen kennen zijn onderworpen aan het oordeel van de uitleveringsrechter. De uitleveringsrechter is - voor zover dit niet reeds uit de UW volgt - enkel bevoegd om over weigeringsgronden te oordelen, indien daarvoor geen beoordeling van de politieke situatie en rechtspleging in de verzoekende staat nodig is, die toegang tot voor de rechter gesloten informatiebronnen vereist, er niet onderhandeld hoeft te worden over eventueel aanvullende garanties en er geen afwegingen moeten worden gemaakt waarbij beleidskeuzes een rol spelen. Het toetsingskader van de uitleveringsrechter is derhalve vele malen beperkter dan dat van de minister. De uitleveringsrechter kan de minister in een advies bij de uitspraak echter wel over alle aspecten adviseren.

De rechtbank zal vorenstaande als uitgangspunten nemen bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek. Voor zover van belang zal zij naar aanleiding van de gevoerde verweren verder ingaan op de bevoegdheidsverdeling tussen enerzijds de minister en anderzijds de uitleveringsrechter. Voor zover namens de opgeëiste persoon is verwezen naar

buitenlandse uitleveringsprocedures, merkt de rechtbank op dat Nederland één van de

weinige landen is die een bevoegdheidsverdeling, zoals hierboven uiteen is gezet, kent. Dit maakt dat beslissingen in buitenlandse procedures, - zeker wanneer deze zijn gestoeld op een ander rechtssysteem, -niet of nauwelijks te vergelijken te zijn met de criteria die de uitleveringsrechter in Nederland in de beoordeling kan betrekken.

3.2

Toepasselijke wetten en verdragen

Op het verzoek is naast de WOO en de UW, het op 9 december 1948 te Parijs tot stand

gekomen Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide (hierna:

Genocideverdrag) van toepassing. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat het

Genocideverdrag op zichzelf geen verdragsbasis biedt voor uitlevering met betrekking tot

misdrijven tegen de menselijkheid. Blijkens de door de verzoekende staat uiteengezette feiten in de Indictment kunnen deze feiten worden aangemerkt als genocide en misdrijven tegen de menselijkheid. Charges 4 en 5 in het uitleveringsverzoek (Count 5 en 6 in de Indictment) zien op moord en uitroeiing als misdrijf tegen de menselijkheid. Anders dan genocide is voor misdrijven tegen de menselijkheid niet vereist dat het feit begaan is met de bedoeling om een nationale, etnische, godsdienstige groep, dan wel een groep behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen, zoals dat is omschreven in de Nederlandse vertaling van artikel 2 van het Genocideverdrag. Charges 4 en 5 leest de rechtbank als onderdeel van het in de Indictment uiteengezette feitencomplex. Dat betekent dat deze feiten als onderdeel van dat feitencomplex zowel als genocide als misdrijven tegen de menselijkheid worden aangemerkt, nu bij de omschrijving van deze feiten ook expliciet is opgenomen dat deze feiten zijn begaan tegen [slachtoffer 3] . Daarmee hebben deze feiten betrekking op een in artikel 2 van het Genocideverdrag aangeduide groep. Naar het oordeel van de rechtbank biedt daardoor het Genocideverdrag ook voor deze feiten een toereikende verdragsbasis voor uitlevering.

3.3

Genoegzaamheid van de stukken

Het verzoek is schriftelijk gedaan en is rechtstreeks toegezonden aan de minister. Het verzoek is conform artikel 18 van UW vergezeld van de onder 1.2 genoemde vereiste stukken. Uit de stukken volgt dat er tegen de opgeëiste persoon een verdenking bestaat dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan genocide, medeplichtigheid aan en samenspannen tot genocide, moord en uitroeiing als misdrijven tegen de menselijkheid, gepleegd in de periode 6 april tot en met 4 juli 1994 in de Republiek Rwanda, zoals hiervoor onder 2. opgenomen. Het is in de uitleveringsprocedure niet aan de rechter om te toetsen of er voldoende onderbouwing is voor die verdenking.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn. Voorts heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij in Rwanda werkzaam was bij [organisatie 1] en dat hij getrouwd is geweest met [naam 1] . De rechtbank stelt op grond daarvan vast dat de opgeëiste persoon de persoon is op wie het uitleveringsverzoek en het arrestatiebevel zien. De stukken zijn zodoende genoegzaam.

3.4

Dubbele strafbaarheid en strafbedreiging met vrijheidsstraffen van tenminste één jaar

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de UW kan uitlevering alleen worden toegestaan indien er zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar het recht van Nederland, een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd voor het strafbare feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht.

De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht zijn genocide, medeplichtigheid aan en samenspannen tot genocide en moord en uitroeiing als misdrijf tegen de menselijkheid. Deze feiten zijn naar Rwandees recht strafbaar en daarvoor kan telkens een vrijheidsstraf van meerdere jaren worden opgelegd, terwijl die feiten naar Nederlands recht als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar zijn en daarvoor telkens een vrijheidsstraf van meerdere jaren kan worden opgelegd.

3.5

Ne bis in idem en verjaring

Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt ingevolge artikel 9 van de UW niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan - kort gezegd - de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd dan wel is vervolgd en hernieuwde vervolging naar Nederlands recht is uitgesloten of voor een feit dat is verjaard. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 juli 2021 betreffende de opgeëiste persoon, is van een dergelijke situatie geen sprake. Evenmin is naar Rwandees of Nederlands recht sprake van verjaring.

3.6

Vervolging wegens een politiek delict

Op grond van artikel 11 van de UW vindt uitlevering niet plaats voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten. Daar zijn geen aanwijzingen voor. Bovendien is in artikel 12 van de Wet internationale misdrijven en artikel VII van het Genocideverdrag bepaald dat in de wet/het verdrag beschreven misdrijven voor de toepassing van de UW of de WOO niet worden beschouwd als strafbare feiten van politieke aard.

3.7 (

Dreigende) schending van fundamentele mensenrechten

In beginsel dient bij uitleveringszaken bij de beoordeling te worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten zal respecteren (vgl. Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).

Blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463) is het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van het EVRM voorbehouden aan de minister. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.

Uit voormelde jurisprudentie volgt voorts dat het oordeel omtrent een beroep op een dreigende schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM in de regel niet aan de uitleveringsrechter is. Hierop kan een uitzondering bestaan indien bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM ten dienste staat.

Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt echter niet snel dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De Hoge Raad (HR 17 juni 2014, ECLI:NL:2014:1441) heeft in voornoemd arrest herhaald dat de rechter op grond van zijn toetsing aan artikel 6 EVRM de uitlevering slechts ontoelaatbaar kan verklaren indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge artikel 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke verdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering.

Aan een beoordeling van een beroep op een voltooide schending van artikel 6 van het EVRM, komt de uitleveringsrechter bij een uitleveringsverzoek ter fine van strafvervolging niet toe, omdat pas na de berechting in de verzoekende staat kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. Dit is anders bij een verzoek tot uitlevering ter fine van strafexecutie, in welk geval de uitleveringsrechter wel dient te beoordelen of sprake is van een voltooide flagrante inbreuk op artikel 6 van het EVRM.

Hoewel de uitleveringsrechter aldus slechts kan oordelen over een beroep op een voltooide schending van artikel 3 van het EVRM, een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het EVRM bij vervolgingsuitlevering en een voltooide flagrante schending van artikel 6 van het EVRM bij uitlevering ter fine van strafexecutie, kan hetgeen is aangevoerd omtrent een (dreigende) schending van artikel 3 of 6 van het EVRM wel aanleiding vormen voor de uitleveringsrechter om eventuele opvattingen kenbaar te maken in het advies aan de minister als bedoeld in artikel 30 van de UW.

Gelet op al het vorenstaande kan het namens de opgeëiste persoon gedane beroep niet tot de conclusie leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Van een voltooide schending van artikel 3 van het EVRM is immers geen sprake en zulks is overigens ook niet aangevoerd. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, noch dat de opgeëiste persoon daartegen geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM ter dienste staat. Het beroep wordt derhalve verworpen.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Op basis van het vertrouwensbeginsel dient ervan te worden uitgegaan dat de verzoekende staat – Rwanda – de in het uitleveringsverzoek gegeven garanties die een eerlijk proces tegen de opgeëiste persoon moeten waarborgen, zal naleven. Die garanties, weergegeven in het uitleveringsverzoek als Fair Trial Guarantees, zijn vergelijkbaar met de garanties gegeven in de zaak die heeft geleid tot eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad (HR 17 juni 2014, ECLI:NL:2014:1441) en tot het arrest van de Hoge Raad dat eveneens een uitlevering naar Rwanda betrof (HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:133). Ook in de onderhavige zaak ziet de rechtbank in die garanties in zijn algemeenheid een voldoende waarborg voor een eerlijk proces.

Dit kan slechts anders komen te liggen als er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de

verzoekende staat de op hem rustende verplichtingen in het onderhavige geval niet naar

behoren zal nakomen. Een daarop gestoeld verweer moet voldoende concreet onderbouwd

zijn. De verdediging heeft in dat kader aangevoerd dat de opgeëiste persoon — ondanks de

door Rwanda gegeven garanties — door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan een

flagrante inbreuk op de hem toekomende rechten uit artikel 6 EVRM. Dit risico is onderbouwd met de argumenten dat de algemene mensenrechtensituatie

in Rwanda op dit moment sterk is verslechterd en een eerlijk proces onmogelijk maakt en dat er verschillende rechtszaken zijn waar in nieuwsberichten verslag wordt gedaan van (zeer) slechte detentieomstandigheden, beïnvloeding van de rechtspleging en het ontbreken van de onschuldpresumptie. Ook is specifiek verwezen naar de zaak van [naam 2] .

De rechtbank ziet dat uit de door de verdediging genoemde rapportages en nieuwsberichten een zorgelijk beeld van de algemene mensenrechtensituatie in Rwanda en het recht op een eerlijk proces in commune strafzaken rijst. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van deze rapportages en nieuwsberichten echter niet de conclusie worden getrokken dat dat in deze specifieke zaak van de opgeëiste persoon zal leiden tot een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM. Anders dan (steeds) het geval is in de in de rapportages en nieuwsberichten genoemde zaken, is op de onderhavige uitlevering de Transfer Law van toepassing met de daarin opgenomen garanties, die overgedragen zaken met de nodige waarborgen omkleedt. In de procedures van eerdere zaken waarin Nederland personen aan Rwanda heeft uitgeleverd en die ook onder de Transfer Law vallen, rapporteert de International Commission of Jurist (ICJ Kenya) regelmatig in een monitoring report. Uit deze monitoring reports volgen geen directe indicaties dat moet worden gevreesd voor een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het EVRM met betrekking tot de opgeëiste persoon. Ook blijkt dit - anders dan de verdediging suggereert- niet uit de monitoringsrapporten van ICJ Kenya in de zaken van eerder door Nederland aan Rwanda uitgeleverde personen. Uit die monitoringsrapporten komt naar voren dat er obstakels zijn ten aanzien van onder meer financiering, de mogelijkheden de verdachten te bezoeken in verband met Covid-19 en vertraging in de procedure. Uit deze rapporten blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat de algehele gang van zaken een flagrante inbreuk op het recht op een eerlijk proces oplevert. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat niet is gebleken van een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het EVRM.

Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat tegen een eventuele schending van het recht op een eerlijk proces geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM ten dienste staat. Het enkele standpunt dat de rechtspraak in Rwanda niet onafhankelijk is en dat Rwanda geen partij meer is bij de African Court on Humans and People’s Rights of dat uitspraken van dat hof door Rwanda naast zich neer worden gelegd, brengt op zichzelf niet met zich mee dat moet worden geconcludeerd dat er geen effectief rechtsmiddel is; temeer nu processen onder de Transfer Law worden gemonitord. Door die monitoring is niet aannemelijk dat de opgeëiste persoon na diens uitlevering niet een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste zal staan. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat de verzoekende staat onder de gegeven garanties het recht van hoger beroep heeft genoemd dat de opgeëiste persoon toekomt op grond van het Rwandese wetboek van strafvordering. Een hoger beroepsrechter kan een eventueel in eerste aanleg plaatsgevonden schending in het strafproces herstellen of compenseren.

3.8

Tot slot

Het namens de opgeëiste persoon aangevoerde omtrent zijn hoge leeftijd en persoonlijke omstandigheden is geen omstandigheid die voor de rechtbank als uitleveringsrechter tot het oordeel kan leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Uit artikel 10, tweede lid, van de UW volgt immers dat het de minister is die heeft te beslissen of zich het geval voordoet dat de gevolgen van de uitlevering voor de opgeëiste persoon van bijzondere hardheid zouden zijn gelet op diens hoge ouderdom of slechte gezondheidstoestand. Namens de opgeëiste persoon is ter zitting ook overigens niets van zodanige strekking naar voren gebracht, dat de rechtbank daarin een beletsel voor de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering zou moeten zien, terwijl de rechtbank ook ambtshalve niet van zodanig beletsel is gebleken.

Voor zover namens de opgeëiste persoon is bepleit dat het beginsel van goede rechtsbedeling maakt dat de (eventuele) strafrechtelijke vervolging van de opgeëiste persoon in Nederland dient plaats te vinden en niet in Rwanda, merkt de rechtbank op dat dit niet ter beoordeling van de uitleveringsrechter is.

4 De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen

Op de beslissing zijn de volgende verdrags- en wetsartikelen van toepassing:

- artikelen 2, 18, 26 en 28van de Uitleveringswet;

- artikelen 1, 2 en 6 van de Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven;

- artikelen II, III, IV van het Genocideverdrag;

- artikel 48 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- artikelen 2, 3 en 4 van de Wet internationale misdrijven.

5 Beslissing

De rechtbank:

verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de Rwandese autoriteiten van [de opgeëiste persoon] voornoemd ter fine van strafvervolging ter zake van de onder 2. genoemde feiten.

Deze uitspraak is gewezen door:

mr. M.T. Renckens, voorzitter,

mr. A.M.A. Keulen, rechter,

mr. N.I.S. Boers, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. F. Kok, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 12 november 2021.

Rechtbank den haag

Strafrecht

Uitleveringskamer

Kenmerk UTL-I-2009 028 458
Raadkamernummer [-]

Advies inzake uitlevering aan de minister van Justitie en Veiligheid

De rechtbank Den Haag, uitleveringskamer, heeft bij uitspraak van heden, 12 november 2021, de uitlevering aan Rwanda van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,

wonende aan de [adres] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting ‘Alphen aan den Rijn’ aan de Eikenlaan te Alphen aan den Rijn,

verder te noemen: de opgeëiste persoon,

toelaatbaar verklaard. Een gewaarmerkt afschrift van deze uitspraak wordt u hierbij gezonden.

De rechtbank adviseert u in overwegingen omtrent de beslissing of de uitlevering ook daadwerkelijk kan worden toegestaan het navolgende te betrekken.

De rechtbank heeft met zorg kennis genomen van de berichten over het proces van [naam 2] , waarin veelvuldig gerefereerd wordt aan onder meer beïnvloeding van de rechtspleging en veronachtzaming van de onschuldpresumptie, ook door de president van Rwanda. Weliswaar zal de opgeëiste persoon onder de zgn. Transfer Law en niet voor commune delicten worden berecht, maar de berichtgeving geeft ernstig te denken. De rechtbank adviseert u daarom de Kenyan Sector van de International Commission of Jurists (hierna: ICJ Kenya) het proces en de detentieomstandigheden nauwlettend te laten monitoren.

Door de Rwandese autoriteiten zijn garanties gegeven voor een eerlijk proces. Deze zijn

gecodificeerd in onder meer artikel 14 van de op de onderhavige zaak van toepassing zijnde

Law 47/2013 van 16 juni 2013, inzake de overdracht van zaken aan de Republiek Rwanda

(hierna: Transfer Law). Op grond van de Transfer Law vindt berechting plaats door een

speciale kamer van het High Court in Kigali. Daarnaast kent de Transfer Law bepaalde

procedurele waarborgen, zoals immuniteit voor de advocaten die een verdachte in deze soort

zaken bijstaan. De personen die verdacht en veroordeeld worden onder het regime van de

Transfer Law ondergaan hun hechtenis respectievelijk gevangenisstraf in afzonderlijke,

speciaal voor hen ingerichte (afdelingen van) penitentiaire faciliteiten.

Ten behoeve van een berechting onder deze Transfer Law heeft Nederland eerder de

uitlevering van drie personen aan Rwanda toegestaan, te weten [naam 3] , [naam 4]

en [naam 5] . Deze rechtbank heeft ook de uitlevering van [naam 6] toelaatbaar verklaard maar deze zaak bevindt zich nog in de cassatiefase. De Rwandese strafzaken tegen [naam 3] en [naam 4] zijn nog niet afgerond, maar door ICJ Kenya zijn wel driemaandelijks zogenaamde monitoring reports vrijgegeven. Ook het proces van [naam 5] zal worden gemonitord.

De rechtbank adviseert u om - indien u de verzochte uitlevering van de opgeëiste persoon toestaat - ook het proces in de onderhavige zaak te doen waarnemen en de waarnemingsrapporten publiek toegankelijk te maken.

De rechtbank geeft u voorts in overweging om het specialiteitsbeginsel te bedingen.

Deze uitspraak is gewezen door:

mr. M.T. Renckens, voorzitter,

mr. A.M.A. Keulen, rechter,

mr. N.I.S. Boers, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. F. Kok, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 12 november 2021.