Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:12393

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-01-2021
Datum publicatie
15-11-2021
Zaaknummer
NL20.22222 en NL20.22073
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring, TKB en IRV, art. 16 Terugkeerrichtlijn, strikte scheiding vreemdelingen en strafrechtelijk gedetineerden in DTC Rotterdam, geen aanleiding nader onderzoek, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.22222 en NL20.22073

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek-de Graaf).

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2020 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen bestreden besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 3 januari 2021 de maatregel van bewaring opgeheven.

Het onderzoek is op de zitting van 11 januari 2021 geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om nader onderzoek te verrichten.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 18 januari 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Albanese nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1995].

Over bestreden besluit 1 (NL20.22222)

2. In het terugkeerbesluit, dat tevens een inreisverbod van twee jaar omvat, heeft verweerder vermeld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan het terugkeerbesluit en inreisverbod ten grondslag heeft gelegd, niet heeft betwist.

4. Eiser voert aan dat verweerder in het gehoor voor het uitvaardigen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod ten onrechte heeft gezegd dat eiser op eigen kosten bijstand van een advocaat kan krijgen, maar niet heeft gewezen op de mogelijkheid van kosteloze rechtsbijstand. De besluiten zijn daarom onrechtmatig wegens strijd met artikel 5, vierde lid en artikel 6, derde lid onder c, van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft op grond van artikel 6, derde lid onder c, van het EVRM recht op kosteloze rechtsbijstand indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen en de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen. De rechtbank stelt vast dat de mededeling aan eiser in zoverre niet volledig is geweest. Niet is gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad. Eiser is namelijk in de gelegenheid gesteld om bijstand van een advocaat te krijgen bij het gehoor. Bovendien is eiser bij het gehoor voor de inbewaringstelling gewezen op zijn recht op kosteloze rechtsbijstand van een advocaat. Dit gehoor heeft rond dezelfde tijd plaatsgevonden als het gehoor voor het terugkeerbesluit en inreisverbod en is inhoudelijk vergelijkbaar. Eiser heeft ook bij dit gehoor geen gebruik willen maken van de mogelijkheid van (kosteloze) rechtsbijstand. Tot slot slaagt ook eisers beroep op artikel 5, vierde lid, van het EVRM niet nu het bestreden besluit 1 niet op zijn detentie ziet. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

6. Eiser voert verder aan dat verweerder van het uitvaardigen van het inreisverbod had moeten afzien, omdat het disproportioneel is. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de geografische ligging en status van Albanië. Eiser wordt te zeer beperkt in zijn recht op bewegingsvrijheid, zoals neergelegd in artikel 2 van het Vierde Protocol EVRM, omdat Albanië is omgeven door landen van de Europese Unie (EU). Daarbij zal Albanië op termijn toetreden tot de EU, waardoor eiser recht krijgt op vrij verkeer. Verweerder had hierop moeten anticiperen.

7. Naar het oordeel van de rechtbank zijn verweerders motivering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten voldoende om duidelijk te maken waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden hem geen aanleiding hebben gegeven van het uitvaardigen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. Eiser heeft er zelf voor gekozen om Nederland in te reizen met het doel om illegaal door te reizen naar het Verenigd Koninkrijk. De consequenties zijn daarmee het gevolg van eisers keuze en komen voor zijn rekening. Mede gelet op het risico van een herhaling van een dergelijke actie, acht de

1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).

2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

rechtbank het inreisverbod dan ook niet disproportioneel. De belangen van verweerder mogen zwaarder wegen. De beroepsgrond slaagt niet.

Over bestreden besluit 2 (NL20.22073)

8. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

9. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure zou ontwijken of belemmeren. In de maatregel heeft verweerder dezelfde gronden gehanteerd als die hierboven zijn genoemd bij het terugkeerbesluit. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een geldig terugkeerbesluit en dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd, niet heeft betwist.

10. Eiser voert aan dat de omstandigheden in het detentiecentrum Rotterdam in

strijd zijn met het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn en dat de vreemdelingenbewaring daarom onrechtmatig is. Volgens eiser zijn de vreemdelingen in het detentiecentrum Rotterdam in bepaalde situaties niet strikt gescheiden van de strafrechtelijk gedetineerden. Ten eerste stelt eiser dat de looproutes van vreemdelingen in bewaring die bezoek krijgen van hun advocaat met de looproutes van strafrechtelijk gedetineerden kruisen. Ten tweede stelt eiser dat in de wachtruimte waar in bewaring gestelde vreemdelingen verblijven in afwachting van het bezoek van hun advocaat, ook strafrechtelijk gedetineerden verblijven. Ter onderbouwing van deze stellingen verwijst de gemachtigde van eiser naar aantekeningen van een Videocursus Actualiteiten Vreemdelingenbewaring uit december 2020 van Stichting Migratierecht Nederland. In die cursus zou door meerdere advocaten zijn verklaard dat geen sprake is van de strikte scheiding die nodig is om de bewaring te laten voldoen aan artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. De gemachtigde van eiser verklaarde tot slot ter zitting over zijn eigen waarneming in het detentiecentrum Rotterdam.

11. Naar aanleiding van deze beroepsgrond heeft de rechtbank verweerder, voor zover van belang, verzocht om te onderzoeken of het juist is dat de looproutes van vreemdelingen in bewaring die bezoek krijgen van hun advocaat met de looproutes van strafrechtelijk gedetineerden kruisen en in de wachtruimte waar in bewaring gestelde vreemdelingen verblijven in afwachting van het bezoek van hun advocaat, ook strafrechtelijk gedetineerden verblijven.

12. Verweerder heeft in reactie op deze vragen verklaard dat navraag is gedaan bij het detentiecentrum Rotterdam en dat daaruit blijkt dat er nog steeds een strikte scheiding is tussen de vreemdelingen in bewaring en de strafrechtelijk gedetineerden. Ter zitting heeft verweerder verder toegelicht dat de gemachtigde van eiser geen concrete gevallen heeft

benoemd waarin geen sprake was van een strikte scheiding, waardoor ook niet gerichter navraag gedaan kon worden.

13. De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in haar uitspraak van 25 november 20203 geoordeeld dat in het detentiecentrum Rotterdam geen sprake is van een schending van artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn en dat het nagenoeg onmogelijk is dat vreemdelingen en strafrechtelijk gedetineerden met elkaar in contact kunnen komen. De ABRvS baseert zich voor dit oordeel op informatie van verweerder.

14. De rechtbank overweegt dat de gemachtigde van eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft gegeven om te twijfelen aan de juistheid van de door verweerder gestelde gang van zaken in het detentiecentrum Rotterdam. De gemachtigde van eiser verwijst naar wat collega’s tijdens een cursus hebben verklaard. Daarbij noemt hij echter geen concrete gevallen. Ook de eigen waarnemingen van de gemachtigde van eiser bieden geen aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat er geen strikte scheiding was tussen vreemdelingen en strafrechtelijk gedetineerden. Hij verklaart immers dat hij in het detentiecentrum het onderscheid tussen vreemdelingen en strafrechtelijk gedetineerden niet kon zien. De rechtbank ziet daarom geen reden voor nader onderzoek of om, in afwijking van de uitspraak van de ABRvS van 25 november 2020, te oordelen dat de situatie in het detentiecentrum Rotterdam strijd oplevert met het bepaalde in artikel 16, eerste lid van de Terugkeerrichtlijn. De beroepsgrond slaagt niet.

15. Eiser voert verder aan dat verweerder bij het gehoor voor de inbewaringstelling ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van een beëdigd tolk en dat verweerder ten onrechte het informatiebulletin ‘vreemdelingenbewaring’ niet heeft uitgereikt aan eiser tijdens het vertrekgesprek.

16. De rechtbank overweegt ten aanzien van de tolk dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat wel gebruik is gemaakt van een beëdigd tolk tijdens het gehoor. De tolk is genoemd met naam en komt voor in het tolkenregister. Eiser heeft dit niet bestreden. De beroepsgrond slaagt niet.

17. Ten aanzien van het uitreiken van het informatiebulletin overweegt de rechtbank dat niet vastgesteld kan worden of het daadwerkelijk is uitgereikt. Eiser heeft echter niet bestreden dat hij niet in zijn belangen is geschaad indien het informatiebulletin niet is uitgereikt. De nodige informatie over de vreemdelingenbewaring en het vervolg is aan eiser medegedeeld in het gehoor voorafgaand aan de bewaring en in het vertrekgesprek. De beroepsgrond slaagt om deze reden niet.

Over de beroepen

18. De beroepen tegen de bestreden besluiten zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 ECLI:NL:RVS:2020:2795.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af..

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

29 januari 2021

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.