Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:12381

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-10-2021
Datum publicatie
23-11-2021
Zaaknummer
NL21.15942
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en verbiedt verweerder verzoekers over te dragen aan de Deense autoriteiten totdat op het verzet is beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.15942


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster,

v-nummer: [V-nummer] ,

mede namens haar minderjarige zoon

(gemachtigde: mr. H.J. Janse),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Croonen).


Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 6 augustus 2021 heeft (de voorzieningenrechter van) de rechtbank het beroep zonder zitting (kennelijk) ongegrond verklaard1 en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen (in de procedure met zaaknummers NL21.11372 en NL21.11373).

Verzoekster heeft tegen de uitspraak op beroep verzet gedaan. Zij is vervolgens uitgenodigd voor de zitting van 1 november 2021, waar het verzet zal worden behandeld.

Bij verzoekschrift van 8 oktober 2021 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat overdracht achterwege blijft totdat op het verzet is beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op het verzoek om een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.2

2. Van zo’n situatie is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake. Uit vluchtgegevens blijkt dat verweerder voornemens is verzoekster en haar minderjarige zoon op 28 oktober 2021, om 9:45 uur, aan de Deense autoriteiten over te dragen.

3. Voordat de bestuursrechter uitspraak doet op het verzet, stelt hij de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd, in de gelegenheid op een zitting te worden gehoord, tenzij hij van oordeel is dat het verzet gegrond is.3 Verzoekster heeft in haar verzetschrift kenbaar gemaakt dat zij gehoord wil worden en die gelegenheid moet haar geboden worden. Het verzet zal worden behandeld op de zitting van 1 november 2021. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Voor zover verweerder stelt belang te hebben bij handhaving van de geplande overdracht vanwege de overdrachtstermijn, stelt de voorzieningenrechter vast dat de overdrachtstermijn op 10 december 2021 verloopt. Naar het oordeel van de rechtbank blijft na het doen van uitspraak voldoende tijd over voor verweerder om – indien nodig – een overdracht te realiseren.

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in de zin dat verzoekster en haar minderjarige zoon niet aan de Deense autoriteiten worden overgedragen totdat op het verzet is beslist.

5. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekster heeft gemaakt.4 De voorzieningenrechter stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 748,- (1 punt voor het verzoekschrift, met een wegingsfactor 1).

Beslissing


De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- verbiedt verweerder verzoekster en haar minderjarige zoon over te dragen totdat op het verzet is beslist;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 748,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. de Keuning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. De beslissing is partijen op 27 oktober 2021 telefonisch medegedeeld.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

1 Zie artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).

2 Zie artikel 8:83, vierde lid, van de Awb.

3 Zie artikel 8:55, vierde lid, van de Awb.

4 Zie artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.