Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:12253

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
10-11-2021
Zaaknummer
C/09/547363 / HA ZA 18-144
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBDHA:2019:1924. Schending bedrijfsgeheim ten aanzien van mengverhouding voor chloordioxide product. Bestuurdersaansprakelijkheid (stakingsbevel ook opgelegd aan bestuurder en bestuurder is naast vennootschap aansprakelijk voor schade).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/547363 / HA ZA 18-144

Vonnis van 4 augustus 2021

in de zaak van

BVBA AIME THOMAS SAFETY SECURITY ENVIRONMENT, te Hoeleden, België,

eiseres,

advocaat mr. S.W. van Zijll te Rotterdam,

tegen

1 EOX INTERNATIONAL B.V., te Den Haag,

2. [gedaagde 2], te [plaats 1] ,

3. COOL CLEANING LICENCY B.V., te Budel,

4. [gedaagde 4], te [plaats 2] ,

5. [gedaagde 5], te [plaats 2] ,

6. [gedaagde 6], te [plaats 3] ,

7. [gedaagde 7], zonder vaste woon- of verblijfplaats,

gedaagden,

advocaat mr. S.A.P. van den Berg te Den Haag.

Eiseres wordt hierna ATSSE genoemd. Gedaagden 1. t/m 7. zullen tezamen eOx cs genoemd worden en ieder voor zich eOx International, [gedaagde 2] , CCL, [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en [gedaagde 7] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 mei 2021, waarin een comparitie van partijen na deskundigenbericht is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de op 3 juni 2021 gehouden comparitie van partijen na deskundigenbericht en de daarin genoemde stukken, te weten productie XIV van ATSSE.

1.2.

De bij brieven van 28 en 29 juli 2021 gemaakte opmerkingen van de deskundigen en ATSSE over het buiten aanwezigheid van partijen en de deskundigen opgemaakte proces-verbaal van de comparitie van partijen na deskundigenbericht maken deel uit van de processtukken.

1.3.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in alle zaken

2.1.

De vorderingen van ATSSE zien op onrechtmatige verhaalsfrustratie en gestelde schending van bedrijfsgeheimen. De rechtbank heeft in de eerdere tussenvonnissen beslist dat het verwijt ter zake van de onrechtmatige verhaalsfrustratie slaagt en dat vordering I tot een bedrag van € 267.800 dient te worden toegewezen (hoofdelijk) ten aanzien van eOx International, CCL, [gedaagde 2] , [gedaagde 6] en [gedaagde 5] . De rechtbank voegt daaraan toe dat er geen grond is voor toewijzing van de door ATSSE gevorderde contractuele rente, aangezien deze gedaagden geen partij waren bij de overeenkomst tussen ATSSE en eOx Productie waarin deze rente is overeengekomen. De rechtbank zal wettelijke rente toewijzen over het hiervoor genoemde bedrag, vanaf de in de vordering genoemde datum van de dagvaarding (21 oktober 2017).

2.2.

Het geschil over de gestelde schending van bedrijfsgeheimen gaat over informatie die ATSSE heeft verstrekt aan eOx Productie ter uitvoering van een in 2008 gesloten overkomst, die eOx Productie het recht gaf een chloordioxide (ClO2) product, genaamd DIOXID S. 0.45% te produceren en commercialiseren. Deze overeenkomst is later uitgebreid met DIOXID SP 0.75% en bevatte een geheimhoudingsbepaling op straffe van een boete. De verwijten van ATSSE zijn toegespitst op het gebruik van de door haar verstrekte gegevens met betrekking tot DIOXID SP 0.75% in relatie tot (het door eOx International op de markt gebrachte) eOxide LQ (0,75%). Dat zijn allebei chloordioxide producten voor de desinfectie van drinkwater.

2.3.

DIOXID SP 0.75% bestaat uit twee componenten (A en B), die de gebruiker ter plaatse (in situ) moet mengen. Component A heeft één grondstof (natriumchloriet (NaClO2), 25% oplossing). Component A is op de markt beschikbaar. Component B moet worden gemaakt en bestaat uit twee grondstoffen (natriumbisulfaat, (NaHSO4) en natriumperoxodisulfaat, ook wel genoemd natriumpersulfaat (Na2S2O8)). Bij de productie is dus sprake van (i) een mengverhouding van stoffen in component B, die worden samengevoegd en (ii) een mengverhouding van hoeveelheden van de componenten A en B in het uiteindelijke product. Deze laatste stap, het mengen van de componenten A en B, geschiedt ter plaatse door de gebruiker. Bij het ter plaatse door de gebruiker samenvoegen van de componenten A en B volgens de daarvoor gegeven instructies ontstaat na zeven uur een chloordioxide product met een pH kleiner dan of gelijk aan 3, dat 30 dagen stabiel is en een concentratie ClO2 bevat tussen of gelijk aan 0.45% en 0.75%.

2.4.

ATSSE stelt dat eOx International de door haar uit hoofde van de overeenkomst met eOx Productie, aan eOx Productie verstrekte informatie met betrekking tot DIOXID SP 0.75% – na deze op onrechtmatige wijze, zonder toestemming van ATSSE te hebben verkregen van eOx Productie – gebruikt voor de productie van eOxide LQ (0,75%) of een opvolgend/ander chloordioxideproduct. eOx cs betwisten dit door aan te voeren dat eOx International gebruik maakt van de door [Y] ontwikkelde mengverhouding, waarover zij beschikt op grond van twee in 2007 gesloten overeenkomsten (zie onder 2.8 en 2.9 van het eerste tussenvonnis).

2.5.

In de eerdere tussenvonnissen is – samengevat en voor zover van belang – het volgende beslist:

2.5.1.

De ATSSE-mengverhouding (te weten de aan eOx Productie op grond van de overeenkomst met ATSSE verschafte informatie met betrekking tot (de bereiding van) DIOXID SP 0.75%) is een bedrijfsgeheim in de zin van artikel 39 lid 2 TRIPS Verdrag en het sinds 23 oktober 2018 geldende artikel 1 Wet bescherming bedrijfsgegevens (Wbb).

2.5.2.

ATSSE kan alleen optreden tegen het zonder haar toestemming verwerven, gebruiken en (aan derden) openbaar maken van (een ClO2 product bereid volgens) de ATSSE-mengverhouding, niet tegen het door eOx cs (betrokken zijn bij) produceren en vermarkten van ieder ander chloordioxide product.

2.5.3.

Op grond van de in rov. 4.35, 4.37 en 4.38 in het eerste tussenvonnis bedoelde stukken, waaruit volgt dat bij de mengverhouding die wordt gebruikt voor eOxide LQ (0,75%) twee componenten in dezelfde verhouding worden toegevoegd aan water als bij de ATSSE-mengverhouding voor DIOXID SP 0.75%, hetgeen na zeven uur leidt tot eenzelfde concentratie chloordioxide als in de ATSSE-mengverhouding, heeft de rechtbank voorshands als vaststaand aangenomen dat eOx International de ATSSE-mengverhouding (voor DIOXID SP 0.75%) heeft gebruikt voor de productie van eOxide LQ (0,75%). Daarbij is in aanmerking genomen dat:

( i) eOx Productie op grond van de overeenkomst met ATSSE beschikte over de ATSSE-mengverhouding,

(ii) de ATSSE-mengverhouding voor DIOXID SP 0.75% feitelijk is verstrekt aan [gedaagde 5] ,

(iii) [gedaagde 5] als getuige heeft verklaard dat hij de ATSSE-mengverhouding kende en deze had opgenomen in een productiedossier,

(iv) [gedaagde 5] betrokken was bij zowel eOx International als de zustervennootschap eOx Productie,

( v) gesteld noch gebleken is dat eOx International eOxide LQ (0,75%) produceerde voordat eOx Productie de beschikking kreeg over de ATSSE-mengverhouding.

2.5.4.

eOx cs zijn in de gelegenheid gesteld dit bewijsvermoeden te ontkrachten door het leveren van tegenbewijs, waarbij zij aannemelijk moeten maken dat eOx International de ATSSE-mengverhouding niet (heeft) gebruikt voor de productie van eOxide LQ 0,75% en/of een opvolgend/ander chloordioxideproduct.

2.5.5.

Dr. N.Th.M. Klooster, chemicus, (hierna: Klooster) en de heer ing. N.M. Keijser van Keijser Consultancy (hierna: Keijser, en tezamen met Klosster: de deskundigen) zijn, in het kader van het tegenbewijs waartoe eOx cs zijn toegelaten, als deskundigen benoemd ter beantwoording van de volgende vragen:

  1. Is voor de productie van eOxide LQ (0,75%) en/of een opvolgend/ander chloordioxideproduct van eOx International gebruik gemaakt van de mengverhouding van [Y]?

  2. Is voor de productie van eOxide LQ (0,75%) en/of een opvolgend/ander chloordioxideproduct (ook) gebruik gemaakt van de ATSSE-mengverhouding?

  3. Kan worden uitgesloten dat voor de productie van eOxide LQ (0,75%) en/of een ander opvolgend/ander chloordioxideproduct van eOx International gebruik is gemaakt van de ATSSE-mengverhouding?

  4. Hoe verhouden uw bevindingen zich met de inhoud van de onder 4.35, 4.37 en 4.38 van het tussenvonnis bedoelde stukken? Kunt u toelichten waarom uw bevindingen daarmee overeenstemmen dan wel daarvan afwijken?

  5. Is er een relevant verschil tussen de mengverhouding van [Y] en de mengverhouding van ATSSE? Zo ja, welk verschil? Zo nee, kunt u toelichten waarom er geen relevant verschil is?

  6. Heeft u verder nog iets op te merken dat u in deze zaak van belang vindt?

2.6.

Vaststaat dat ATSSE aan eOx Productie voor de productie van DIOXID SP 0.75% de componenten heeft opgegeven in een bepaalde hoeveelheid, van een bepaalde sterkte en te gebruiken in een bepaalde verhouding tot andere componenten (zie onder 2.13 in het eerste tussenvonnis). In deze e-mail staat “Deze B oplossing doorverdunnen zoals afgesproken.” Hieruit volgt dat ATSSE niet alleen de samenstelling van component B heeft verstrekt, zoals eOx cs aanvoeren, maar ook bereidingsinstructies. Dat betekent dat de als bedrijfsgeheim beschermde ATSSE-mengverhouding voor DIOXID SP 0.75% bestaat uit: (i) de samenstelling van component B en (ii) de bereidingswijze voor component B (onder meer met betrekking tot de volgorde en de wijze van samenvoegen van de grondstoffen en de benodigde (chemische) reactietijd van de samengevoegde stoffen). Daarnaast zijn er instructies voor de gebruikers voor het ter plaatse samenvoegen van component A en B. Die zijn openbaar en vallen dus niet onder het bedrijfsgeheim, net zo min als de uiteindelijke chloordioxide concentratie van het eindproduct.

2.7.

eOx cs voeren aan dat ATSSE gebruik heeft gemaakt van een octrooi van Küke. Het andersluidende standpunt van ATSSE wordt ondersteund door de deskundigen, die stellen dat de methode Küke gaat over een heel ander pH-bereik, een andere verhouding tussen chlorieten heeft, dat er extra buffers worden toegevoegd en er sprake is van een ander concentratiebereik. Tijdens de comparitie na deskundigenbericht heeft ing. [X] , de partijdeskundige van eOx cs, onderschreven dat er verschillen zijn tussen de methode Küke en die van ATSSE. Hij is echter van mening dat ATSSE dezelfde gedachte uit het Küke-octrooi gebruikt. Indien juist, is dat onvoldoende om te concluderen dat ATSSE geen bescherming mag inroepen voor de ATSSE-mengverhouding. Volgens de deskundigen heeft ATSSE gezien het geheel van gebruikte grondstoffen, de hoeveelheden en de concentraties hiervan, de details van de bereidingswijze van de individuele componenten en de voorschriften voor het in situ maken van het uiteindelijke chloordioxide product, de reactietijd, zuiverheid en tenslotte de houdbaarheid van dit product, iets geproduceerd dat niet uit bronnen van algemene informatie bekend is. Het deskundigenrapport vermeldt ook dat alle in de literatuur of op internet gevonden formuleringen, al of niet gecombineerd, hetzij een andere concentratie, een andere bereidingswijze, een andere samenstelling, een andere wachttijd (variërend met de temperatuur) of een andere houdbaarheidstermijn betreffen. Dit bevestigt de eerdere vaststelling dat de ATSSE-mengverhouding een bedrijfsgeheim is in de zin van artikel 39 lid 2 TRIPS Verdrag en het sinds 23 oktober 2018 geldende artikel 1 Wbb.

2.8.

De deskundigen hebben vastgesteld dat eOx International in de periode tussen 19 juni 2011 en 6 mei 2020, behoudens een aantal verwaarloosbare uitzonderingen, dezelfde samenstelling heeft gebruikt voor de productie van component B van eOxide LQ (0,75%). Over de daaraan voorafgaande periode zijn geen gegevens voorhanden. De deskundigen hebben vastgesteld dat de samenstelling die eOx International gebruikt voor component B afwijkt van die van ATSSE én van de samenstelling van [Y] voor de B component voor de 0.75% oplossing. Het standpunt van ATSSE dat de (combinatie van) samenstelling en bereidingswijze die eOx International gebruikt voor (de bereiding van) eOxide LQ (0,75%) identiek is/zijn aan die van ATSSE voor DIOXID SP (0.75%) gaat dus niet op. Er kan echter nog steeds sprake zijn van schending van het bedrijfsgeheim van ATSSE als komt vast te staan dat eOx International de ATSSE-mengverhouding heeft gebruikt voor de ontwikkeling van de (combinatie van) samenstelling en de bereidingswijze van component B van eOxide LQ (0,75%). eOx cs betwisten dat door aan te voeren dat zij gebruik hebben gemaakt van de samenstelling en de bereidingswijze van [Y], die zij in hun conclusie na deskundigenbericht alsnog in het geding hebben gebracht. Het bericht van [Y] aan eOx International luidt – voor zover relevant – als volgt:

[mail]

[mail]

2.9.

Alle drie de samenstellingen voor component B van de 0.75% oplossing (te weten die van ATSSE, [Y] en van eOx International) gebruiken dezelfde grondstoffen (natriumbisulfaat en natriumpersulfaat, opgelost in water). De onder 2.8 weergegeven bereidingswijze van [Y] wijkt af van de andere twee bereidingswijzen, aangezien begonnen wordt met de daar genoemde hoeveelheden grondstoffen op te lossen in 300 liter water en vervolgens na vermenging moet worden aangevuld tot 1.000 liter. Niet in geschil is dat eOx International deze bereidingswijze van [Y] niet gebruikt bij de productie van eOxide LQ (0,75%). eOx cs hebben de bevinding van de deskundigen, dat de bereidingswijze van eOx International niet sterk afwijkt van die van ATSSE niet gemotiveerd betwist. Zij betwisten echter dat eOx International de ATSSE-mengverhouding (heeft) gebruikt voor eOxide LQ (0,75%). Zij voeren daartoe aan dat, toen eOx International in 2011 begon met de productie van eOxide LQ (0.75%) conform de instructies van [Y], zij op het praktische probleem stuitte (1) dat de twee gebruikte grondstoffen in de door hem genoemde verhouding niet oplosten en (2) dat haar grootste geschikte mengtanks een volume van 1.000 liter hadden. Volgens eOx cs heeft eOx International toen in overleg met [Y] ervoor gekozen om de bereidingswijze aan te passen en in mengtanks van 1.000 liter – aanvankelijk – 275 kg natriumbisulfaat/natriumwaterstofsulfaat en 75 kg natriumpersulfaat op te lossen. De twee grondstoffen losten zo wel op, maar de chloordioxide concentratie bereikte niet de gewenste sterkte. Opnieuw in overleg met [Y] is er daarom voor gekozen om, onder handhaving van de wijze van mengen, de hoeveelheid natriumpersulfaat op te voeren van 75 kg tot 175 kg. Daarmee werd het gewenste resultaat wel bereikt, in een tank van 1.000 liter, aldus nog steeds eOx cs.

2.10.

eOx cs hebben deze stelling op geen enkele manier geconcretiseerd of onderbouwd, bijvoorbeeld met e-mailcommunicatie met [Y], gespreksaantekeningen of productielogboeken. Dat kan in dit vergevorderde stadium van het geschil, waarin zij in de gelegenheid zijn gesteld het bewijsvermoeden te ontkrachten, wel van haar worden verwacht. Een reden temeer om dit van hen te vergen, is het andersluidende standpunt dat zij eerder hebben ingenomen over de betrokkenheid van [Y] in de kortgedingprocedure over het door ATSSE gesteld ongeoorloofd gebruik van de ATSSE-mengverhouding. eOx cs stelden toen dat de door eOx International gebruikte mengverhouding volledig te herleiden en te verkrijgen is uit de NEN-normen en de artikelen van dr. Küke en dat “uitdrukkelijk […] nooit gebruik gemaakt [is] van de ‘formule’ van [Y]” (randnummer 157 appeldagvaarding in kort geding). eOx cs stelden toen dat alleen in Bulgarije met [Y] was samengewerkt. Dat volgt ook uit de als productie 29 bij de appeldagvaarding in kort geding gevoegde verklaring van [Y]. Na het sluiten van de licentieovereenkomst (in 2007) zou volgens eOx cs niet direct met [Y] zijn samengewerkt (randnummer 161 appeldagvaarding in kort geding). eOx cs stelden dat zij de formule van [Y] alleen hadden aangehaald om aan te tonen dat er meerdere methoden zijn om chloordioxideproducten te vervaardigen (randnummer 167 appeldagvaarding in kort geding).

2.11.

Nu iedere onderbouwing daarvoor ontbreekt, kan niet voor juist worden gehouden dat eOx International, uitgaande van de door [Y] verstrekte gegevens en in overleg met [Y] is gekomen tot de (combonatie van) samenstelling en bereidingswijze van component B van eOxide LQ (0,75%). Niet kan daarom worden aangenomen dat eOx International voor de productie van eOxide LQ 90.75% uitsluitend gebruik heeft gemaakt van de door [Y] verstrekte (combinatie van) de samenstelling en de bereidingswijze.

2.12.

In het deskundigenrapport staat dat de wat grotere hoeveelheid natriumbisulfaat die eOx International gebruikt voor eOxide LQ (0,75%), ertoe leidt dat de pH-waarde van component B, en ook die van het resultaat bij de gebruiker ter plaatse iets lager is. De deskundigen vinden dit verschil (van ongeveer 10%) niet significant en concluderen dat de samenstelling voor component B voor eOxide LQ (0,75%) vanuit chemisch oogpunt sterk aanverwant is aan die van ATSSE. De deskundigen hebben verder vastgesteld dat de bereidingswijze van component B van eOxide LQ (0,75%) niet relevant afwijkt van de instructies van ATSSE. Zij concluderen op basis daarvan dat eOx International de ATSSE-mengverhouding heeft gebruikt voor eOxide LQ (0,75%).

2.13.

De rechtbank onderschrijft deze conclusie en maakt die tot de hare. Nu het betoog van eOx cs over het in samenspraak met [Y] komen tot de sterk op die van ATSSE lijkende (combinatie van) samenstelling en bereidingswijze is verworpen, is er namelijk geen andere verklaring voor de door de deskundigen vastgestelde sterke gelijkenis tussen de (combinatie van) samenstelling en bereidingswijze van component B van DIOXID SP 0.75% en van eOxide LQ (0,75%). Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eOx International geen eOxide LQ (0,75%) produceerde voordat eOx Productie de beschikking kreeg over de ATSSE-mengverhouding, [gedaagde 5] betrokken was bij zowel eOx International als de zustervennootschap eOx Productie, ATSSE bij het verstrekken van de ATSSE-mengverhouding aan eOx Productie, de gegevens feitelijk heeft toegezonden aan [gedaagde 5] , die de ATSSE-mengverhouding kende en had opgenomen in een productiedossier. Deze feiten en omstandigheden wijzen erop dat [gedaagde 5] zijn bij eOx Productie verkregen kennis over de ATSSE-mengverhouding bij eOx International heeft aangewend voor de productie van eOxide LQ (0,75%). Dit blijft overeind als eOx cs gelijk hebben met hun standpunt dat beide producten weliswaar chemisch verwant zijn, maar dat de wat grotere hoeveelheid natriumbisulfaat die eOx International gebruikt leidt tot een significant ander product, met andere eigenschappen dan DIOXID SP 0.75%. Daarmee is namelijk niet weggenomen dat [gedaagde 5] de ATSSE-mengverhouding kende en dat niet kan worden aangenomen dat eOx International uitsluitend de formule en bereidingswijze van [Y] heeft gebruikt voor eOxide LQ (0,75%). Het bewijsvermoeden is dus niet ontkracht.

2.14.

De slotsom luidt dat eOx International de ATSSE-mengverhouding (voor DIOXID SP. 0.75%) op onrechtmatige wijze heeft verkregen en heeft gebruikt bij de ontwikkeling van een methode voor de productie van eOxide LQ (0.75%). eOx International heeft de ATSSE-mengverhouding zonder toestemming van ATSSE verkregen, via de overeenkomst met haar zusteronderneming eOx Productie met ATSSE. Gezien de omstandigheden die in aanmerking zijn genomen bij het bewijsvermoeden – die erop wijzen dat [gedaagde 5] zijn bij eOx Productie verkregen kennis over de ATSSE-mengverhouding bij eOx International heeft aangewend voor de productie van eOxide LQ (0,75%) – is de wijze van verkrijging van de ATSSE-mengverhouding door eOx International strijdig met eerlijke handelspraktijken. eOx International heeft de onrechtmatig verkregen ATSSE-mengverhouding vervolgens zonder toestemming van ATSSE gebruikt bij de ontwikkeling van een methode voor de productie van eOxide LQ (0,75%). Niet ter discussie staat dat de kenmerken, de werking en het productieproces van eOxide LQ (0,75%) aanzienlijk voordeel hebben bij de onrechtmatig door eOx International verkregen en gebruikte ATSSE-mengverhouding. Verder staat niet ter discussie dat eOx International, gezien de omstandigheden wist of had moeten weten dat de ATSSE-mengverhouding onrechtmatig werd gebruikt; vaststaat dat zij de geheimhoudingsclausule met betrekking tot de ATSSE-mengverhouding en de op overtreding daarvan gestelde boete uit de overeenkomst tussen ATSSE en eOx Productie kende. Zij wist dus of moest weten dat zij niet gerechtigd was de ATSSE-mengverhouding zonder toestemming van ATSSE te gebruiken. Vatsstaat voorts dat zij wist van de procedure in België van ATSSE tegen eOx Productie, die heeft geleid tot veroordeling van eOx Productie in verband met overtreding van de geheimhoudingsclausule uit de overeenkomst met ATSSE. Het door eOx International produceren, aanbieden en in de handel brengen van eOxide LQ (0,75%) levert daarmee onrechtmatig gebruik van de ATSSE-mengverhouding op.

2.15.

Ander (onrechtmatig) gebruik door eOx International van de ATSSE-mengverhouding is onvoldoende concreet gesteld door ATSSE en volgt ook niet uit de vaststaande feiten.

.

in de zaak tegen eOx International

2.16.

De onder 2.14 bedoelde onrechtmatige verkrijging en onrechtmatig gebruik van de ATSSE-mengverhouding door eOx International rechtvaardigen toewijzing van het onder IIa gevorderde stakingsbevel, dat ziet op de productie van eOxide LQ (0,75%). Om executieproblemen te voorkomen, wordt bepaald dat dit bevel 24 uur na betekening van dit vonnis ingaat. Het onder IIb gevorderde verbod om te doen overkomen dat eOx cs, althans een of meer van hen, de ontwikkelaar(s) is/zijn van eOxide LQ (0,75%), kan niet worden toegewezen, nu de formule en de bereidingswijze van component B van eOxide LG (0,75%) en DIOXID SP. 0.75% niet identiek zijn en niet in geschil is dat eOxide LQ (0,75%) door eOx International is ontwikkeld.

2.17.

Nu eOx International in de periode vanaf 19 juni 2011, behoudens een aantal verwaarloosbare uitzonderingen, dezelfde (combinatie van) samenstelling en bereidingswijze heeft gebruikt voor de productie van component B van eOxide LQ (0,75%), kan de onder III gevorderde verklaring voor recht (dat eOx International aansprakelijk is voor vergoeding van schade nader op te maken bij staat, veroorzaakt door het voortzetten van de inbreuken na de eerste veroordeling van eOx Productie in België op 21 maart 2012) eveneens op de in het dictum vermelde wijze worden toegewezen. De rechtbank tekent daarbij aan dat de periode waarop deze vordering ziet mogelijk beperkter is dan de periode van de vastgestelde schending van het bedrijfsgeheim van ATSSE door eOx International. Daar kan rekening mee worden gehouden bij begroting van de schade.

2.18.

Nu ander (onrechtmatig) gebruik door eOx International van de ATSSE-mengverhouding onvoldoende concreet gesteld is door ATSSE en ook niet volgt uit de vaststaande feiten (zie rov. 2.15), is de onder VII gevorderde verklaring voor recht – die ziet op onrechtmatig gebruik van de ATSSE-mengverhouding door eOx International bestaande uit het verder doorontwikkelen van eOxide LQ (0,75%) en/of het ontwikkelen van andere producten met gebruik van de onrechtmatig verkregen ATSSE-mengverhouding –niet toewijsbaar.

2.19.

Vordering IV ziet op de samenstelling van DIOXID SP 0.75%. Deze vordering is niet toewijsbaar, nu de samenstelling die eOx International gebruikt voor eOxide LQ (0,75%) niet identiek is aan die van DIOXID SP. 0.75%. Vordering V (de inzagevordering) en vordering VI (rectificatie) zijn toewijsbaar ten aanzien van eOxide LQ (0,75%). Om executieproblemen te voorkomen, zal de rechtbank bepalen dat de rectificatie moet zijn goedgekeurd door ATSSE. De gevorderde dwangsom kan als stok achter de deur ter verzekering van nakoming van het stakingsbevel, de opgave en de rectificatie worden toegewezen, zij het gematigd en gemaximeerd zoals in het dictum vermeld.

in de zaak tegen [gedaagde 2] , CCL, [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 7]

misbruik van identiteitsverschil en/of vereenzelviging

2.20.

ATSSE houdt deze gedaagden ook verantwoordelijk voor de vastgestelde schending van haar bedrijfsgeheim door eOx International. ATSSE grondt de tegen deze gedaagden ingestelde vorderingen onder meer op vereenzelviging en stelt dat sprake is van opzettelijk gecreëerde verwarring. Zij stelt daartoe, voor zover relevant, dat eOx Product en eOx International allebei gebruik maken van de naam eOx Enviromental Technologies, die voor geen van beide als handelsnaam is ingeschreven. Verder wijst zij erop dat het Bulgaarse bedrijf van [gedaagde 7] , Cobra Chemicals, vermeldt dat zij onderdeel is van eOx Enviromental Technologies en dat het bedrijf Chemoxide hetzelfde telefoonnummer heeft als Cobra Chemicals. Verder wijst zij op een op 8 januari 2009 door [gedaagde 7] namens eOx Enviromental Technologies afgegeven verklaring en op de omstandigheden dat eOx Product en eOx International op hetzelfde adres staan ingeschreven en in dezelfde branche actief zijn.

2.21.

Door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, kan misbruik worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen. Wat met zodanig misbruik werd beoogd, behoeft in rechte niet te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf.1 De omstandigheden van het geval kunnen evenwel ook zo uitzonderlijk van aard zijn dat vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen – het volledig wegdenken van het identiteitsverschil – de meest aangewezen vorm van redres is. Bij vereenzelviging wordt het identiteitsverschil tussen twee rechtspersonen of tussen een rechtspersoon en een ander rechtssubject volledig weggedacht als door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen en dat misbruik niet in rechte hoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik moet in de regel worden aangemerkt als een onrechtmatige daad die verplicht tot het vergoeden van de schade die daarmee is aangericht. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan vereenzelviging de meest aangewezen vorm van redres zijn.2 Verwevenheid tussen twee rechtssubjecten is op zichzelf onvoldoende voor het aannemen van vereenzelviging.3

2.22.

ATSSE heeft haar verwijten niet nader uitgewerkt per grondslag en per gedaagde. Zij heeft volstaan met het noemen van de onder 2.20 bedoelde omstandigheden en heeft daaraan de conclusie verbonden dat de vorderingen op deze grondslagen kunnen worden toegewezen. Deze omstandigheden zijn echter onvoldoende om misbruik van identiteitsverschil of vereenzelviging aan te nemen. Dat geldt ook voor de vaststaande onderlinge verwevenheid tussen de gedaagden en de hiervoor besproken rol van [gedaagde 5] bij het onrechtmatig gebruik van de ATSSE-mengverhouding door eOx International.

bestuurdersaansprakelijkheid

2.23.

ATSSE noemt ook bestuurdersaansprakelijkheid als grondslag van haar vorderingen tegen de andere gedaagden. Deze grondslag is alleen van belang voor de gedaagden die (indirect) bestuurders van eOx Product en/of eOx International zijn en [gedaagde 5] , als feitelijk beleidsbepaler van beide entiteiten.

2.24.

Als uitgangspunt geldt dat indien een vennootschap een onrechtmatige daad pleegt, alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is er evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder/beleidsbepaler van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap, geldt dus een verzwaarde maatstaf. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.4

2.25.

Wanneer wordt vastgesteld dat een vennootschap merkinbreuk maakt, bestaat ruimte om ook aan de bestuurder en/of de feitelijk beleidsbepaler een verbod op te leggen, indien aannemelijk is dat de bestuurder en/of de feitelijk beleidsbepaler, door de inbreuk te bevorderen of niet te verhinderen, terwijl hij daartoe wel in staat was, ook zelf onzorgvuldig handelt.5 Voor toewijzing van een verbod jegens de bestuurder en/of feitelijk beleidsbepaler zal moeten komen vast te staan dat de bestuurder en/of feitelijk beleidsbepaler jegens ATSSE de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW heeft geschonden. Deze ongeschreven zorgvuldigheidsnorm moet worden ingevuld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval. Voor onrechtmatigheid is vereist dat de bestuurder en/of de feitelijk beleidsbepaler weet of redelijkerwijs moet begrijpen dat de door hem bestuurde vennootschap inbreuk maakt op de merkrechten en dat hij in weerwil van die wetenschap de merkinbreuk door de vennootschap bevordert of niet verhindert. Bevorderen impliceert actief handelen, met actieve persoonlijke betrokkenheid van de bestuurder en/of feitelijk beleidsbepaler. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de bestuurder en/of de feitelijk beleidsbepaler degene is die binnen de vennootschap de inbreukmakende handelingen uitvoert of wanneer hij bewerkstelligt dat de vennootschap een opgelegd bevel of verbod negeert. Van jegens de merkhouder onrechtmatig niet verhinderen van de merkinbreuk is sprake als de gerechtvaardigde belangen van de merkhouder in de gegeven omstandigheden vergen dat de bestuurder en/of de feitelijk beleidsbepaler de inbreuk daarvan door de vennootschap verhindert en hij hiertoe niet overgaat, hoewel hij daartoe in staat is. Dat laatste is niet reeds aan de orde als de bestuurder (overeenkomstig zijn taak) het algemene beleid van de vennootschap bepaalt. Nu het gaat om gesteld onrechtmatig handelen van een bestuurder en/of feitelijk beleidsbepaler, zal ook moeten vaststaan dat de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt treft ter zake van de verweten gedragingen. Dit kan onder meer worden aangenomen als de bestuurder ten tijde van de inbreuk wist of behoorde te begrijpen dat dat handelen tot schade zou leiden bij de merkhouder.6

De rechtbank knoopt aan bij deze jurisprudentie in deze zaak, waarin het – net als bij merkinbreuk – gaat om handhaving van exclusieve rechten (bedrijfsgeheim) van ATSSE.

2.26.

Toetsing van de hiervoor vastgestelde betrokkenheid van [gedaagde 5] aan de onder 2.24 en 2.25 bedoelde normen leidt, gelet op de vastgestelde feiten – op dezelfde wijze als voor eOx International – tot toewijzing van het onder IIa gevorderde stakingsbevel en de onder III gevorderde verklaring voor recht. Om executieproblemen te voorkomen, wordt bepaald dat het stakingsbevel 24 uur na betekening van dit vonnis ingaat. De gevorderde dwangsom kan als stok achter de deur ter verzekering van nakoming van het stakingsbevel worden toegewezen, zij het gematigd en gemaximeerd zoals in het dictum vermeld.

2.27.

Ten aanzien van de andere gedaagden die (indirect) bestuurder waren van eOx Product en/of eOx International heeft ATSSE niet uitgewerkt dat en waarom de vorderingen jegens hen moeten worden toegewezen. Dat volgt ook niet uit de feiten.

aandeelhouders

2.28.

ATSSE spreekt ook de (indirect) aandeelhouders van eOx Product en/of eOx International aan. Aandeelhouders kunnen naast de vennootschap zelf aansprakelijk zijn, indien zij volledige zeggenschap hebben over het handelen van die vennootschap. Voor volledige zeggenschap moet sprake zijn van intensieve bemoeienis.7 Het houden van aandelen kan daar een aanwijzing voor vormen, maar is zonder bijkomende andere omstandigheden onvoldoende. De stellingen van ATSSE komen erop neer dat de aandeelhouders hebben geprofiteerd van het onrechtmatig handelen van de entiteiten waarin zij aandelen houden. Dat is onvoldoende voor de voor aansprakelijkheid vereiste volledige zeggenschap.

[gedaagde 7]

2.29.

was geen bestuurder of aandeelhouder bij eOx Productie, eOx International of een van de andere gedaagde rechtspersonen. Enig concreet handelen of nalaten van [gedaagde 7] in verband met het hiervoor vastgestelde onrechtmatig gebruik van de ATSSE-mengverhouding door eOx International is niet gesteld of gebleken. De algemene stelling van ATSSE dat hij een “dikke vinger in de pap” had en dat zij hem ziet als de centrale figuur, die de bron is van dit hele geschil, is onvoldoende voor toewijzing van vorderingen.

proceskosten

2.30.

eOx International, CCL, [gedaagde 2] , [gedaagde 6] en [gedaagde 5] zijn de overwegend in het ongelijk gestelde partijen in hun zaken. De kosten van de deskundigen (€ 38.179,25, te vermeerderen met de kosten voor de comparitie van partijen na deskundigenbericht en de voorbereiding daarvan (€ 3.461,60)) komen (hoofdelijk) ten laste van eOx International en [gedaagde 5] , die worden veroordeeld in verband met het onrechtmatig gebruik van de ATSSE-mengverhoudingen. In de zaken tegen [gedaagde 4] en [gedaagde 7] is ATSSE de overwegend in het ongelijk gestelde partij. De rechtbank zal de andere proceskosten ponds ponds gewijs verdelen over de gedaagden (5/7 bij de proceskosten van ATSSE en 2/7 bij de proceskosten van [gedaagde 4] en [gedaagde 7] ). Dit leidt tot de in het dictum vermelde proceskostenveroordelingen, uitgaande van het door ATSSE betaalde griffierecht (€ 1.474) en de door haar gemaakte dagvaardingskosten (€ 134,39), het door eOx cs betaalde griffierecht (€ 3.894) en de advocatenkosten, die aan beide zijden worden gesteld op € 11.964 (4 punten tarief VI).

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt eOx International, CCL, [gedaagde 2] , [gedaagde 6] en [gedaagde 5] hoofdelijk tot betaling aan ATSSE van € 267.800, vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 oktober 2017;

3.2.

gebiedt eOx International en [gedaagde 5] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de productie van eOxide LQ (0,75%) te staken en gestaakt te houden;

3.3.

verklaart voor recht dat eOx International en [gedaagde 5] aansprakelijk zijn voor de schade, nader op te maken bij staat, veroorzaakt door het met de productie van eOxide LQ (0,75%) voortzetten van de schending van het bedrijfsgeheim van ATSSE na de eerste veroordeling van eOx Productie in België op 21 maart 2012;

3.4.

gebiedt eOx International om inzage te geven in de verkoopcijfers met betrekking tot eOxide LQ (0,75%), binnen veertien dagen na het wijzen van vonnis;

3.5.

gebiedt eOx International aan al haar klanten, althans afnemers, en distributeurs binnen veertien dagen na vonnis een door ATSSE goedgekeurde rectificatiebrief te zenden waarin erkend wordt dat ATSSE de rechtmatige eigenaar is van de ATSSE-mengverhouding en dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door deze te gebruiken voor eOxide LQ (0,75%);

3.6.

veroordeelt eOx International, CCL, [gedaagde 2] , [gedaagde 6] en [gedaagde 5] hoofdelijk in de proceskosten van ATSSE (verschotten en advocatenkosten), die tot aan deze uitspraak worden begroot op € 9.694,56;

3.7.

bepaalt dat de kosten van de deskundigen (€ 41.640,85) hoofdelijk ten laste van eOx International en [gedaagde 5] komen;

3.8.

veroordeelt ATSSE in de proceskosten van [gedaagde 4] en [gedaagde 7] , die tot aan deze uitspraak worden begroot op € 4.530.86;

3.9.

bepaalt dat eOx International en [gedaagde 5] hoofdelijk een dwangsom van € 100.000 ineens en € 10.000 voor iedere dag/deel van een dag dat zij in gebreke mochten blijven aan het onder 3.2. bedoelde bevel te voldoen, met een maximum van in totaal € 1.500.000;

3.10.

bepaalt dat eOx International een dwangsom van € 100.000 ineens en € 10.000 voor iedere dag/deel van een dag dat zij in gebreke mocht blijven aan het onder 3.4. en 3.5. bedoelde veroordelingen te voldoen, met een maximum van € 1.500.000;

3.11.

verklaart de onder 3.1., 3.2., 3.4. tot en met 3.10. bedoelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

3.12.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2021.

.

1 Verg. HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7480 (Rainbow).

2 Verg. HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7480 (Rainbow).

3 Verg. HR 16 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1758, (Bato's erf).

4 Vgl. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959 en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627.

5 Vgl. HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:AD6095.

6 Vgl. naar analogie HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008: BC4959 (Beklamel) en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (Ontvanger/Roelofsen), waarin de eis wordt gesteld van wetenschap bij de bestuurder (weten of behoren te begrijpen) van het schadetoebrengende gevolg van de gedraging van de vennootschap.

7 Verg. HR 21 december 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD4499 (Sobi/Hurks).