Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:12043

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2021
Datum publicatie
10-11-2021
Zaaknummer
21_702
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW/geen toekenning terugwerkende kracht/eigen verantwoordelijkheid/voldoende beheersing Nederlandse taal om aanvraag te kunnen indienen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/702


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. U. Arslan),

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Simons).

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2020 (primair besluit) heeft verweerder aan eiseres per 26 augustus 2020 een uitkering krachtens de Participatiewet (Pw) toegekend.

Bij besluit van 27 januari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 26 augustus 2020 bij verweerder een aanvraag ingediend tot toekenning van een bijstandsuitkering. Op deze aanvraag heeft eiseres vermeld dat de bijstandsuitkering aan haar per 20 juli 2020 toegekend dient te worden met als reden dat vanaf die datum haar bijstandsuitkering bij de gemeente Den Haag was stopgezet en zij niet wist dat zij dan bij verweerder een nieuwe aanvraag had moeten indienen.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres per 26 augustus 2020 een bijstandsuitkering toegekend.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie Bezwaarschriften, het primaire besluit gehandhaafd. Naar de mening van verweerder is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de bijstandsuitkering met terugwerkende kracht moet worden toegekend.

4. Eiseres voert aan dat zij als gevolg van een fout van de gemeente Den Haag

noodgedwongen heeft moeten verhuizen naar de gemeente Westland. De gemeente Den Haag heeft haar daarbij niet geïnformeerd dat zij bij de gemeente Westland een nieuwe aanvraag moest doen. Zij was in de veronderstelling dat de bijstandsuitkering automatisch overging in een andere gemeente. Zij is de Nederlandse taal onvoldoende machtig om hier zelf onderzoek naar te doen. Als gevolg hiervan heeft zij pas later een aanvraag kunnen doen. Dit kan haar niet worden aangerekend, zodat de bijstandsuitkering aan haar met terugwerkende kracht dient te worden toegekend.

5.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.2

Artikel 43, eerste lid, van de Pw bepaalt dat het college het recht op bijstand vaststelt op schriftelijke aanvraag of ambtshalve, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is.

5.3

Artikel 44, eerste lid, van de Pw bepaalt dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

5.4

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, waaronder de uitspraak van 2 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6195), wordt in beginsel geen bijstand verleend over de periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

5.5.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat aan eiseres met terugwerkende kracht vanaf 20 juli 2020 bijstand wordt verleend. Het is de eigen verantwoordelijkheid van eiseres om (tijdig) een bijstandsuitkering aan te vragen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat was eerder dan op 26 augustus 2020 een aanvraag voor bijstand in te dienen. Anders dan eiseres stelt bestond er voor de gemeente Den Haag geen verplichting eiseres er op te wijzen dat bij verhuizing naar een andere gemeente zij opnieuw een bijstandsuitkering moet aanvragen. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat de door eiseres gestelde beperkte taalbeheersing ertoe heeft geleid dat zij niet in staat was eerder een aanvraag in te dienen. Zij neemt daarbij in aanmerking dat eiseres bij de intake telefonisch heeft verklaard dat zij in het verleden een inburgeringscursus heeft gevolgd en dat zij de Nederlandse taal voldoende beheerst. Ook heeft eiseres een toets verklaring overgelegd waaruit blijkt dat zij taalniveau 2 heeft. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiseres voldoende de Nederlandse taal beheerst om een bijstandsaanvraag te kunnen indienen.

5.6.

Voor zover eiseres heeft gesteld dat het haar heeft ontbroken aan voldoende bestaansmiddelen voorafgaand aan de datum van de aanvraag en zij als gevolg daarvan geld heeft moeten lenen, is de rechtbank van oordeel dat dit volgens vaste jurisprudentie geen bijzondere omstandigheid is die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigt (ECLI:NL:CRVB:2017:1019, ECLI:NL:CRVB:2019:1749).

5.7.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder de ingangsdatum van de bijstandsuitkering terecht op 26 augustus 2020, de datum van haar aanvraag, gesteld.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.B. Wijnholt, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2021.

Griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.