Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:12028

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-10-2021
Datum publicatie
04-11-2021
Zaaknummer
NL21.6467 en NL21.6470
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opvolgende asielaanvragen, nieuwe elementen of bevindingen, onderzoek Bureau Documenten, arrest LH, vergewisplicht verweerder. Beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: NL21.6467 en NL21.6470


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres] en [eiser] , eisers,

mede namens hun minderjarige kinderen

[kind 1] en [kind 2]

V-nummers: [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer]

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).


Procesverloop
Bij besluiten van 22 april 2021 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

De aanvraag van [kind 2] is afgewezen op grond van artikel 31 van de Vw.

Eisers dienen Nederland onmiddellijk te verlaten. Voor [kind 2] geldt een vertrektermijn van 28 dagen.

Aan eisers is bovendien een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, gerekend vanaf de datum dat zij Nederland daadwerkelijk hebben verlaten. Het inreisverbod geldt niet voor de minderjarige kinderen.


Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaken NL21.6468 en NL21.6471, op

14 september 2021 op zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers stellen van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op

[geboortedatum] respectievelijk [geboortedatum] . [kind 1] is geboren op [geboortedatum] en [kind 2] op [geboortedatum] .

Eerdere asielaanvragen

2. Eisers hebben eerder, op 9 maart 2018, aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvragen bij besluiten van

17 oktober 2018 afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw. Bij uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 22 februari 2019, NL18.19678 en NL18.19679, zijn de beroepen van eisers hiertegen ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraken van 10 april 2019, 201901763/V2 en 201901766/1/V2. De besluiten van

17 oktober 2018 staan daarmee in rechte vast.

3. Samengevat heeft verweerder zich in de eerste asielprocedure van eiser op het standpunt gesteld dat eisers lidmaatschap van de PDP en de daaruit voortvloeiende problemen met die partij niet geloofwaardig zijn. Subsidiair acht verweerder het niet aannemelijk dat de PDP na het verloop van vijf jaren nog belangstelling zou hebben voor eiser. In de uitspraak van 22 februari 2019, NL18.19678, heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch geoordeeld dat verweerder eisers asielrelaas met betrekking tot zijn lidmaatschap van de PDP en de daaruit volgende problemen met de PDP niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.

3.1.

Ten aanzien van eiseres heeft verweerder zich in de eerste procedure op het standpunt gesteld dat de bedreigingen door [M] , een mensenhandelaar, ongeloofwaardig zijn. Verweerder wijst er daarbij op dat eiseres is gevlucht van [M] , maar vervolgens wel een half jaar in dezelfde stad bij het station heeft verbleven, wat niet duidt op vrees van eiseres voor [M] . Verweerder acht het ook niet aannemelijk dat deze [M] eiseres niet heeft gezocht in Bologna, maar wel zou proberen de moeder van eiseres te vinden in Nigeria om haar te bedreigen. Eiseres kan ook slechts summier over de beweerdelijke bedreiging van haar moeder verklaren.

In de uitspraak van 22 februari 2019, NL18.19679, heeft deze rechtbank, zittingsplaats

’s-Hertogenbosch, geoordeeld dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de vrees voor [M] niet ten onrechte aan eiseres heeft tegengeworpen dat het niet aannemelijk is dat zij - als slachtoffer van mensenhandel door [M] in Bologna - van [M] zou vluchten om vervolgens nog zes maanden op het station van Bologna te verblijven. Verweerder werpt verder niet ten onrechte tegen dat het ongeloofwaardig is dat [M] enerzijds niet de moeite zou nemen om eiseres in Bologna te zoeken maar te volstaan met dreigtelefoontjes, maar anderzijds de moeder van eiseres in Nigeria zou zoeken om deze te vertellen dat zij haar dochter moest vinden of € 50.000,- betalen. Dat deze bedreiging daarna weer geen gevolg heeft gekregen is eveneens vreemd.

De nieuwe asielaanvragen – toetsingskader

4. Op 8 september 2020 hebben eisers opnieuw aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Die aanvragen liggen ten grondslag aan de nu bestreden besluiten. Verweerder heeft die aanvragen niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van opvolgende aanvragen waaraan eisers geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag hebben gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Hij heeft dit gedaan onder verwijzing naar de hierboven genoemde besluiten van 17 oktober 2018. Hij heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.

5. Verweerder mag op een aanvraag negatief beslissen wegens het ontbreken van nieuwe elementen of bevindingen als er geen relevante wijziging van het recht is.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat zich geen relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan.

7. Als er geen relevante wijziging van het recht is, toetst de rechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of verweerder de aanvraag niet ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Hierin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk kan worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Nieuwe elementen of bevindingen zijn de elementen of bevindingen die zich hebben voorgedaan na de definitieve beëindiging van de procedure die betrekking had op het vorige verzoek om internationale bescherming, en ook de elementen of bevindingen die reeds bestonden vóór de beëindiging van de procedure maar waarop de verzoeker zich niet heeft beroepen.1

Wat hebben eisers overgelegd en wat vindt verweerder daarvan?

8. Eiser beroept zich in deze procedure op zijn asielrelaas in de vorige asielprocedure. Ter onderbouwing daarvan heeft hij nu een uittreksel dagrapport van het Ajao Estate Police Station, afgegeven op 9 april 2019 te Lagos en een Fedex-enveloppe met ship date

3 augustus 2020 overgelegd. Eiser heeft de stukken van zijn zus [Z] ontvangen.

9. Verweerder stelt zich ten aanzien van deze documenten op het standpunt dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen ten opzichte van het eerdere besluit. Het overgelegde dagrapport is een kopie. Bovendien is het document, als eiser dit als origineel overlegt, vals. Dit blijkt uit onderzoek van Bureau Documenten. Eiser heeft verklaard dat het document origineel is, daarom kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het hier een vals document betreft.

Volgens verweerder staat in het dagrapport een verklaring van [Z] , die rapporteert bij de politie van Ajao dat haar moeder, [moeder] , vermist is nadat zij het dorp bezocht waar haar inmiddels overleden echtgenoot huizen bezat en is doodgeschoten. Na zes jaar blijkt dat de politieke tegenstander van de heer ‘ [M M F] ’ nog immer op zoek is naar de familie [F] . Opvallend is dat er een onjuiste naam in het politiedagrapport staat vermeld. De envelop heeft volgens verweerder op zich geen waarde.

10. Eiseres heeft aan de onderhavige asielaanvraag een uittreksel dagrapport van het Edo State Police Command, afgegeven op 10 juni 2020, te Benin City overgelegd. Dit document is door verweerder aangeduid als ‘aangifte van bedreiging van moeder’. De moeder van eiseres heeft hierin aangegeven dat [M] heeft gedreigd haar en eiseres te vermoorden. Met het document wil eiseres haar asielrelaas in de vorige asielprocedure onderbouwen.

11. Verweerder stelt zich ten aanzien van dit document op het standpunt dat, hoewel eiseres het document in origineel heeft overgelegd, Bureau Documenten niet over referentiemateriaal beschikt om onderzoek te doen naar de authenticiteit ervan. Verweerder verwijst naar de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 14 oktober 2020. Hierdoor kan het document niet worden beschouwd als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling waarin is geoordeeld dat een document geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is als de authenticiteit ervan niet kan worden vastgesteld.

Bovendien kan een aangifte van bedreiging de onaannemelijkheid van de verklaringen van eiseres niet wegnemen nu deze aangifte slechts verklaringen van derden betreft, die niet als objectieve verifieerbare bron kunnen worden aangemerkt.

Wat hebben eisers in beroep aangevoerd?

12. Eisers stellen dat hun aanvragen ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Zij betogen in beide zaken dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht omdat Bureau Documenten zijn conclusies niet heeft onderbouwd. Ook is niet duidelijk of onderzoek is gedaan aan de hand van het juiste, specifieke referentiemateriaal.

Het opsporingsbericht van de politie is daarom ten onrechte niet als novum aangemerkt volgens eisers.

Ook is sprake van een motiveringsgebrek omdat verweerder niet of nauwelijks is ingegaan op wat in de zienswijze is aangevoerd; uitspraken die zien op de conclusies die Bureau Documenten heeft getrokken en de grond dat wel sprake is van een document met een watermerk en dat een scan van een handtekening niet altijd betekent dat sprake is van een vals document.

Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eisers ook nog een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van 10 juni 2021 in de zaak LH2 (arrest LH), en de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 7 juli 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:6993). Verweerder heeft tot taak om bij de beoordeling van de bewijswaarde van documenten nadere feiten en omstandigheden te betrekken, zoals bijvoorbeeld de aard van de documenten, hoe eisers aan de documenten zijn gekomen, waarom eisers vinden dat deze documenten hun relaas ondersteunen en of dergelijke documenten in het land van herkomst gangbaar zijn.

Verweerder kan dan niet volstaan met een verwijzing naar de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten waaruit volgt dat deze niet over referentiemateriaal beschikt en ondanks documentenonderzoek geen uitspraken gedaan kan worden over de echtheid van deze documenten.

Ook heeft de gemachtigde van eisers betoogd dat de belangen van de kinderen ten onrechte niet zijn meegewogen.

Wat vindt de rechtbank? Het beroep van eiseres

13. Naar het oordeel van de rechtbank is het arrest LH van toepassing in de zaak van eiseres. Het Hof heeft hierin onder meer bepaald dat artikel 40, tweede lid, van richtlijn 2013/32/EU, gelezen in samenhang met artikel 4, tweede lid, van richtlijn 2011/95/EU aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale wetgeving volgens welke elk document dat door een persoon die om internationale bescherming verzoekt ter staving van een volgend verzoek is overgelegd, automatisch wordt beschouwd als een document dat geen „nieuw element of nieuwe bevinding” in de zin van deze bepaling is, wanneer de authenticiteit van dit document niet kan worden vastgesteld of de bron van een dergelijk document niet objectief verifieerbaar is.

14.
De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting erkend dat de gegeven motivering ten aanzien van het door eiseres overgelegde document tekortschiet gelet op het arrest LH. Het standpunt van verweerder (onder verwijzing naar het onderzoek van Bureau

Documenten) dat, omdat de authenticiteit van het door eiseres overgelegde document niet kan worden vastgesteld, het geen nieuw element of nieuwe bevinding is, is in strijd met het arrest en niet langer houdbaar.

Dit geldt eveneens voor de gegeven motivering in het bestreden besluit - dat een aangifte van bedreiging de onaannemelijkheid van de verklaringen van eiseres niet weg kan nemen nu deze aangifte slechts verklaringen van derden betreft, die niet als objectieve, verifieerbare bron kunnen worden aangemerkt. Ook dat standpunt is - bezien in het licht van het arrest LH - zonder een nadere onderbouwing, niet voldoende om de asielaanvraag daarom niet-ontvankelijk te verklaren.

15. Al hierom heeft verweerder het besluit van eiseres onvoldoende gemotiveerd. Wat verder is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Welke consequenties dat heeft, staat onder Conclusie.

Wat vindt de rechtbank? Het beroep van eiser

16. Anders dan in de zaak waarop het arrest LH betrekking heeft, gaat het hier niet
- zo heeft verweerder ook ter zitting bevestigd - om een situatie waarin sprake is van twijfel aan de authenticiteit van een document, maar om een situatie waarin verweerder stelt dat het overgelegde document vals is.

16.1

Eiser voert aan dat verweerder in dit verband niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan en dat het bestreden besluit daarom niet zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank volgt eiser in dit betoog. Hieronder zal de rechtbank dat uitleggen.

16.2

Bureau Documenten heeft in de verklaring van onderzoek van 14 oktober 2020 geconcludeerd dat het door eiser overgelegde document een fotokopie is, en dat indien eiser dit als origineel overlegt, het document gelet op het gestelde in punt 2.1 vals is.

In punt 2.1 staat:

“Na onderzoek van het document is het volgende gebleken:

  1. Het papier is voorzien van een watermerk.

  2. De basis- en variabele gegevens, stempel en handtekening zijn aangebracht met een printtechniek (inkjet).”

Verweerder stelt zich onder verwijzing naar dit onderzoek op het standpunt dat het document geen nieuw element of nieuwe bevinding vormt. Bovendien correspondeert de naam in het document niet met de door eiser opgegeven naam. Het onderzoek van Bureau Documenten is een deskundigenadvies aan verweerder. Verweerder mag bij zijn besluitvorming van de juistheid van deze informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Hiervan is niet gebleken. Wat eiser in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht zijn volgens verweerder enkel kanttekeningen. Eiser heeft geen contra-expertise laten uitvoeren.

16.3

Eiser heeft ter zitting betoogd dat niet enkel sprake is van kritische kanttekeningen maar van vraagtekens bij het onderzoek. Uit de onderzoeksbevindingen volgt niet dat sprake is van een vals document, althans dit is niet voldoende inzichtelijk gemaakt. Dat het document is voorzien van een watermerk zou juist kunnen duiden op een authentiek document, en een scan van een handtekening betekent niet altijd dat sprake is van een vals document. Eiser heeft verwezen naar verschillende uitspraken om te onderbouwen dat verweerder nader moet motiveren hoe de conclusies van Bureau Documenten tot stand zijn gekomen en daarmee moet voldoen aan zijn vergewisplicht. Dit zijn:

- de uitspraak van de Afdeling van 8 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:15);

- de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 12 oktober 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:15123); en

- de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 17 maart 20201 (NL21.2464).

16.4

De rechtbank stelt vast dat deze laatste uitspraak niet is gepubliceerd en niet is overgelegd, zodat de rechtbank daarvan geen kennis heeft kunnen nemen.

16.5.

De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:636) over de vergewisplicht van verweerder bij verklaringen van onderzoek van Bureau Documenten. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder ook op deze uitspraak gewezen.

Uit deze uitspraak blijkt dat verweerder er in beginsel van mag uitgaan dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dat laat echter onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van verweerder als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meebrengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. In die situaties kan hij niet volstaan met een verwijzing naar de conclusies neergelegd in de verklaring van onderzoek. Evenmin kan hij volstaan met het ter controle aanbieden van de onderliggende stukken aan de rechtbank. De vergewisplicht rust immers op verweerder en niet op de rechter.

Een situatie als hiervoor bedoeld doet zich in ieder geval voor, aldus de Afdeling in haar uitspraak, als de conclusies van een verklaring van onderzoek in relatie tot de bevindingen naar aanleiding van dat onderzoek vragen oproepen, bijvoorbeeld als die bevindingen niet logischerwijs tot de daaraan verbonden conclusies leiden. Ook als een vreemdeling gemotiveerd heeft betwist dat een verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten, zal verweerder nader invulling moeten geven aan zijn vergewisplicht. Dit kan hij bijvoorbeeld doen door zelf de onderliggende stukken van de desbetreffende verklaring van onderzoek in te zien. Ook kan verweerder Bureau Documenten nader bevragen over de totstandkoming van de conclusies. Op deze wijze kan hij controleren of een verklaring van onderzoek van Bureau Documenten op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

Verweerder hoeft, gelet op de vaak zwaarwegende belangen die geheimhouding rechtvaardigen, de verkregen vertrouwelijke informatie vervolgens in de bestuurlijke fase niet met de desbetreffende vreemdeling te delen. Hij moet de vreemdeling wel gemotiveerd berichten of, en zo ja in hoeverre hij de conclusies van Bureau Documenten onderschrijft nadat hij de onderliggende stukken heeft ingezien, of nadat hij nadere informatie bij Bureau Documenten heeft ingewonnen. Op grond daarvan kan verweerder besluiten een verklaring van onderzoek geheel, gedeeltelijk of niet aan zijn besluitvorming ten grondslag te leggen. In de procedure bij de rechter kan de verweerder een beroep doen op artikel 8:29 van de Awb.

16.6

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval, gelet op wat eiser in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, sprake is van een situatie waarin verweerder nader invulling moest geven aan zijn vergewisplicht. Dit heeft verweerder in strijd met artikel 3:2 van de Awb in de bestuurlijke fase niet gedaan, zodat het bestreden besluit lijdt aan een gebrek. Naast een zorgvuldigheidsgebrek is ook sprake van een motiveringsgebrek. Verweerder is in het besluit van eiser onvoldoende ingegaan op de door eiser aangevoerde uitspraken en op wat ten aanzien van de verklaring van onderzoek is aangevoerd.

In de beroepsfase heeft verweerder dit gebrek niet hersteld. Met de eerst ter zitting gedane stelling dat hij heeft gebeld met Bureau Documenten en zich ervan heeft vergewist hoe de conclusies van het onderzoek tot stand zijn gekomen, heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder daarmee niet alsnog aan zijn vergewisplicht als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb heeft voldaan. Hij heeft immers niet gemotiveerd bericht dat hij de conclusies van Bureau Documenten onderschrijft nadat hij nadere informatie bij Bureau Documenten heeft ingewonnen.

Een nadere onderbouwing mag naar het oordeel van de rechtbank wel van verweerder worden verlangd. Dit kan bijvoorbeeld met een nadere (schriftelijke) reactie van Bureau Documenten. Dit kan ook zonder vertrouwelijke informatie prijs te geven. Verweerder hoeft niet tot in details aan de vreemdeling inzichtelijk te maken hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. Zo heeft verweerder in de zaak die ten grondslag lag aan de uitspraak van 8 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:15) Bureau Documenten gevraagd hoe het tot zijn conclusie is gekomen in de betreffende verklaring van onderzoek dat de door die vreemdeling overgelegde documenten vals zijn. Bureau Documenten heeft daarop bij brief gereageerd.

16.7

Verweerder heeft ook aan eiser tegengeworpen dat opvallend is dat in het overgelegde politiedagrapport de naam [M M F] vermeld staat en niet [M N F] . De rechtbank ziet de naam [M M F] echter niet vermeld staan in het document. Voor zover de rechtbank kan zien, staat hierin alleen de naam [M F] .

Conclusie

17. De aanvragen zijn ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank ziet - gelet op de aard van de gebreken - geen mogelijkheid de geschillen nu finaal te beslechten. Verweerder zal nieuwe besluiten moeten nemen op de asielaanvragen van eisers met inachtneming van deze uitspraak.

18.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank is daarbij van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Vollebregt - Kuipers, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Markwat, griffier.

Deze uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op de hieronder vermelde datum. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Arrest van het Hof van Justitie van 9 september 2021 in de zaak C-18/20, X.Y. (ECLI:EU:C:2021:710)

2 C-921/19, ECLI:EU:C:2021:478