Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:12025

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-01-2021
Datum publicatie
01-12-2021
Zaaknummer
C/09/596181 / HA RK 20-340
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoeker wil laten vaststellen dat zijn kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben.

Over de familierechtelijke betrekking tussen hem en de kinderen gaat de procedure met zaaknummer C/09/587517.

Er moeten eerst nog diverse stukken worden ingediend voor er beoordeeld kan worden of de kinderen het Nederlanderschap zouden hebben verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 20-340

Zaaknummer: C/09/596181

Datum beschikking: 7 januari 2021

Beschikking op het op 20 januari 2020 ingekomen verzoekschrift van:

[Y] ,

verzoeker,

wonende te [woonplaats]

advocaat mr. A.A. Broekman-de Feijter te Middelburg.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[X] ,

de moeder, of [X]

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland, en

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen: de IND,

zetelende te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Klis.

Procedure

In zijn inleidende verzoekschrift heeft verzoeker zowel een verzoek gedaan tot vaststelling dat de kinderen [minderjarige 1] [naam Y] en [minderjarige 2] [naam Y] de Nederlandse nationaliteit bezitten (de onderhavige procedure, hierna: de RWN-procedure) als familierechtelijke verzoeken gedaan. De rechtbank heeft de familierechtelijke verzoeken ingeboekt onder nummer C/09/587517 / FA RK 20-315. In de familierechtelijke procedure wordt bij afzonderlijke beschikking van 7 januari 2021 beslist.

In de beide procedures zijn de volgende stukken ingekomen:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen;

  • -

    de brief van 13 [geboortedatum 1] 2020 met bijlagen van de zijde van verzoeker;

  • -

    de brief van 26 [geboortedatum 1] 2020 van de ambtenaar;

  • -

    het verweerschrift tevens houdende wijziging van verzoeken van 29 april 2020, van de zijde van verzoeker;

  • -

    de brief van 27 mei 2020 van de ambtenaar;

  • -

    de brief van 3 juli 2020 met bijlagen van de zijde van verzoeker;

  • -

    het F9-formulier van 18 november 2020 met bijlagen van de zijde van verzoeker.

In de RWN-procedure is daarnaast ingekomen:

  • -

    de brief van de IND van 21 augustus 2020;

  • -

    de brief van de IND van 12 november 2020.

De officier van justitie is bij brief van 12 november 2020 in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken.

Op 26 november 2020 heeft ter terechtzitting van deze rechtbank via telehoren (Skype) een gecombineerde mondelinge behandeling plaatsgevonden van zowel de RWN-procedure als de familierechtelijke procedure.

Bij de mondelinge behandeling zijn via een skype-verbinding verschenen:

  • -

    de vader met zijn advocaat;

  • -

    namens de ambtenaar de heer [ambtenaar 1] en mevrouw [ambtenaar 2] ;

  • -

    mr. J.A.M. van der Klis namens de IND.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen bij advertentie in de Staatscourant van
30 oktober 2020, niet verschenen.

De officier van justitie is in de gelegenheid gesteld de mondelinge behandeling bij te wonen.

Feiten

- Verzoeker is geboren op 3 [geboortedatum 1] 1944 te [geboorteplaats] . Hij verkreeg bij geboorte de Nederlandse nationaliteit en is thans houder van een Nederlands paspoort met nummer [nr. 1] , geldig tot 7 november 2024.

- Verzoeker is op [huwelijksdatum] 1969 gehuwd met [naam echtgenote] . Dit huwelijk is tot op heden niet ontbonden. Verzoeker en [naam echtgenote] leven sinds november 2007 feitelijk gescheiden van elkaar.

- Verzoeker heeft de afgelopen jaren langere periodes in België en in Israël gewoond en is sinds november 2008 uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (BRP).

- Op een vertaalde kopie van het ‘Ministry of the Inferior’, afgegeven op 25 september 2005 door de ‘Office of Population Administration in Herzliya’ houdende een “CURRENT DATE CONFIRMATION OF NON-ACQUISITION OF ISRAELI CITIZENSHIP” staat vermeld dat verzoeker under Article 2 (c) (2) of the Citizenship Law 1952 “Declared (…) his unwillingness to become an Israeli citizen upon registration as an “Oleh” (immigrant) on the date of … and has not acquired Israeli citizenship hitherto”.

- Verzoeker heeft in Israël een affectieve relatie gekregen met [X] .

- Op een kopie van een Chinees paspoort met nummer G47720618 op naam van [X] staat vermeld dat zij is geboren op 18 september 1982 te Liaoning, China.

- Verzoeker zou met [X] een IVF-traject doorlopen hebben, waarna uit [X] op 25 juni 2013 te Petah Tiqwa, Israël, een tweeling is geboren, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna samen ook: de kinderen).

- Bij de stukken bevindt zich - blijkens de Engelse vertaling - een uitspraak van The Court for Family Affairs in the District of Tel-Aviv. In deze uitspraak staat onder meer vermeld:

Family Court file No. 44810-11-13 Li and Others against the Legal Adviser to the Government Before the Honorble Judge: Yoram Shaked’.

The petioners:1. [X] Pass. Number [nr. 2]

2. [Y] Dutch Pass. [nr. 1]

Versus

The Respondent: The Legal Advisor to the Government, the Prime Minister’s Office.

JUDGMENT

After seeing the opinion of the laboratory of D.N.A. from 12.2.2014 (scanned for the court’s file on 3.3.2014) consequen it is hereby declared tha mr. [Y] Deutch Pass. [nr. 1] is the father of the minors [minderjarige 1] and [minderjarige 2] born on [geboortedatum 2] 2013.

Onder de uitspraak staat dat deze is gedaan op 8 adar b 5774, 10 maart 2014, in afwezigheid van de partijen. Vervolgens staat er vermeld dat de uitspraak is gedaan: vandaag, 23 oktober 2013, in de afwezigheid van partijen.

- Op 25 maart 2014 is er ten aanzien van beide kinderen een geboortecertificaat afgegeven waarop ‘ [X] ’ staat vermeld als moeder en ‘ [Y] ’ als vader. Er is geen nationaliteit van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vermeld op de akten. De kinderen staan vermeld met geslachtsnaam [naam Y] . Op 22 november 2016 is op naam van beide kinderen opnieuw een geboortecertificaat afgegeven, met voor zover relevant, dezelfde inhoud.

- In 2017 is de relatie tussen verzoeker en [X] verbroken.

- Sinds 21 maart 2017 staat verzoeker in de BRP ingeschreven op een adres in [woonplaats] Nederland.

- Op 15 juni 2017 heeft [X] volgens een overgelegde schriftelijke productie het volgende verklaard:

“Hierbij verklaar ik, de moeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] [naam Y] , akkoord te gaan met hun vertrek uit Israël met hun vader naar Nederland voor onbepaalde tijd. Ik heb dit goed begrepen omdat het mij is uitgelegd in de Chinese taal. En ik heb geen bezwaren. Hoogachtend de moeder, [X] pastportno [nr. 2] .”

Hieronder is een, althans zo begrijpt de rechtbank, handtekening gezet in de Chinese taal.

- Op 7 november 2017 heeft de Directie Regulier Verblijf en Nederlanderschap van de IND een beschikking afgegeven waarin aan verzoeker wordt medegedeeld dat zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor de kinderen in Nederland niet in behandeling wordt genomen omdat de aanvraag niet is ondertekend door de wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen.

- Op 12 december 2017 hebben verzoeker en [X] blijkens de Engelse vertaling een in het Israëlisch opgestelde ‘Prenuptial Agreement’ ondertekend. De agreement houdt onder meer in dat beide partijen gezamenlijk gezag zullen hebben over de kinderen.

- Bij beslissing van ‘The Family Court in Tel [plaatsnaam] ’ van 17 december 2017 is de prenuptial agreement in rechte goedgekeurd en heeft het daarmee dezelfde rechtgevolgen als een uitspraak gekregen.

- Op 31 mei 2018 is aan beide kinderen een Israëlisch paspoort afgegeven. De kinderen zijn op 28 juni 2018 Nederland ingereisd.

- Op 7 november 2018 heeft de Directie Regulier Verblijf en Nederlanderschap van de IND een beschikking afgegeven waarin de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning voor de kinderen is afgewezen. De kinderen verblijven hier nu onrechtmatig.

Verzoek

Verzoeker heeft - na wijziging en aanvulling van zijn verzoeken - in deze procedure verzocht vast te stellen dat de kinderen sinds hun geboorte, althans 10 respectievelijk 25 maart 2014, de Nederlandse nationaliteit bezitten, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

Standpunt van de IND

Volgens de IND kan op basis van de nu beschikbare informatie niet worden vastgesteld of er naar Israëlisch recht een familierechtelijke betrekking tussen verzoeker en de kinderen is ontstaan en wat de gevolgen daarvan naar Nederlands recht zijn. Volgens de IND kan daarom ook nog niet worden beoordeeld of de kinderen door afstamming het Nederlanderschap hebben verkregen.

De IND heeft geadviseerd de beslissing op het verzoek aan te houden tot:

  • -

    is vastgesteld dat tussen verzoeker en de kinderen naar Israëlisch recht een familierechtelijke betrekking is ontstaan die in Nederland wordt erkend en aan een rechtsfiguur naar Nederlands recht kan worden gelijkgesteld;

  • -

    is aangetoond dat verzoeker (nog steeds maar ook ten tijde van het ontstaan van de familierechtelijke betrekking tussen hem en de kinderen) de Nederlandse nationaliteit bezit.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft binnen de hem gestelde termijn geen conclusie ingediend.

Beoordeling

Vaststelling van het Nederlanderschap van de kinderen

In geschil is of de kinderen het Nederlanderschap kunnen ontlenen aan verzoeker op de voet van artikel 3 lid 1 RWN dan wel artikel 4 lid 1 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment nog onvoldoende informatie beschikbaar is om te kunnen beoordelen of de kinderen aan verzoeker de Nederlandse nationaliteit hebben ontleend. De omstandigheid dat verzoeker in het bezit is van een Nederlands paspoort brengt immers niet zonder meer mee dat in rechte kan worden vastgesteld dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit, noch dat hij deze bezat op het moment dat er een familierechtelijke betrekking is ontstaan tussen hem en de kinderen. Verzoeker heeft een kopie overgelegd van een verklaring uit 2005 waarin hij verklaart onwillig te zijn om de Israëlische nationaliteit te verwerven en waaruit volgt dat hij dientengevolge op dat moment die nationaliteit niet heeft verworven (en daarmee wellicht de Nederlandse nationaliteit heeft verloren). Uit wat ter zitting is besproken is gebleken dat hij zich in de jaren na 2005 (weer) heeft gevestigd in Israël. Onduidelijk is of verzoeker na 2005 op enig moment alsnog de Israëlische nationaliteit heeft verworven. In het geval verzoeker op enig moment vrijwillig de Israëlische nationaliteit heeft verworven zou het gevolg daarvan kunnen zijn dat hij van rechtswege zijn Nederlandse nationaliteit is kwijtgeraakt (op grond van artikel 15 RWN).

De rechtbank kan niet vaststellen wat de nationaliteit van verzoeker was op het moment van geboorte van de kinderen op 25 juni 2013. Evenmin kan de rechtbank vaststellen dat tussen verzoeker en de kinderen een familierechtelijke band is ontstaan en is nog onduidelijk of naar Israëlisch recht sprake is geweest van een erkenning of van een gerechtelijke vaststelling vaderschap, al dan niet met terugwerkende kracht tot aan de geboorte. De status en betekenis van de Israëlische uitspraak van 23 oktober 2013 of 10 maart 2014 is (nog) te onduidelijk. Daarmee samenhangend moet ook duidelijk worden of verzoeker, indien sprake was van een erkenning, Nederlander was ten tijde van de erkenning of, indien sprake was van een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, hij Nederlander was op het moment dat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap kracht van gewijsde heeft gekregen.

De rechtbank stelt verzoeker in de gelegenheid om nadere stukken over zijn nationaliteit over te leggen, bijvoorbeeld een verklaring van de Israëlische ambassade. Hierin moet zijn vermeld of verzoeker op enig moment de Israëlische nationaliteit heeft verworven en, zo ja, op welk moment.

Volledigheidshalve wenst de rechtbank verder geïnformeerd te worden over de wijze waarop de kinderen de Israëlische nationaliteit hebben gekregen. Eén van de mogelijkheden waarop kinderen de Israëlische nationaliteit kunnen verwerven is immers doordat zij deze ontlenen aan de nationaliteit van één van hun ouders. Verzoeker heeft gesteld dat [X] (alleen) de Chinese nationaliteit heeft, zodat zij de Israëlische nationaliteit alleen aan verzoeker als ouder zouden hebben kunnen ontlenen. Verzoeker dient dus stukken over te leggen waaruit blijkt op welke grond de kinderen de Israëlische nationaliteit hebben verworven.

Tot slot dient eerst duidelijk te zijn op welke wijze naar Israëlisch recht een familierechtelijke betrekking tussen verzoeker en de kinderen is ontstaan (en of deze in Nederland voor erkenning vatbaar is), voordat kan worden beoordeeld of de kinderen het Nederlanderschap via verzoeker kunnen hebben verkregen. Verzoeker is in de familierechtelijke procedure in de gelegenheid gesteld om hieromtrent nadere stukken over te leggen. In afwachting van alle voormelde stukken wordt de beslissing op het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van de kinderen aangehouden.

Proceskosten

Omdat er nog geen eindbeslissing zal worden genomen, zal ook de beslissing ten aanzien van de proceskosten worden aangehouden.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de behandeling van het verzoek wordt aangehouden tot 1 april 2021 pro forma teneinde verzoeker in de gelegenheid te stellen zich uit te laten als hierna vermeld;

stelt verzoeker in de gelegenheid om:

  • -

    stukken over te leggen waaruit blijkt of verzoeker op enig moment de Israëlische nationaliteit heeft verworven en, zo ja, op welk moment;

  • -

    stukken over te leggen waaruit blijkt op welke grond de kinderen de Israëlische nationaliteit hebben verworven;

  • -

    over te leggen de onderliggende processtukken die behoren bij de procedure bij de Court for Family Affairs in the District of [plaatsnaam] waaronder eventuele tussenbeslissingen en het rapport van DNA-onderzoek, alsmede een onderbouwde verklaring wat de status en betekenis van deze uitspraak is;

bepaalt dat verzoeker uiterlijk vier weken voor de genoemde proformadatum de rechtbank zal informeren, met afschrift aan de IND;

bepaalt dat de IND uiterlijk op de genoemde proformadatum, voor zover daarop wordt prijs gesteld, zal mogen reageren;

bepaalt dat indien verzoeker aan het hierbij bepaalde geheel of gedeeltelijk niet voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal kunnen worden afgedaan;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van de kinderen en de proceskosten aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. Vink, M.J. Alt - van Endt en J.C. Sluymer, rechters, bijgestaan door mr. I.M. Talstra - Touwen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2021.