Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:11734

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-10-2021
Datum publicatie
08-11-2021
Zaaknummer
C/09/591498 / HA ZA 20-391
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

'Onrechtmatige daad. Rechtbank beoordeelt online uitlatingen niet als onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/591498 / HA ZA 20-391

Vonnis van 13 oktober 2021 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiseres] . te [plaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. H.J. Oosterhagen te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. R.M. van der Zwan te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 maart 2020, met producties 1 t/m 17;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 11;

  • -

    het tussenvonnis van 17 februari 2021, waarin een mondelinge behandeling is bevolen;

  • -

    de door [eiseres] bij de mondelinge behandeling in het geding gebrachte productie 18;

  • -

    het proces-verbaal van de op 27 mei 2021 gehouden mondelinge behandeling, en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken op de verslaglegging, voor zover het feitelijke correcties betreft. Hiervan hebben zij geen gebruik gemaakt.

1.3.

Ten slotte is een datum bepaald voor het wijzen van vonnis.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] voert een onderneming op het gebied van parapsychologische dienstverlening. Directeur van [eiseres] is de heer [de directeur] (hierna: [de directeur] ).

2.2.

[gedaagde] is een zelfstandig ondernemer en is ook actief in de parapsychologische dienstverlening. [eiseres] / [de directeur] en [gedaagde] hebben in het verleden met elkaar samengewerkt.

2.3.

Op 2 december 2012 hebben [gedaagde] en ‘ [de NV io] ’, vertegenwoordigd door haar directeur [de directeur] , een ‘geheimhoudingsovereenkomst’ ondertekend. Op grond van deze overeenkomst zou ‘ [de NV io] ’ [gedaagde] informatie verstrekken die van belang was voor diens marketingstrategie. [gedaagde] was gehouden tot geheimhouding van deze informatie. Tot slot zou [gedaagde] een direct opeisbare boete van € 1.500.000,- verbeuren indien hij één van de verplichtingen uit de overeenkomst zou overtreden.

2.4.

Eveneens op 2 december 2012 ondertekende [gedaagde] een verklaring, getiteld ‘Quitclaim’, die ertoe strekte dat [gedaagde] bij het schenden van de geheimhoudingsplicht, akkoord ging met een boete van € 100.000,-, in aanvulling op de boete in de hierboven genoemde overeenkomst.

2.5.

Kort hierna hebben ‘ [de NV io] ’ (vertegenwoordigd door [de directeur] ) en [gedaagde] een document ondertekend, getiteld ‘wijziging cq. aanvulling op de overeenkomst joint-venture [X] ’. Hierin was onder meer het volgende opgenomen:

“IN AANMERKING NEMENDE DAT:

- Deze aanvulling en wijziging gehecht worden aan de oorspronkelijke overeenkomsten (…)

Wijziging:

  • -

    De geheimhoudingsverklaring en de quitclaim hebben alleen betrekking op alle overheidsgeheimen waar de projecten van [de NV io] deel van uitmaken.

  • -

    De samenwerking met Google alsmede de controversieel wijze waarop succesvol nieuwe klanten voor de heer [gedaagde] worden aangetrokken dienen strikt geheim te blijven.

(…)

  • -

    Mocht AIVD, CIA, FSB, of enig andere inlichtingendienst contact opnemen weet de heer [gedaagde] van niets.

  • -

    Het boetebeding voor de Quitclaim wordt €10.000,- de vorige boete is nietig verklaard

  • -

    Het boetebeding voor de geheimhoudingsovereenkomst wordt €10.000,- de vorige boete is nietig verklaard (…)”

Handgeschreven is het volgende opgeschreven (en geparafeerd door [de directeur] , namens [de NV io] ):

“Boetes van € 1.000.000,- en € 100.000,- vervallen.


De boete van € 100,- p.d idem dito + boete € 1000,-

Tevens boete van € 1.500.000,- vervalt (…)”

2.6.

Bij e-mail van 2 januari 2013 schreef [de directeur] aan [gedaagde] dat

“De geheimhoudingsovereenkomst en quitclaim (…) hier al door de papiervernietiger [zijn] (…) gegaan. Verder heb ik een nietigverklaring opgesteld wat voor jou een bevestiging is. (…)

Bijgevoegd was de volgende tekst:

Nietigverklaring

Tussen [de NV io] . (…)

[gedaagde] (…)

In overweging nemende dat: de informatie ontvangende partij (refererend aan [gedaagde] , rechtbank) niets inhoudelijks heeft gezien omtrent de projecten i.s.m. verscheidene staatsinstellingen en inlichtingendiensten.

De door beide partijen ondertekende geheimhoudingsovereenkomst en bijbehorende quitclaim van 02-12-2012 nietig worden verklaart en vernietigd.

Aldus opgemaakt en ondertekend in drievoud

[de NV io]

[gedaagde] ”

2.7.

Op 1 april 2013 heeft [de directeur] aan [gedaagde] per e-mail bevestigd dat de door [gedaagde] getekende documenten “nietig zijn verklaard en vernietigd”.

2.8.

In 2016 ontving [gedaagde] van [eiseres] een factuur, gedateerd 25 augustus 2016, waarin betaling werd verzocht van in totaal € 3.929.475 (inclusief BTW) binnen tien dagen.

De factuur had betrekking op de volgende posten:

Beschrijving

Aantal

Per stuk

Kosten

Kaping consulent (2 maanden) art. 8

1

€ 1.200

€ 1.200

Kaping consulent (01-06-2015-heden) art.8

1

€ 46.300

€ 46.300

Quitclaim

2

€ 100.000

€ 200.000

Artikel 6

2

€ 1.500.000

€ 3.000.000

Subtotaal

€ 3.247.500

Btw 21,00%

€ 681.975

Totaal

€ 3.929.475

2.9.

Bij brief van 4 januari 2017 heeft een jurist van DAS rechtsbijstand [gedaagde] namens [de directeur] gesommeerd om een bedrag van € 1.653.000,- te betalen op grond van verbeurde boetes. Volgens de brief waren de boetes gebaseerd op de ‘Overeenkomst joint-venture [X] ’. Volgens artikel 6.5 van die overeenkomst zou [gedaagde] een afkoopsom verschuldigd zijn indien hij een consulent1 van [eiseres] zou overnemen en volgens artikel 8 een (dagelijks oplopende) boete wegens overtreding van de overeenkomst.

2.10.

Hierop heeft de advocaat van [gedaagde] op 9 januari 2017 verzocht om de onderliggende overeenkomst toe te sturen. De jurist van [de directeur] liet op haar beurt op 12 januari 2017 weten dat [de directeur] daartoe niet bereid was.

2.11.

Op 15 september 2017 heeft [eiseres] bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor met als insteek het horen van een consulente die zou zijn benaderd door [gedaagde] .

2.12.

[gedaagde] plaatste op Facebook het volgende bericht, als reactie onder een bericht van [de directeur] van 6 juli 2019:

“Deze man [de directeur] heeft geprobeerd mij voor meer dan 1 miljoen op te lichten heb al het bewijs zwart op wit waarschuwing voor iedereen”

2.13.

Op 26 juli 2019 heeft [gedaagde] op de website van Trustpilot het volgende bij het onderwerp ‘ [de directeur] ’ geschreven:

“Grote oplichter en fantast probeerde mij voor meer dan 1 miljoen euro op te lichten

Tevens had meneer altijd financiële problemen Hij probeerde dan ook geld te verdienen door mensen te helpen de lotterij te winnen kon hij mij ook mee helpen

Er waren ook mensen die computerspellen van hem kochten via bol.com die klachten hadden

Tevens is hij voor de rechter veroordeeld inzake verkeerde omgang met een creditcardis online gepubliceerd

Ook vertelde hij dat hij in een reclame commercial had gespeeld hij was de leeuw van destijds de Postbank pure leugen

doe nooit zaken met deze evaarlijke oplichter en fantast

ik kn nog veel meer over hem vertellen heb alle bewijsstukken thuis maak geen grap hij woont in een achterbuurt flat huur in [plaats 1] dus hij kan u echt niet helpen aan een prijs in de loterij”

2.14.

Op 27 juli 2019 plaatste [gedaagde] op de website van Kassa het volgende bericht, onder het onderwerp ‘Ervaring met [de directeur] van [eiseres] ’:

“ [de directeur] therapeut coach in [plaats 1] had mooie praatjes en nav praatjes moest ik iets ondertekenen dat was alleen zodat die een specifiek geheim kon vertellen doet ieder 4 jaar later claimt hij nav het ondertekenen meer dan 1 miljoen euro Gelukkig had ik al meteen na ondertekenen aktie ondernomen voelde dit klopt niet Ook hielp hij mensen aan een grote prijs in loterij terwijl hij zelf in achterbuurtflat woont iemand ook slechte ervaring met [de directeur] ”

2.15.

Op 28 juli 2019 plaatste [gedaagde] op de website van Radar het volgende bericht onder het onderwerp ‘ [de directeur] ’:

“Beste mensen ik wil iedereen waarschuwen voor de fantast [de directeur] Hij liet mij onder valse mondelinge afspraak een claim tekenen Ik kreeg wantrouwen en [de directeur] van [eiseres] maakte een extra bijlage aan de overeenkomst om de claim nietig te verklaren Het ging om een bedrag van meer dan 1 miljoen euro ook een eerder boete afsprak binnen een joint venture liet hij daarin nietig maken 4 jaar later daagde hij mij voor de er alles wat hij nietig had gemaakt wou hij. cashen ik maak geen grap heb al het bewijs zwart op wit”

En in een ander forum, ‘Huiskamer’, op dezelfde website schreef hij:

“Hij zei tegen consulenten dat hij in een reclamespot de leeuw was vd Postbank dat betwijfel ik zag hem zelf meer als rat”

2.16.

Op de website van Opgelicht! is op 29 juli 2019 door gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam] ’ onder het thema ‘ [de directeur] ’ het volgende geschreven:

“Ik ben opgelicht door [de directeur] van [eiseres]

Ook zei hij dat hij mensen een grote prijs in de staatloterij had laten winnen en dat hij dat nog steeds kon

Hij woont zelf in een achterbuurt flat en kon met moeite de huur betalen

Heeft iemand ervaring met [de directeur] van [eiseres] ook opgelicht door deze man (…)”

2.17.

[eiseres] is op Google als volgt door [gedaagde] beoordeeld:

“Grote fantast en oplichter uit de buurt blijven van deze man”

2.18.

[gedaagde] heeft het volgende bericht aan een derde gestuurd:

“ [de directeur] is een grote oplichter en fantast probeert andere mensen kapotte maken voor geldelijk gewin oppassen voor deze man”

2.19.

[de directeur] en [eiseres] hebben bij deze rechtbank een kort geding aanhangig gemaakt tegen [gedaagde] , en, kort gezegd, gevorderd dat [gedaagde] de uitlatingen zou staken en verwijderen. Voordat de mondelinge behandeling van het kort geding zou plaatsvinden, heeft de advocaat van [gedaagde] verschillende internetzoekmachines verzocht om de (onder meer hierboven weergegeven) negatieve berichten te verwijderen, ook uit het cachegeheugen van de zoekmachines. Het kort geding is niet doorgezet.

2.20.

Op 26 september 2019 hebben enerzijds [gedaagde] en anderzijds [de directeur] en [eiseres] een document ondertekend waarin zij verklaren zich te zullen onthouden van negatieve uitlatingen over elkaar.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank, samengevat, bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. voor recht verklaart dat de – in de dagvaarding beschreven en hiervoor onder 2.12 t/m 2.18 geciteerde – online uitlatingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn jegens [eiseres] en dat [gedaagde] gehouden is om de daardoor bij [eiseres] opgetreden schade te vergoeden;

II. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 100.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2019, ter zake van reputatieschade;

III. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 40.100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2019, ter zake van reputatieherstelwerkzaamheden;

IV. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 1.914.171,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2019, ter zake van de marketingwerkzaamheden;

een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2.

[eiseres] legt daaraan het volgende ten grondslag. De online uitlatingen van [gedaagde] zijn onrechtmatig. Niet alleen zijn de uitspraken beledigend, maar ook wordt [eiseres] beticht van een strafbaar feit (‘oplichter’), zonder dat daarvoor enige grond is. Als gevolg van de uitlatingen lijdt [eiseres] schade. Zij vordert immateriële schade van € 100.000,-. Daarnaast vordert zij materiële schade, bestaande uit gederfde winst (waarvan de omvang in een schadestaatprocedure vastgesteld zou moeten worden) en geleden verlies. Dat verlies bestaat uit de kosten van het opschonen van de online reputatie van [eiseres] (€ 40.100,-) en marketingkosten voor de website om de bezoekersaantallen naar het oude niveau te brengen € 1.914.171,60 inclusief BTW).

3.3.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In de meeste hiervoor onder 2.12 t/m 2.18 geciteerde uitlatingen van [gedaagde] is [de directeur] genoemd, maar niet telkens ook [eiseres] . De rechtbank laat dit identiteitsverschil voorlopig in het midden, omdat eerst moet worden beoordeeld of de betreffende uitlating onrechtmatig is. Pas zodra dat wordt vastgesteld, wordt relevant of de uitlating ook [eiseres] treft.

4.2.

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of [gedaagde] – door het plaatsen van (onder meer) de hierboven geciteerde uitlatingen – onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] . Daarbij moet worden vooropgesteld dat twee, in beginsel gelijkwaardige, belangen tegenover elkaar staan: enerzijds het belang van [eiseres] bij eerbiediging van haar goede naam en reputatie, met name online; anderzijds het belang van [gedaagde] om misstanden aan de kaak te stellen die de samenleving raken. Welk belang in de gegeven omstandigheden zwaarder weegt, moet volgens vaste rechtspraak2 worden beantwoord aan de hand van de volgende (niet limitatieve) gezichtspunten:

  1. de aard van de uitlating en de ernst van de te verwachten gevolgen voor de betrokkene;

  2. de ernst van de misstand – vanuit algemeen belang bezien – die door de publicatie aan de orde wordt gesteld;

  3. de mate waarin de publicatie steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal;

  4. e totstandkoming en inkleding van de uitlatingen;

  5. de vraag in hoeverre de misstand op een minder schadelijke wijze aan de kaak kon worden gesteld;

  6. de maatschappelijke positie van de betrokkene.

4.3.

[gedaagde] is in 2016 geconfronteerd met een factuur van [eiseres] voor een bedrag van ruim drie miljoen euro. In 2017 ontving [gedaagde] een sommatiebrief van een door van [de directeur] ingeschakelde jurist waarin betaling werd verzocht van € 1.653.000,-. Beide vorderingen waren gebaseerd op contractuele boetes wegens het ‘overnemen van een consulent’ van [eiseres] . Uit de brief van de jurist volgt dat de contractuele boetes betrekking hebben op de ‘Overeenkomst joint-venture [X] ’. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat hij vreesde zijn huis te verliezen als gevolg van de gepretendeerde vordering van [eiseres] . Doordat [gedaagde] de hiervoor onder 2.5 en 2.6 genoemde documenten – waarin de boetes nietig waren verklaard c.q. op nihil waren gesteld – terugvond, heeft hij de vordering kunnen afweren.

4.4.

[gedaagde] heeft ter zitting (onbestreden) toegelicht dat hij in 2019 van klanten van [de directeur] / [eiseres] hoorde dat zij contracten moesten ondertekenen waarin hoge boetes waren opgenomen. Daarop besloot [gedaagde] om op internet mensen te waarschuwen om niet met [de directeur] / [eiseres] in zee te gaan.

4.5.

Vervolgens heeft [gedaagde] op diverse internetfora en op Facebook, Google en Trustpilot het bericht verspreid dat men moest oppassen voor [eiseres] en heeft hij [eiseres] / [de directeur] uitgemaakt voor oplichter en fantast.

4.6.

[gedaagde] moest hebben geweten dat zijn uitspraken negatieve publiciteit konden opleveren voor [eiseres] . [gedaagde] wilde ook klaarblijkelijk dat zijn uitlatingen gehoor zou krijgen, getuige de verschillende fora en websites die hij daarvoor gebruikte.

4.7.

Ondanks dit risico op negatieve gevolgen voor [eiseres] , is de rechtbank alles overziend van oordeel dat de diverse uitlatingen van [gedaagde] niet onrechtmatig zijn.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat het met juridische bijstand trachten te incasseren van forse boetes, evident zonder deugdelijke grondslag een ernstige misstand is waartegen [gedaagde] heeft mogen waarschuwen. Dat geldt temeer in de situatie waarin [gedaagde] van anderen hoort dat [de directeur] / [eiseres] hen vraagt overeenkomsten waarin hoge boetes zijn opgenomen te sluiten, waardoor ook zij worden blootgesteld aan forse financiële risico’s. Dat er voor [gedaagde] een andere effectieve, minder schadelijke manier was om voor deze misstand te waarschuwen, is gesteld noch gebleken.

4.8.

[gedaagde] heeft [de directeur] onder meer voor oplichter en fantast uitgemaakt. Hij heeft deze uitlatingen voorzien van context, door in de berichten te beschrijven wat hem is overkomen, namelijk dat [eiseres] hem had geprobeerd op te lichten voor meer dan een miljoen euro, althans dat hij zonder grond een bedrag van meer dan een miljoen euro had geprobeerd te incasseren. Die aantijgingen vinden voldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal.

4.9.

[eiseres] heeft betoogd dat [gedaagde] hem heeft beschuldigd van oplichting – een strafbaar feit – en dat een dergelijke beschuldiging eerder onrechtmatig is. De rechtbank gaat daaraan voorbij, niet alleen omdat de uitlating voldoende steun vindt in de feiten, maar ook omdat de term ‘oplichting’ in het algemeen spraakgebruik ook een bredere betekenis heeft, namelijk dat iemand zich door een ander belazerd voelt. Het is de rechtbank overigens niet ontgaan dat ook [de directeur] zich weinig vleiend over [gedaagde] heeft uitgelaten. Uit het als productie 8 bij dagvaarding overgelegde tekstbericht van [de directeur] – welk bericht ook bij conclusie van antwoord is geciteerd – blijkt dat [de directeur] onder meer het volgende over [gedaagde] zegt: “Maar hij [ [gedaagde] , rechtbank] bleek een oplichter”.

4.10.

De toon van [gedaagde] ’ uitlatingen is weliswaar weinig subtiel, maar ook dat maakt zijn uitlatingen niet onrechtmatig. Op discussiefora op internet is het nu eenmaal gebruikelijk dat de toon wat scherper is en enige mate van overdrijving voorkomt. De lezer wordt geacht ermee bekend te zijn dat dit soort postings niet geheel letterlijk moeten worden opgevat en deze met een korrel zou moeten worden genomen. Hetzelfde geldt voor uitlatingen die worden gedaan op recensiewebsites als Google en Trustpilot.

4.11.

Voorts heeft de rechtbank meegewogen dat [gedaagde] zijn uitlatingen overwegend op internetfora van televisieprogramma’s als Radar, Opgelicht! en Kassa heeft gedaan, en op websites als Trustpilot en Google, waar men recensies van dienstverleners kan plaatsen. Duidelijk is hier telkens dat het om opvattingen gaat van een gebruiker van dergelijke fora/websites aan wie geen bijzondere reputatie of gezag toekomt. Ook de manier waarop [gedaagde] zijn teksten heeft geformuleerd – die door het weglaten van interpunctie een nogal chaotische indruk wekken – draagt allerminst bij aan de mate waarin anderen zijn uitlatingen serieus zullen nemen. Tot slot heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd welk bereik deze fora/websites hebben.

4.12.

Ten aanzien van de overige in de dagvaarding geciteerde en hierboven deels weergegeven uitlatingen (waaronder “Tevens had meneer altijd financiële problemen Hij probeerde dan ook geld te verdienen door mensen te helpen de lotterij te winnen kon hij mij ook mee helpen Er waren ook mensen die computerspellen van hem kochten via bol.com die klachten hadden Tevens is hij voor de rechter veroordeeld inzake verkeerde omgang met een creditcardis online gepubliceerd (…) ik kn nog veel meer over hem vertellen heb alle bewijsstukken thuis maak geen grap hij woont in een achterbuurt flat huur in [plaats 1] dus hij kan u echt niet helpen aan een prijs in de loterij” en “Hij zei tegen consulenten dat hij in een reclamespot de leeuw was vd Postbank dat betwijfel ik zag hem zelf meer als rat”) van [gedaagde] , heeft te gelden dat dit overwegend neutraal geformuleerde mededelingen zijn, waarvan onvoldoende is onderbouwd waarom die onrechtmatig zouden zijn. De kwalificatie “rat” in de hiervoor geciteerde uitlating maakt dat – hoewel wederom weinig subtiel – niet anders.

4.13.

De rechtbank concludeert dat [gedaagde] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] . De onder I gevorderde verklaring voor recht en de onder II, III en IV gevorderde schadevergoeding zullen worden afgewezen.

Proceskosten

4.14.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 9.637, waarvan € 1.639 aan griffierecht en € 7.998 (2 punten x tarief VIII) aan salaris advocaat.

4.15.

De rechtbank wijst de door [gedaagde] gevorderde reële proceskostenvergoeding af. Een dergelijke vergoeding voor gemaakte proceskosten is aan de orde als een partij misbruik maakt van procesrecht of onrechtmatig handelt door het aanspannen van een procedure. Daarvan is slechts sprake als de procedure, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij, achterwege had moeten blijven. Van de onderhavige procedure kan echter niet gezegd worden dat daarin een evident ongegronde vorderingen aan de orde is.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 9.637;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2021.3

1 De rechtbank begrijpt dat hiermee wordt bedoeld een parapsychologisch adviseur die werkt in opdracht of dienst van [eiseres] .

2 Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 januari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:494.

3 type: 2628