Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:11657

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-10-2021
Datum publicatie
27-10-2021
Zaaknummer
C/09/595874 / HA ZA 20-669
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vleesimporteur stelt Staat aansprakelijk wegens onder meer toezichtsfalen. NVWA heeft aan partij Braziliaans rundvlees met STEC-besmetting ten onrechte lage risico kwalificatie toegekend. Hierdoor is partij doorgelaten en voor een deel verwerkt. Op een later moment is aan de partij vlees een hoge risico kwalificatie toegekend. Deze mededeling heeft de importeur bereikt na het verstrijken van de contractuele reclamatietermijn van de Braziliaanse leverancier. Hierdoor heeft de importeur niet meer kunnen reclameren. De importeur heeft in dezen echter een eigen verantwoordelijkheid voor de controle van de kwaliteit van de partij vlees en kan daarvoor niet op de controle en risicokwalificatie van de NVWA leunen. Er is geen sprake van onrechtmatig handelen, een causaal verband ontbreekt. Er is niet voldaan aan het relativiteitsvereiste.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Douanerechtspraak 2021/132
JA 2022/31 met annotatie van Hartog, J. den, Maes, K.L.
O&A 2022/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/595874 / HA ZA 20-669

Vonnis van 20 oktober 2021

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

[X] LTD te Londen (Verenigd-Koninkrijk),

eiseres,

advocaat: mr. L. Hoekstra te Heerenveen,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT, NEDERLANDSE VOEDSEL- EN WARENAUTORITEIT) te Den Haag,

gedaagde,

advocaten: mrs. W.I. Wisman te Den Haag.

Partijen zullen hierna ‘ [X] ’ en ‘de Staat’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 juli 2020, met producties 1 tot en met 9;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met12;

  • -

    het tussenvonnis van 28 april 2021, waarin een mondelinge behandeling is bevolen;

  • -

    de akte overlegging producties van 13 augustus 2021 van [X] , met producties 10 tot en met 45;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 augustus 2021.

1.2.

Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. [X] heeft bij brief van 16 september 2021 en de Staat bij brief van 17 september 2021 gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. De rechtbank leest het proces-verbaal met inachtneming van de gemaakte opmerkingen.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In mei 2017 heeft [X] een partij vlees van 25.000 kilo ‘Brazilian frozen boneless beefcut’ (hierna: de partij vlees) gekocht van Minerva Foods SA (hierna: Minerva). [X] heeft voor die partij vlees USD 127.500 betaald. Minerva heeft haar algemene voorwaarden van toepassing verklaard op de koopovereenkomst. Daarin is onder meer het volgende bepaald:

‘5.1. Claims concerning problems that can be detectable at container’s arrival (document’s mistake, shortages, etcetera), the client must send a formal claim to Minerva maximum 5 days after the arrival of the container.

5.2

Claims concerning problems that do not have the cause detectable at container’s arrival, the client must send a formal claim to Minerva maximum 30 days after the arrival of the container.’

2.2.

Op 13 juli 2017 is de partij vlees in de haven van Rotterdam aangekomen en bij een vrieshuis opgeslagen. Op 19 juli 2017 heeft de douaneagent Codirex Expeditie B.V. (hierna: de Douaneagent) de partij vlees namens [X] ter keuring aangeboden aan de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (hierna: NVWA). Tijdens de keuring heeft de NVWA vijf monsters van de partij vlees genomen. Deze monsters zijn onderzocht door een laboratorium.

2.3.

Op 31 juli 2017 heeft de NVWA de keuringsresultaten verzonden aan de Douaneagent. De NVWA heeft onder meer het ‘Bericht aanbieder/sip-houder m.b.t. aanhouding’ (hierna: het bericht) en de ‘Fiche voor monster afnames’ (hierna: de fiche) aan de Douaneagent toegezonden. In het bericht is onder meer het volgende vermeld:

  • -

    de reden voor de aanhouding: ‘Laboratorium onderzoek op E. coli STEC’;

  • -

    de laboratoriumtest die is uitgevoerd: ‘VAT. Lab.ond./Ecoli/STEC (…)’;

  • -

    het onderzoeksresultaat: er is sprake van een ‘verdenking’.

2.4.

In één van de vijf monsters heeft het onderzoekslaboratorium een STEC-besmetting aangetroffen. In de fiche staat naar aanleiding daarvan onder meer het volgende:

  • -

    de test die het laboratorium heeft uitgevoerd: ‘(nl) Eschericia coli (STEC)’;

  • -

    de methode die het laboratorium heeft gehanteerd: ‘TYP01-WV012 isolatie STEC, v11’;

  • -

    het onderzoeksresultaat: ‘Stec STx 1 aangetoond, maar geen aanhechtingsgenen’.

2.5.

De NVWA heeft, na interpretatie van de onderzoeksresultaten, geconcludeerd dat de reden van de aanhouding van de partij vlees kon worden opgeheven.

2.6.

In mei 2017 heeft Compaxo Fijne Vleeswaren B.V. (hierna: Compaxo) de gehele partij vlees besteld bij [X] voor het bedrag van € 152.541,97. Op 1 augustus 2017 heeft Compaxo 10.000 kilo van de partij vlees afgenomen en vervolgens gerookt en verpakt. De overige 15.000 kilo vlees bleef opgeslagen in het vrieshuis.

2.7.

Op 28 augustus 2017 heeft de NVWA vastgesteld dat op basis van het onderzoeksresultaat aan de partij vlees een ‘hoog risicoprofiel’ in plaats van een ‘laag risicoprofiel’ moet worden toegekend.

2.8.

Op 23 oktober 2017 heeft de NVWA het volgende e-mailbericht aan de Douaneagent gestuurd:

‘De partij 17061357 (bevroren rundvlees) is in eerste instantie een laag risicoprofiel toegekend. Een laag risicoprofiel houdt in dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat het levensmiddel eerst wordt geconsumeerd na verhitting of andere bewerking ter eliminering of terugbrenging op aanvaardbaar niveau van STEC. Analyse van een vijftal monters uit partij 17061357 (bevroren rundvlees) wees uit dat in één deelmonster weliswaar STx1 is aangetroffen, maar geen aanhechtingsgenen zijn aangetoond. De beleidslijn van de NVWA is dat in dat geval geen verdere acties noodzakelijk zijn. Daarom is de partij op 31 juli 2017 vrijgegeven.

Nadien bleek op 28 augustus 2017, tijdens de beoordeling van een andere partij (bevroren rundvlees, GDB nummer 17069390) dat partij 17061357 niet een laag, maar een hoog risicoprofiel had. Er moest immers rekening mee worden gehouden dat het vlees ook rechtstreeks wordt geconsumeerd, dus zonder verhitting of andere bewerking ter eliminering of terugbrenging op aanvaardbaar niveau van STEC. Achteraf bezien had partij 17061357 niet vrijgegeven moeten worden. Ik betreur het dat Codirex Expeditie BV hiervan niet eerder op de hoogte is gebracht.’

2.9.

Op 18 januari 2018 heeft [X] een creditnota voor een bedrag van

€ 152.541,97 aan Compaxo gestuurd.

2.10.

[X] heeft de partij vlees aangeboden aan potentiële kopers, waaronder Oakfield Food in het Verenigd Koninkrijk. In een e-mailbericht van 28 januari 2019 heeft een medewerker van de NVWA aan [X] meegedeeld dat de besmetting effectief bestreden kan worden als de partij vlees verhit wordt op 72 graden Celsius gedurende minimaal twee minuten. De Food Standards Agency, de voedsel- en warenautoriteit in het Verenigd Koninkrijk (hierna: FSA), heeft op 28 maart 2019 aan [X] bericht dat de partij vlees indien het bewerkt wordt, kan worden vrijgegeven. De NVWA heeft diezelfde dag toestemming gegeven voor transport van de partij vlees naar het Verenigd Koninkrijk.

2.11.

In een e-mailbericht van 15 mei 2019 heeft Oakfield Food aan [X] bericht dat de partij vlees niet effectief bestreden kon worden. Oakfield Food beroept zich hierbij op een e-mailbericht van Campden Food Research. In dat e-mailbericht staat onder meer:

‘In response to your enquiry our expert has provided the following information for you.

1) Heat resistance of STEC—the best data will come from the ACMSF report on safe cooking of burgers (https://acmsf.food.gov.uk/sites/defauj/fi)multimedia/pdfs/acmsfburgers0807.pdf) this deals with E.coli 0157, but the times and temperatures should deal with any STEC. See table 4.note these are all centre temperatures at the slowest heating point

Equivalent temperatures based on a z-value of 6C

Temperature (*C)

Time

60

93 minutes

65

13.6 minutes

70

2 minutes

75

18 seconds

80

3 seconds

2) Toxin inactivation - we would never suggest a safety factor based on inactivation of a pre produced toxin, safety is assured by preventing it being formed, not attempting to eliminate It after it has been formed.

3) For general information only there have been some papers on inactivation of STX 2 that note that it can be a heat resistant toxin that is difficult to render inactive by heat processing—but please note our comment in point 2—we would never recommend safety assurance by inactivation of preformed toxin.’

2.12.

[X] heeft op 1 juli 2019 een klacht en schadevordering ingediend bij de NVWA. De NVWA heeft deze klacht en schadevordering afgewezen op 25 juli 2019.

2.13.

Op 10 oktober 2019 heeft [X] de partij vlees laten vernietigen.

3 Het geschil

3.1.

[X] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [X] ;

II. de Staat veroordeelt tot betaling aan [X] een schadevergoeding van

€ 135.398,92, te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente; en

III. de Staat veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2.

Aan deze vordering legt [X] , samengevat, ten grondslag dat de NVWA haar zorgvuldigheidsplicht jegens [X] heeft geschonden. Daardoor heeft de NVWA als toezichthouder jegens haar onrechtmatig gehandeld. Dit verwijt valt uiteen in drie deelverwijten:

  1. de NVWA had op 31 juli 2017 de partij vlees geen laag risico mogen geven en niet mogen vrijgeven en zij had de partij vlees in eerste instantie dus moeten afkeuren;

  2. de NVWA had de beoordeling dat aan de partij vlees een hoog risico profiel is toegekend eerder aan [X] moeten mededelen; en

  3. de NVWA heeft in 2019 een verkeerd bestrijdingsadvies gegeven.

Als gevolg van de onrechtmatige daad lijdt [X] een gestelde schade van in totaal € 135.398,92. Het causaal verband tussen de fout en de schade bestaat volgens [X] hierin dat als de NVWA de partij vlees in eerste instantie had afgekeurd, [X] de partij vlees nog kon reclameren bij Minerva. Onder de van toepassing zijnde algemene voorwaarden is het volgens [X] mogelijk om binnen 30 dagen na aankomst de partij vlees te reclameren bij Minerva. Omdat de NVWA eerst na het verstrijken van die 30 dagen heeft meegedeeld dat de partij vlees afgekeurd werd, is haar die mogelijkheid ontnomen. Verder heeft [X] extra kosten moeten maken voor de opslag van de partij vlees op basis van de mededeling van de NVWA dat de partij vlees behandeld zou kunnen worden, terwijl dat niet mogelijk was. Ten slotte heeft [X] gesteld dat aan het relativiteitsvereiste is voldaan. De NVWA is de autoriteit die beslist over het wel of niet goedkeuren van de partij vlees. De NVWA moet bij de uitoefening van die taak ook rekening houden met de belangen van vleesimporteurs.

3.3.

De Staat voert verweer. De Staat betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld. De NVWA heeft haar interpretatie van de bemonstering tijdig herroepen, namelijk voordat de partij vlees op de markt kwam. Daarnaast is er van causaliteit geen sprake, nu [X] de partij vlees goederenrechtelijk aan Compaxo heeft geleverd voorafgaand aan de gestelde onrechtmatige daden. De Staat stelt voorts dat niet voldaan is aan het relativiteitsvereiste, omdat het juridische kader op basis waarvan de NVWA opereert bescherming van de volksgezondheid beoogt. De normen strekken niet ter bescherming van de commerciële belangen van importeurs als [X] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Inleiding en beoordelingskader

4.1.

[X] is een vleesimporteur die de partij vlees heeft geïmporteerd vanuit Brazilië naar Nederland. De NVWA is de Nederlandse toezichthouder die onder meer toeziet op de kwaliteit van voedselwaren. In dat kader heeft zij de partij vlees bij aankomst in Nederland aangehouden voor controle. [X] verwijt de NVWA dat zij vervolgens haar taken als toezichthouder niet goed heeft uitgeoefend.

4.2.

Van toezichthoudersaansprakelijkheid is als de NVWA als toezichthouder onrechtmatig handelt. Dat is het geval als aan alle voorwaarden van artikel 6:162 jo. 6:163 BW is voldaan. Daarvoor moet er onder andere een norm zijn geschonden door de NVWA. Die norm moet strekken tot bescherming tegen de schade zoals [X] die geleden heeft. Voorts moet die schade voortvloeien uit de normschending door de NVWA. Voor de vraag of er sprake is van een gedraging die leidt tot normschending en relativiteit, zijn de verantwoordelijkheden van de NVWA en [X] van belang.

4.3.

De NVWA en [X] hebben in hun hoedanigheden ieder eigen verantwoordelijkheden. [X] is als importeur verantwoordelijk voor de kwaliteit van de geïmporteerde goederen.1 De importeur is op grond van het burgerlijk recht ook verantwoordelijk om contractuele afspraken met haar eigen leveranciers en afnemers na te komen of te handhaven. De NVWA is op grond van (Europese) wet- en regelgeving verantwoordelijk voor bescherming van de volksgezondheid.2 De NVWA heeft geen bijzondere verantwoordelijkheid ten aanzien van (de controle van) de kwaliteit van of eventuele non-conformiteit van gekeurde goederen. De vraag of de NVWA als toezichthouder tekort geschoten is, zal vanuit het perspectief van voormelde taken en verantwoordelijkheden moeten worden beoordeeld. De NVWA heeft in het maatschappelijk verkeer, net als ieder ander, bij de uitoefening van haar taken wel rekening te houden met de kenbare belangen van derden, waaronder die van [X] .

4.4.

Tegen de hiervoor geschetste achtergrond zullen de drie deelverwijten van [X] worden beoordeeld.

Deelverwijt 1: foutieve beoordeling

4.5.

Het eerste deelverwijt ziet erop dat de NVWA op 31 juli 2017 de partij vlees geen laag risico had mogen geven en niet had mogen vrijgeven. Het verwijt van [X] komt er in de kern op neer dat de NVWA de partij vlees op 31 juli 2017 onvoorwaardelijk had moeten afkeuren. In dat geval had [X] tijdig en rechtsgeldig kunnen reclameren bij Minerva, aldus [X] .

4.6.

Ter terechtzitting heeft de Staat aangevoerd dat de NVWA een partij geïmporteerd vlees niet goed- of afkeurt. De NVWA heft alleen de aanhouding van de partij vlees indien (uit een keuring) niet gebleken is dat sprake is van besmetting. De rechtbank volgt de Staat in dat standpunt. Verder heeft te gelden dat ook na een opheffing van de aanhouding, de NVWA (op basis van nieuwe informatie) kan besluiten dat een partij vlees van de interne markt moet worden gehaald. De rechtbank zal het verwijt van [X] dan ook zo lezen dat de NVWA de aanhouding van de partij vlees ten onrechte heeft opgeheven op basis van een verkeerde vooronderstelling over het risicoprofiel van de partij vlees.

4.7.

In de brief van 23 oktober 2017 heeft de NVWA het onderscheid tussen een hoog en laag risicoprofiel als volgt toegelicht: ‘Een laag risicoprofiel houdt in dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat het levensmiddel eerst wordt geconsumeerd na verhitting of andere bewerking ter eliminering of terugbrenging op aanvaardbaar niveau van STEC.’ Een hoog risicoprofiel wordt toegekend indien er ‘rekening mee [moet] worden gehouden dat het vlees ook rechtstreeks wordt geconsumeerd, dus zonder verhitting of andere bewerking ter eliminering of terugbrenging op aanvaardbaar niveau van STEC.

4.8.

Het meest verstrekkende verweer van de Staat luidt dat [X] deze vordering niet kan instellen omdat zij ten tijde van de gestelde onrechtmatige daad geen eigenaar meer was van de partij vlees. De goederenrechtelijke overdracht van [X] aan Compaxo had volgens de Staat op het moment van de gestelde onrechtmatigheid al plaatsgevonden. Dit verweer gaat niet op. De door [X] gestelde onrechtmatige daad heeft namelijk op 31 juli 2017 plaatsgevonden. Partijen hebben ter terechtzitting beide verklaard dat op 1 augustus 2017 de goederenrechtelijke overdracht van de partij vlees plaatsvond (tijdens de zogenoemde ‘eerste afroep’) en niet eerder. Daarmee staat vast dat [X] op 31 juli 2017, de datum waarop de NVWA de partij vlees heeft vrijgegeven, nog eigenaar was van de partij vlees. Het causaliteitsverweer van de Staat ontbreekt derhalve feitelijke grondslag.

4.9.

Partijen zijn vervolgens verdeeld over de vraag of de NVWA bij haar beslissing dat de aanhouding van de partij vlees op 31 juli 2017 kon worden opgeheven, expliciet had moeten mededelen dat dit alleen zou mogen plaatsvinden indien en voor zover de STEC-besmetting effectief bestreden zou zijn. In feite verwijt [X] dat de NVWA onrechtmatig gehandeld heeft door niet te expliciteren wat een laag risicoprofiel inhoudt en onder welke voorwaarde de aanhouding van de partij vlees is opgeheven. Nu de afhandeling van de partij vlees en het contact met de NVWA heeft plaatsgevonden door tussenkomst van de Douaneagent, zal de rechtbank bij de beoordeling van dit verwijt de kennis die de Douaneagent had of had kunnen hebben op basis van de berichtgeving van de NVWA toerekenen aan [X] . De Douaneagent is namelijk de tussenpersoon die handelde in opdracht van [X] .

4.10.

De NVWA heeft vijf monsters genomen van de partij vlees. Vier monsters bevatten geen STEC. Eén monster bevatte wel STEC. Dit is ook meegedeeld in het bericht en de fiche die op 31 juli 2017 aan de Douaneagent zijn verzonden (zie 2.3). De NVWA is bij de interpretatie van de monsters uitgegaan van een foutieve vooronderstelling over de verdere verwerking, namelijk dat de partij vlees niet onbewerkt geconsumeerd zou worden. De NVWA ging er daarbij vanuit dat er sprake was van een laag risico. Bij een juiste vooronderstelling zou de partij vlees een hoog risico profiel moet hebben krijgen gezien het beoogde gebruik en daarop horende verwerking. Door deze foutieve vooronderstelling kon de opheffing van de aanhouding ten onrechte voorwaardelijk plaatsvinden.

4.11.

[X] heeft als importeur van de partij vlees – ten onrechte – zonder meer vertrouwd op de interpretatie door de NVWA van de bemonsteringsuitslag. [X] heeft als professionele vleesimporteur in dezen een eigen verantwoordelijkheid en had niet volledig mogen leunen op de toekenning van het risicoprofiel door de NVWA. Dit geldt te meer nu uit het bericht en de fiche zonder meer blijkt dat een deel van de partij vlees besmet was met STEC. De inhoud van het bericht en de fiche had [X] moeten alarmeren en voor haar reden moeten zijn voor nader onderzoek.

4.12.

Daar komt bij dat [X] niet in de positie verkeerde dat zij de interpretatie van de bemonsteringsuitslag blindelings moest volgen. Ten eerste had [X] een externe derde kunnen benoemen om de partij vlees aan een bemonstering te onderwerpen. Dat een dergelijk onderzoek niet ongebruikelijk is blijkt uit het onderzoek dat Oakfield Foods in 2019 heeft laten uitvoeren. Ten tweede had [X] op basis van de bemonsteringsuitslag zelf nader onderzoek kunnen doen naar de interpretatie van die bemonsteringsuitslag. Uit deze uitslag, zoals verwoord in het bericht en de fiche, bleek immers zonder meer dat STEC is aangetroffen in een van de monsters. Zo had [X] navraag kunnen doen bij de NVWA of de website van de NVWA kunnen raadplegen. Zoals de NVWA ter terechtzitting onbetwist heeft gesteld, staat op de website van de NVWA vermeld welke behandeling van vlees moeten plaatsvinden in het geval van een STEC-besmetting. Eveneens had [X] ook zelf advies kunnen inwinnen bij een derde over de interpretatie van de keuringsresultaten.

4.13.

Het enkele feit dat de NVWA bij het vrijgeven van de partij vlees op 31 juli 2017 niet geëxpliciteerd heeft dat de partij vlees eerst bewerkt dient te worden, maakt nog niet dat de NVWA onrechtmatig heeft gehandeld. [X] heeft een eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de partij vlees en dient zelf het bemonsteringsresultaat van het door de NVWA uitgevoerde onderzoek te interpreteren. Al met al is de toekenning van een laag risicoprofiel weliswaar onjuist, maar dit leidt niet tot een onrechtmatig handelen van de NVWA jegens [X] .

4.14.

Daar komt bij dat de keuring van de NVWA er toe dient de volksgezondheid te beschermen. De wet- en regelgeving op basis waarvan de NVWA de keuring uitvoert, dienen niet ter bescherming van de handelsbelangen van een vleesimporteurs. Dat betekent dat ook aan het relativiteitsvereiste is derhalve ook niet voldaan.

4.15.

Deelverwijt 1 slaagt derhalve niet en kan niet leiden tot een toewijzing van de vordering.

Deelverwijt 2

4.16.

Het tweede deelverwijt van [X] heeft betrekking op de mededeling van de herinterpretatie van het onderzoeksresultaat. De NVWA had volgens [X] de hernieuwde interpretatie van het keuringsresultaat van 28 augustus 2017 eerder moeten mededelen dan op 23 oktober 2017. [X] heeft door de late mededeling van de NVWA niet tijdig kunnen reclameren bij Minerva, waardoor zij schade lijdt.

4.17.

De rechtbank stelt voorop dat de Staat in deze procedure geen goede reden heeft gegeven waarom de herinterpretatie van 28 augustus 2017 pas op 23 oktober 2017 aan de Douaneagent is medegedeeld. Echter, ook in het geval de NVWA (ruim) voor 23 oktober 2017 [X] of de Douaneagent had bericht, dan had dat nog steeds niet geleid tot een situatie waarin [X] in betere rechtspositie ten opzicht van Minerva zou verkeren.

4.18.

Tussen het gestelde te laat mededelen van de correctie en de vermeende schade als gevolg van het te laat melden, bestaat geen causaal verband. [X] heeft aangevoerd dat de NVWA het herziene keuringsresultaat niet op 23 oktober 2017 had moeten mededelen, maar eerder. De eerste mogelijkheid voor mededeling van het herziene keuringsresultaat deed zich voor op 28 augustus 2021. Dit was het moment waarop de NVWA de herbeoordeling maakte. [X] heeft niet gesteld dat de NVWA er eerder achter had moeten en kunnen komen dat het keuringsresultaat had moeten worden herzien. [X] heeft alleen gesteld dat de NVWA aanstonds had moeten vaststellen dat de partij vlees onvoorwaardelijk niet konden worden vrijgegeven, maar in die stelling gaat de rechtbank niet mee (zie beoordeling deelverwijt 1).

4.19.

Zelf in het geval de NVWA op of daags na 28 augustus 2021 de herinterpretatie van het keuringsresultaat had medegedeeld, dan waren de reclamatietermijnen als bedoeld in artikel 5.1 en 5.2 van de overeenkomst hoe dan ook vervallen. Op grond van artikel 5.2 van de overeenkomst moest [X] immers aan Minerva een ‘formal claim’ toesturen ‘maximum 30 days after arrival of the container’. De container met partij vlees is op 13 juli 2017 in Rotterdam aangekomen. De reclamatietermijn is derhalve op 12 augustus 2017 – en dus (ruim) voor 28 augustus 2021 – vervallen. [X] heeft niet toegelicht op basis van welke rechtsgrond zij bij een eerdere mededeling van de herinterpretatie in een betere positie ten opzichte van Minerva zou hebben verkeerd.

4.20.

Daarmee ontbreekt het causale verband tussen de gestelde schade en deelverwijt 2. De rechtbank oordeelt dan ook dat deelverwijt 2 niet kan leiden tot een toewijzing van de vordering.

Deelverwijt 3: foutief bestrijdingsadvies

4.21.

In de derde plaats verwijt [X] de NVWA dat zij een verkeerd bestrijdingsadvies heeft gegeven. Vast staat dat de partij vlees is besmet met STEC. De NVWA heeft op 28 januari 2019 aan [X] gemeld dat die STEC effectief bestreden kan worden door verhitting van de partij vlees. Daarbij is de hoogte van verhitting van de partij vlees afhankelijk van de duur van de verhitting. [X] betwist dit. Volgens haar is het onmogelijk om STEC effectief te behandelen, met name niet op de wijze die de NVWA voorstelt. Ter staving van haar stelling, beroept [X] zich op het e-mailbericht van Campden Food Research. De NVWA wijst ter weerlegging van dit verwijt naar het bestrijdingsadvies van haar eigen deskundigen en het gelijkluidende bestrijdingsadvies van de FSA.

4.22.

Op [X] rust de stelplicht ten aanzien van de onjuistheid van het bestrijdingsadvies van de NVWA. De NVWA heeft de door [X] gestelde onjuistheid met stukken betwist. Voor de beantwoording van de vraag of het bestrijdingsadvies onjuist is, komt het daarom aan op een bewijswaardering van de overgelegde stukken.

4.23.

De rechtbank is van oordeel dat [X] haar stellingen over het foutieve bestrijdingsadvies, in het licht van de betwisting, onvoldoende heeft onderbouwd. Niet aannemelijk is geworden dat het bestrijdingsadvies van de NVWA onjuist is. Ter onderbouwing van haar stelling brengt [X] slechts het e-mailbericht van Campden Food Research naar voren. Dat e-mailbericht is opgesteld in opdracht van de commerciële partij Oakfield Food. Niet duidelijk is op basis van welke informatie vanuit Oakfield Food en/of [X] Campden Food Research haar conclusies heeft gebaseerd. Daartegenover staat dat de NVWA zich heeft beroepen op een uitgebreide e-mail van de FSA. De objectiviteit en onafhankelijkheid van de FSA is niet betwist. Het advies van de FSA is opgesteld onder hetzelfde Europeesrechtelijke kader op grond waarvan de NVWA haar bestrijdingsadvies heeft gegeven en is min of meer gelijkluidend aan het bestrijdingsadvies van de NVWA

4.24.

De rechtbank concludeert dat ook deelverwijt 3 onvoldoende is onderbouwd.

Conclusie en proceskosten

4.25.

Nu geen van de deelverwijten in rechte opgaat, worden de gevorderde verklaring voor recht en schadevergoeding afgewezen te worden.

4.26.

[X] zal als de in het ongelijke gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van de NVWA op € 4.196, namelijk € 656 aan griffierecht en € 3.540 aan salaris advocaat (2 punten à € 1.770 per punt, volgens tarief V), te vermeerderen met de wettelijke rente zoals door de NVWA is gevorderd.

4.27.

De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten in overeenstemming met het daarop toepasselijke liquidatietarief.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [X] in de proceskosten, aan de zijde van de NVWA tot op heden begroot op € 4.196, te vermeerderen met de wettelijke rente verschuldigd vanaf 3 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt [X] in de nakosten, € 163 en in geval van betekening

€ 248;

5.4.

verklaart de proceskostenveroordeling onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. [R. Hartendorp] en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter, mr. D. Nobel, op 20 oktober 2021.

1 Vgl. onder meer artikel 17 Verordening 178/2002.

2 Verordening 178/2002; Richtlijn 97/78/EG; Toezichtkader NVWA 2015.21; Verordening 882/2004; Verordening 2073/2005.