Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:11640

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-08-2021
Datum publicatie
26-10-2021
Zaaknummer
C/09/607444 / HA ZA 21-164
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident. Internationale bevoegdheid. Art. 1 (lid 1) 3 (sub b), en 7 Alimentatieverordening (EG) 4/2009. Geschil tussen Amerikaanse (ex-)echtgenoten over betaling van schoolgeld en alimentatie, waarover zij afspraken hebben gemaakt in een overeenkomst. De vrouw woonde t.t.v. betekening dagvaarding met de kinderen in Den Haag, maar is een dag later vertrokken naar Amerika (waar de man ook woont). De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van de vrouw niet zien op een verbintenis uit overeenkomst maar op een onderhoudsverplichting, zodat de Alimentatieverordening van toepassing is. De rechtbank is verder van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde (de vrouw) zich niet in Nederland bevindt. De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/607444 / HA ZA 21-164

Vonnis in incident van 18 augustus 2021

in de zaak van

[eiseres] , thans te [plaats 1] (Californië, Verenigde Staten), voorheen: te Den Haag,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. H.P. Scheer te Utrecht,

tegen

[gedaagde] , te [plaats 2] (Louisiana, Verenigde Staten),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. M.Q.M. Mosk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis in incident van 12 mei 2021 en de daarin genoemde stukken (hierna: ‘het tussenvonnis’), waarin partijen is gevraagd zich uit te laten over de in 2.7 en 2.9 genoemde punten (toepasselijkheid Alimentatieverordening en spoorwissel en verwijzing naar Team Familie);

  • -

    de akte uitlaten van de vrouw;

  • -

    de akte uitlaten van de man, met producties 3 tot en met 7.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten in het incident

Tussen partijen staan, voor zover van belang voor dit incident, de volgende feiten als onweersproken vast.

2.1.

De man (Amerikaanse nationaliteit) en de vrouw (Braziliaanse en Amerikaanse nationaliteit) zijn op [huw.dd.] in [plaats 3] (Brazilië) met elkaar gehuwd.

2.2.

Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] , Washington (Verenigde Staten), (hierna: ‘ [minderjarige 1] ’) en

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] , Californië (Verenigde Staten) (hierna: ‘ [minderjarige 2] ’).

2.3.

De man is werkzaam voor Shell. In verband met het werk hebben partijen (met de kinderen) tussen 2006 en 2016 achtereenvolgens in de volgende plaatsen gewoond:

- augustus 2006- februari 2009: Bellingham (Washington, Verenigde Staten);

- februari 2009 – juli 2012: San Francisco (Californië, Verenigde Staten);

- juli 2012 – oktober 2014: Los Angeles (Californië, Verenigde Staten);

- oktober 2014 – november 2016: Rio de Janeiro (Brazilië).

2.4.

Eind 2016 is het gezin in verband met het werk van de man naar Nederland verhuisd. Vanaf mei 2017 woonde het gezin in een (koop)woning aan de [adres] in Den Haag .

2.5.

De man is op 30 september 2018 in verband met zijn werk naar [plaats 2] verhuisd. De vrouw is met de kinderen in Den Haag gebleven. Op 12 juli 2019 is de vrouw met de kinderen naar [plaats 2] gereisd. De man is tijdens het verblijf van de vrouw in [plaats 2] een echtscheidingsprocedure gestart bij de rechtbank in [plaats 2] . Op 29 juli 2019 is de vrouw met de kinderen weer teruggegaan naar Nederland.

2.6.

De man heeft in september 2019 in Den Haag een verzoek tot teruggeleiding van de kinderen naar [plaats 2] ingediend op grond van artikel 3 van het Haags Kinderontvoeringsverdrag.

2.7.

Partijen hebben op 12 oktober 2019 een mediation sessie gehad bij een in Nederland gevestigde mediator. Daar hebben zij een temporary agreement gesloten (hierna: ‘Overeenkomst 1’). In Overeenkomst 1 is onder meer opgenomen dat de man een bedrag van € 6.000 zal voldoen voor levensonderhoud in de maanden oktober en november. Ook is een afspraak opgenomen over de betaling van een bedrag van € 3.300 aan schoolgeld voor de kinderen.

2.8.

Op 14 februari 2020 heeft de rechtbank het verzoek van de man mondeling behandeld. Daarna zijn partijen weer naar de Nederlandse mediator gegaan voor crossborder mediation. Deze mediation heeft op 28 mei 2020 opnieuw tot een door beide partijen ondertekende overeenkomst geleid (hierna: ‘Overeenkomst 2’). In Overeenkomst 2 hebben partijen onder meer afspraken gemaakt over:

- een verhuizing van de moeder met de kinderen naar [plaats 1] (Verenigde Staten), met ingang van juli 2020 (artikel 3.1);

- de woonsituatie van de moeder en de kinderen vanaf juli 2021 (een verlengd verblijf in [plaats 1] , of een verhuizing naar Houston, artikel 3.3);

- het meewerken aan het verlengen van de paspoorten van de kinderen (artikel 4.5);

- de betaling door de man van een maandelijks bedrag van $ 6.250 aan kinder- en partneralimentatie, te betalen vanaf 1 maart 2020 tot 31 juli 2021 (artikel 5).

2.9.

De kinderen zijn in het schooljaar 2019-2020 in Nederland naar een internationale school gegaan: [minderjarige 1] naar de International School Wassenaar, [minderjarige 2] naar de internationale afdeling van de Haagsche Schoolvereniging. De kinderen zijn ook enkele maanden van het schooljaar 2020-2021 in Nederland naar school gegaan.

2.10.

De vrouw heeft voor het schooljaar 2019-2020 schoolkosten aan de school betaald: een bedrag van € 6.588,53 voor [minderjarige 1] en een bedrag van € 5.400 voor [minderjarige 2] , opgeteld dus een bedrag van € 11.988,53.

2.11.

De man heeft op 28 december 2019 een bedrag van € 1.521,43 aan de school van [minderjarige 1] betaald. Ook heeft de man op 20 augustus 2020 een bedrag van € 521,43 aan de school van [minderjarige 1] betaald.

2.12.

Het paspoort van [minderjarige 2] was in 2020 verlopen. De vrouw heeft op 25 augustus 2020 een nieuw paspoort aangevraagd, dat vervolgens op 16 september 2020 is ontvangen.

2.13.

De vrouw heeft vanaf eind oktober 2020 een woning gehuurd in [plaats 1] .

2.14.

Op 28 oktober 2020 heeft de vrouw de dagvaarding voor deze procedure doen betekenen aan het parket van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie in Den Haag. Eén dag later (op 29 oktober 2020) is de vrouw samen met de kinderen van Nederland naar [plaats 1] verhuisd. Daar wonen zij momenteel nog steeds. Partijen hebben de woning in Den Haag nog in eigendom.

2.15.

De vrouw heeft bij de rechter in [plaats 2] verzoeken ingediend tot het vaststellen van partner- en kinderalimentatie. De vrouw heeft deze verzoeken op 18 maart 2021 ingetrokken, met als motivering dat “these matters have been resolved by the courts in the Netherlands.

3 De vordering in de hoofdzaak

3.1.

De vrouw vordert in de hoofdzaak dat de rechtbank, kort weergegeven:

  1. de man veroordeelt tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 11.988,53 in verband met het schoolgeld van de kinderen voor het jaar 2019-2020;

  2. voor recht verklaart dat de man een bedrag van € 1.207,50 schoolgeld voor [minderjarige 2] moet betalen aan de school en de man veroordeelt tot betaling van dit bedrag, hetzij aan de school, hetzij aan de vrouw zodat zij voor de betaling kan zorgen;

  3. voor recht verklaart dat de man een bedrag van € 2.795,- aan de vrouw moet betalen aan alimentatie.

3.2.

De vrouw legt aan de vorderingen in de hoofdzaak het volgende ten grondslag.

schoolkosten 2019-2020 (vordering A)

3.2.1.

De vrouw stelt primair dat de man alle schoolkosten van de kinderen (een bedrag van € 11.988,53) moet betalen. De man heeft het inkomen en is gehouden om de vrouw en de kinderen te onderhouden, en de schoolkosten van de kinderen te betalen. De man heeft in eerste instantie de bedragen overgemaakt op een (Nederlandse) bankrekening op zijn naam. Van deze rekening werden ook de woonlasten voldaan. Het restant was onvoldoende om alle kosten van levensonderhoud (inclusief de schoolkosten) te voldoen. Vanaf maart 2020 geldt dat ook de alimentatie onvoldoende was voor de schoolkosten. Deze zitten ook niet in de bijdrage verdisconteerd.

Subsidiair stelt de vrouw dat partijen in Overeenkomst 1 zijn overeengekomen dat de man de kosten van [minderjarige 1] en de vrouw de kosten van [minderjarige 2] moet voldoen. De man moet dus het door de vrouw betaalde bedrag van € 6.588,53 voor de school van [minderjarige 1] betalen.

Meer subsidiair stelt de vrouw dat partijen in Overeenkomst 1 zijn overeengekomen dat de man een bedrag van € 3.300 zou betalen voor het schoolgeld voor [minderjarige 1] . De man heeft slechts een bedrag van € 1.521,43 betaald en moet daarmee het restant van € 1.778,57 nog betalen.

schoolkosten 2020-2021 (vordering B)

3.2.2.

De vrouw stelt dat partijen in Overeenkomst 2 zijn overeengekomen dat de man verplicht is mee te werken aan het verkrijgen van een nieuw paspoort voor [minderjarige 2] . De man heeft het toestemmingsformulier voor het aanvragen van een paspoort veel te laat opgestuurd, zodat de vrouw in juli 2020 niet naar de Verenigde Staten kon reizen en de kinderen in het leerjaar 2020-2021 nog enkele maanden in Nederland naar school hebben moeten gaan, terwijl er in de Verenigde Staten geen schoolkosten zijn. De schoolkosten zijn door toedoen van de man ontstaan. Dit is schade, waarvoor de man op grond van toerekenbare tekortkoming aansprakelijk is. Het school geld voor 2020/2021 van de school van [minderjarige 2] is nog niet betaald. De man moet het openstaande bedrag voor [minderjarige 2] aan de school betalen.

alimentatie (vordering C)

3.2.3.

De vrouw stelt dat partijen in Overeenkomst 2 zijn overeengekomen dat de man met ingang van 1 maart 2020 maandelijks een bedrag van $ 6.250 aan kinder- en partneralimentatie zal betalen. De man heeft de eerste helft van de betaling van maart 2020 op zijn eigen rekening betaald, in plaats van op de rekening van de vrouw. De man heeft daarmee voor dit deel niet bevrijdend betaald, aldus – telkens – de vrouw.

4 De beoordeling in het incident

toepasselijkheid Alimentatieverordening

4.1.

Het geschil in dit incident draait om de vraag of deze rechtbank rechtsmacht heeft ten aanzien van de door de vrouw ingestelde vorderingen. De man heeft zich in het incident op het standpunt gesteld dat dit niet zo is en dat de rechtbank zich daarom onbevoegd moet verklaren.

4.2.

De rechtbank stelt het volgende voorop. De man en de vrouw hebben allebei de Amerikaanse nationaliteit, evenals de kinderen. Zij verbleven tijdens de voor dit geding relevante periode (juli 2019- oktober 2020) in respectievelijk de Verenigde Staten (de man) en Nederland (de vrouw en de kinderen). Het geschil heeft daarmee internationale kenmerken. Bovendien vertonen de vorderingen van de vrouw kenmerken van het voldoen van een onderhoudsverplichting. De vrouw vordert immers betaling van een bedrag aan partner- en kinderalimentatie en schoolgeld van de kinderen. De rechtbank heeft daarom in het tussenvonnis ambtshalve de vraag opgeworpen of de bevoegdheid van de rechtbank moet worden beoordeeld aan de hand van bevoegdheidsregels van de Alimentatieverordening (EG) 4/2009 van 18 december 2008 (hierna: ‘Alimentatieverordening’).

4.3.

Partijen zijn het – terecht – erover eens dat de Alimentatieverordening van toepassing is op vordering A (primair), die is gebaseerd op het inkomen van de man. Wel verschillen partijen van mening over de vraag of de Alimentatieverordening ook van toepassing is op vordering A (voor zover het de subsidiaire en meer subsidiaire grondslag betreft) en vorderingen B en C. Meer concreet ziet het geschil op de vraag of de vrouw met juistheid betoogt dat de rechtsmacht van de rechtbank voor die vorderingen niet aan de hand van de Alimentatieverordeningen maar aan de hand van (artikel 6 sub a van) het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet worden beoordeeld, omdat de grondslag van die vorderingen een verbintenis uit een overeenkomst is (namelijk Overeenkomst 1 en/of Overeenkomst 2). De rechtbank volgt de vrouw niet in dit betoog en overweegt daartoe als volgt.

4.4.

De Alimentatieverordening is met ingang van 18 juni 2011 van toepassing binnen de lidstaten van de Europese Unie. De Alimentatieverordening regelt de bevoegdheid, het toepasselijk recht (door verwijzing naar het “Haags Protocol 2007” in artikel 15 van de -Alimentatieverordening), de erkenning en ten uitvoerlegging van beslissingen en samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen die hun oorsprong vinden in het familierecht. Vóór 18 juni 2011 was de rechterlijke bevoegdheid in zulke geschillen geregeld in de Brussel 1 Verordening (Verordening (EG) nr. 44/2001 (hierna: ‘Brussel 1’).

4.5.

De Alimentatieverordening heeft volgens de inleidende overwegingen tot doel dat een onderhoudsgerechtigde in een lidstaat gemakkelijk een beslissing kan verkrijgen die automatisch, zonder enige andere formaliteit, uitvoerbaar is in een andere lidstaat. Daarmee wordt de daadwerkelijke invordering van levensonderhoud in grensoverschrijdende gevallen gewaarborgd en dus ook het vrije verkeer van personen in de Europese Unie vergemakkelijkt. Anders dan onder Brussel 1 het geval was, zijn de bevoegdheidsregels van de Alimentatieverordening ook van toepassing als de verweerder zijn gewone verblijfplaats in een land buiten de Europese Unie heeft (zoals de Verenigde Staten). Voor geschillen die materieel onder het bereik van de Alimentatieverordening vallen, regelt de Alimentatieverordening welke rechter bevoegd is. Aan de nationale bevoegdheidsregels (zoals die van Rv) komt in dat geval geen betekenis meer toe (zie voor dit één en ander: inleidende overwegingen 9, 10, 15 en 45 van de Alimentatieverordening).

4.6.

In artikel 1 lid 1 van de Alimentatieverordening is bepaald dat de verordening van toepassing is op onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap. In inleidende overweging 11 van de Alimentatieverordening is benadrukt dat alle onderhoudsgerechtigden die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap binnen de werkingssfeer van de Alimentatieverordening moeten vallen, dit om de gelijke behandeling van onderhoudsgerechtigden te garanderen.

4.7.

Voor de toepassing van de Alimentatieverordening moet het begrip “onderhoudsverplichting” autonoom worden uitgelegd (inleidende overweging 11). De Europese wetgever heeft niet beoogd om het materiële toepassingsgebied van de Alimentatieverordening te beperken ten opzichte van haar voorgangers (Brussel 1 en het EEX-verdrag). Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: het Hof van Justitie van de Europese Unie, hierna in beide gevallen aan te duiden als: HvJ-EU) heeft eerder in verband met de uitleg van het begrip ‘onderhoudsverplichting’ in artikel 5, aanhef en sub 2 EEX-Verdrag overwogen dat sprake is van een onderhoudsverplichting, indien een prestatie bedoeld is om het onderhoud van een behoeftige echtgenoot te verzekeren, of indien de behoeften en de middelen van elk van de echtgenoten in aanmerking worden genomen, voor de bepaling van het bedrag ervan. Het is niet van belang dat de betaling in de vorm van een eenmalig bedrag geschiedt. Ook deze vorm van betaling kan het karakter van een onderhoudsvoorziening hebben, wanneer het bedrag van het kapitaal zodanig is vastgesteld, dat een vooraf bepaald inkomstenniveau wordt verzekerd (HvJ-EU 27 februari 1997, ECLI:EU:C:1997:91).

4.8.

Ten slotte is van belang dat geschillen die materieel zien op een onderhoudsverplichting, niet vallen onder het bereik van de alternatieve bevoegdheidsregeling ten aanzien van ‘verbintenissen uit overeenkomst’ in artikel 7 lid 1 sub a van de Brussel 1-bis Verordening (EU) 1215/2012. Reden daarvoor is dat geschillen over onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap, buiten het materiële toepassingsgebied van de Brussel 1-bis Verordening vallen (zie artikel 1 lid 2, onder e Brussel 1-bis en mr. S.J. Schaafsma, Tekst & Commentaar Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, aantekening 3.c bij artikel 7 Brussel 1-bis -Verordening). Daaruit volgt dat binnen de Europeesrechtelijke bevoegdheidsregelingen een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds geschillen over verbintenissen uit overeenkomst en anderzijds geschillen over familierechtelijke onderhoudsverplichtingen.

4.9.

De rechtbank is tegen de achtergrond van het vorenstaande van oordeel dat de omstandigheid dat de onderhoudsverplichtingen waarvan de vrouw in dit geding nakoming vordert zijn vervat in een tussen de man en de vrouw gesloten overeenkomst, niet wegneemt dat deze onder de werkingssfeer van de Alimentatieverordening vallen. Niet de vorm waarin de onderhoudsverplichting is gegoten (een overeenkomst) is beslissend, maar het feit dat het materieel gezien om een onderhoudsverplichting gaat. Dit strookt ook met het doel van de Alimentatieverordening om, ter waarborging van de gelijke behandeling van onderhoudsgerechtigden, alle onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap binnen de werkingssfeer van de Alimentatieverordening te laten vallen.

4.10.

De rechtbank is tevens van oordeel dat alle door de vrouw ingestelde vorderingen materieel op een onderhoudsverplichting in de zin van artikel 1 lid 1 van de Alimentatieverordening zien. Het onderwerp van de vorderingen betreft immers de betaling van kinder- en partneralimentatie en het bijdragen in de kosten van opvoeding van de kinderen (betaling van schoolgeld). Weliswaar voert de vrouw als juridische grondslag voor vordering B aan dat het schoolgeld van [minderjarige 2] voor het leerjaar 2020/2021 schade is, waarvoor de man op grond van toerekenbare tekortkoming aansprakelijk is (omdat de man niet tijdig heeft voldaan aan zijn verplichting tot meewerken aan de aanvraag van een nieuw paspoort voor [minderjarige 2] ), maar dat neemt niet weg dat ook deze vordering in de kern ziet op een familierechtelijke onderhoudsverplichting. De feitelijke vraag die uiteindelijk moet worden beantwoord, is wie van partijen in welke mate moet bijdragen aan het schoolgeld. Dat ook dit onderdeel van het geschil overwegend kenmerken heeft van een geschil over een onderhoudsverplichting, volgt ook uit het feit dat de man kennelijk als verweer heeft aangevoerd dat de vrouw het schoolgeld moet voldoen van de overeengekomen kinderalimentatie (dagvaarding, onder 35, weergave van het verweer van de man).

4.11.

Het bovenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de rechtsmacht van de rechtbank voor alle vorderingen moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Alimentatieverordening, en niet aan de hand van de bepalingen van Rv.

gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde

4.12.

Ter beantwoording van de vraag of deze rechtbank op grond van de Alimentatieverordening rechtsmacht heeft, wordt als volgt overwogen. In artikel 3 van de Alimentatieverordening is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

In de lidstaten zijn op het gebied van onderhoudsverplichtingen bevoegd:

a. a) het gerecht van de plaats waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft, of

b) het gerecht van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft (…)

4.13.

Het staat vast dat deze rechtbank geen bevoegdheid kan ontlenen aan de woonplaats van de verweerder, aangezien de man in [plaats 2] woont. Het geschil tussen partijen richt zich op de vraag of de rechtbank op grond van het bepaalde in sub b rechtsmacht heeft (de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde). Daarbij geldt dat de rechtbank haar bevoegdheid moet beoordelen naar het moment dat de inleidende dagvaarding werd betekend (op 28 oktober 2020), omdat de zaak toen aanhangig werd gemaakt (zie artikel 9, aanhef onder b en artikel 10 Alimentatieverordening). De vraag die aldus ter beantwoording voorligt, is of de vrouw (en met haar de kinderen) op 28 oktober 2020 hun gewone verblijfplaats in Nederland (Den Haag) hadden.

4.14.

Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ is in de Alimentatieverordening niet nader omschreven. Het begrip moet op autonome wijze worden uitgelegd, tegen de achtergrond van de doelstellingen en het stelsel van de Alimentatieverordening.

4.15.

Uit de inleidende overwegingen van de Alimentatieverordening en de rechtspraak van het HvJ-EU volgt dat een belangrijke doelstelling van de Alimentatieverordening de bescherming van de onderhoudsgerechtigde is, die als de meest kwetsbare partij wordt beschouwd in een procedure over een onderhoudsverplichting. Hiervoor is al vooropgesteld dat de Alimentatieverordening beoogt de inning van alimentatie binnen de Europese Unie te vergemakkelijken. Daarnaast beoogt de Alimentatieverordening te waarborgen dat het aangezochte gerecht zich in de nabijheid van de onderhoudsgerechtigde bevindt. Dat houdt in dat ervoor moet worden gezorgd dat de onderhoudsgerechtigde zonder al te veel feitelijke, met reizen verbonden problemen kan procederen, maar ook dat hij zijn rechten kan doen gelden voor het gerecht dat het beste op de hoogte kan zijn van de plaatselijke economische omstandigheden, teneinde de inkomsten en de behoeften van de onderhoudsgerechtigde te omschrijven en het daarmee samenhangende vermogen van de onderhoudsplichtige om aan deze behoeften bij te dragen. Ook moet de doelstelling van een goede rechtsbedeling worden benaderd vanuit de invalshoek van het belang van de procespartijen, ongeacht of dat het belang van de verzoeker of dat van de verweerder betreft. Het gaat dan met name van het belang van procespartijen om te profiteren van een gemakkelijke toegang tot het recht en van de voorspelbaarheid van de bevoegdheid, dankzij een nauwe band tussen het gerecht en de vordering (zie HvJ-EU 18 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2461, r.o. 28 en 29 (Sanders/Verhagen en Huber/Huber) en conclusie A-G Jääskinen bij dit arrest, randnummers 49 en 69).

4.16.

Verder geldt dat het begrip ‘gewone verblijfplaats’ niet op zichzelf staat, maar ook elders binnen het internationale familierecht wordt gehanteerd als aanknopingspunt voor de internationale bevoegdheid van de rechter, bijvoorbeeld in artikel 8 van de verordening (EG) nr. 2201/2003 van 27 november 2003 (hierna: Brussel II-bis). Voor de uitleg van dit begrip kan aansluiting worden gezocht bij de uitleg die het HvJ-EU aan het begrip ‘gewone verblijfplaats’ heeft gegeven in de context van artikel 8 Brussel II-bis (zie ook conclusie A-G Vlas bij Hoge Raad 29 september 2018, ECLI:PHR:2018:697, randnummer 2.5).

4.17.

Uit die vaste rechtspraak van het HvJ-EU over artikel 8 Brussel II-bis valt het volgende af te leiden. Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ is geen juridisch begrip, maar een functioneel begrip. De gewone verblijfplaats van een kind moet worden bepaald op basis van een geheel van feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak. Naast de fysieke aanwezigheid van het kind op het grondgebied van een lidstaat moeten andere factoren aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. De gewone verblijfplaats van een kind komt overeen met de plaats waar zich in feite het centrum van zijn leven bevindt. In dat kader moet in het algemeen worden aangeknoopt bij factoren als de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een staat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Bij de bepaling van de gewone verblijfplaats van een kind kan ook rekening worden gehouden met de bedoeling van de met het gezag belaste ouder om zich met het kind in een andere staat te vestigen, waaraan uiting is gegeven door bepaalde tastbare handelingen (zoals de koop of de huur van een woning in de staat van ontvangst). Voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats geldt vooral de wens van de betrokkene om het permanente of gewone centrum van zijn belangen te vestigen in de staat van ontvangst, met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen. De duur van het verblijf kan bij de beoordeling van de bestendigheid van de verblijfplaats dus slechts een aanwijzing vormen (zie voor dit één en ander: HvJ-EU 28 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:513, HvJ-EU, 2 april 2009, ECLI:EU:C:2009:225 en HvJ-EU 22 december 2010, ECLI:EU:C:2010:829).

4.18.

De rechtbank komt, met inachtneming van het bovenstaande, tot het volgende oordeel. Weliswaar bevonden de vrouw en de kinderen zich op 28 oktober 2020 in Den Haag (en hadden en hebben zij hier een koopwoning), maar toen stond al vast dat dit verblijf slechts van tijdelijke duur zou zijn. Alle partijen hebben de Amerikaanse nationaliteit. Zij hebben tijdens het grootste deel van het huwelijk ook in de Verenigde Staten gewoond. Het verblijf in Den Haag (vanaf eind 2016) was ingegeven door een tijdelijke verplaatsing van het werk van de man naar Den Haag. De vrouw is in juli 2019 ook met de kinderen naar [plaats 2] gegaan. Weliswaar is de vrouw daarna weer met de kinderen naar Nederland teruggegaan, maar dit was nadat de man en de vrouw in [plaats 2] onenigheid kregen en de man in [plaats 2] een echtscheidingsprocedure was gestart. De man heeft ook gesteld (en in de door de vrouw gestelde feiten is dat onvoldoende weersproken) dat de intentie destijds – in juli 2019 – was dat het hele gezin naar [plaats 2] zou verhuizen. Partijen hadden de woning in Den Haag ook in september 2018 te koop gezet, aldus de man. Vervolgens hebben partijen in februari 2020 (in Overeenkomst 2) afgesproken dat de verblijfplaats van de vrouw en de kinderen met ingang van de zomer van juli 2020 weer in de Verenigde Staten zou zijn (“The parents agree that the main place of residence of [minderjarige 1] and [minderjarige 2] is in the United States of America from july 2020 with their mother in [plaats 1] , now residing in The Hague). Toen de dagvaarding werd betekend, had de vrouw ook al daadwerkelijk een woning in [plaats 1] gehuurd.

4.19.

Uit al deze feiten en omstandigheden volgt dat het verblijf in Den Haag van juli 2019 niet zozeer was ingegeven door een sterke sociale binding met Nederland. De band met Nederland vloeide vooral voort uit de tijdelijke verplaatsing van het werk van de man. Dat de vrouw in juli 2019 in Nederland is gebleven, lijkt vooral samen te hangen met de omstandigheid dat de man en de vrouw in juli 2019 in een scheiding zijn geraakt. Daarnaast stond in elk geval vanaf februari 2020 vast dat de vrouw en de kinderen zich vanaf juli 2020 weer permanent in de Verenigde Staten zouden gaan vestigen. Aan dat voornemen was op het moment van het instellen van deze procedure ook concrete uitvoering gegeven. Dit alles pleit ertegen om voor het geschil over de onderhavige onderhoudsverplichtingen Den Haag als de gewone verblijfplaats van de vrouw aan te merken.

4.20.

Daarbij kijkt de rechtbank ook naar de dubbele doelstelling van artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening, namelijk bescherming van de zwakkere partij (de onderhoudsgerechtigde) en nabijheid van het aangezochte gerecht. Niet kan worden geoordeeld dat in deze situatie, waarin ten tijde van het uitbrengen van het inleidende processtuk – en al enige tijd daarvoor – vaststond dat de vrouw en de kinderen zich permanent in de Verenigde Staten gingen vestigen (wat zij ook daadwerkelijk hebben gedaan) het omwille van de (fysieke) nabijheid van de rechtbank Den Haag in de buurt van de onderhoudsgerechtigde (de vrouw) is aangewezen dat deze rechtbank een beslissing neemt over de in geschil zijnde onderhoudsverplichtingen. Ook anderszins zijn de belangen van de vrouw bij het kunnen aanzoeken van deze rechtbank beperkt. Weliswaar ziet het geschil op onderhoudsbehoeften over de periode dat de vrouw met de kinderen in Den Haag woonde, maar partijen hebben over die onderhoudsverplichtingen zelf afspraken gemaakt in crossborder mediation, terwijl de hoogte van de schoolkosten die het onderwerp van geschil vormen vaststaat (het gaat om schoolkosten uit het verleden, die grotendeels al zijn betaald). Ook in zoverre is de verknochtheid van het geschil met Nederland gering. Bovendien wordt al vanaf juli 2019 een echtscheidingsprocedure in [plaats 2] gevoerd, terwijl ook alle gegevens over het inkomen van de onderhoudsplichtige (de man) zich in de Verenigde Staten bevinden. Ten slotte geldt dat beide partijen thans woonachtig zijn in de Verenigde Staten en niet is gesteld of gebleken dat de man zich in de nabije toekomst weer in de Europese Unie zal gaan vestigen. De man heeft er in dat verband op gewezen dat het voeren van een procedure bij deze rechtbank weinig efficiënt is, omdat de vrouw alsnog een extra procedure zal moeten starten om een uitspraak van deze rechtbank in de Verenigde Staten ten uitvoer te leggen.

4.21.

De rechtbank komt op grond van al het voorgaande tot de conclusie dat niet kan worden geoordeeld dat de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde (de vrouw, en met haar de kinderen) zich in Nederland bevindt. Deze rechtbank komt daarmee geen rechtsmacht toe op grond van artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening.

forum necessitas (artikel 7 Alimentatieverordening)

4.22.

De vrouw heeft, voor zover de rechtbank tot de hiervoor gegeven uitkomst zou komen, een beroep gedaan op artikel 7 van de Alimentatieverordening. De vrouw voert daartoe aan dat een gerechtelijke procedure in de Verenigde Staten niet meer mogelijk is, omdat de vrouw haar verzoek tot kinderalimentatie in de Verenigde Staten heeft ingetrokken en een procedure in de Verenigde Staten, bij gebreke van een systeem van gefinancierde rechtshulp, onbetaalbaar is. Ook dit beroep slaagt niet. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.23.

Artikel 7 Alimentatieverordening luidt als volgt:

Indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 4, 5 en 6 bevoegd is, kunnen de gerechten van een lidstaat in uitzonderingsgevallen kennis nemen van een geschil indien in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd, of een procedure daar onmogelijk blijkt. Het geschil moet voldoende nauw verbonden zijn met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt.

4.24.

Artikel 7 creëert een noodbevoegdheid, die slechts in uitzonderingsgevallen door het aangezochte gerecht in een lidstaat kan worden uitgeoefend. Deze noodbevoegdheid moet met terughoudendheid worden toegepast.

4.25.

Een voorwaarde voor toepassing van de noodbevoegdheid van artikel 7 is dat in de derde (niet-lid)staat waarmee het geschil nauw is verbonden, redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd, of de procedure daar – juridisch of feitelijk – onmogelijk blijkt. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat die situatie zich hier voordoet. Weliswaar heeft de vrouw het verzoek tot het betalen van partner- en kinderalimentatie bij de rechtbank [plaats 2] ingetrokken (omdat hierover in Nederland werd geprocedeerd, zie de motion to dismiss, productie 39 van de vrouw), maar de vrouw heeft niet onderbouwd dat het onmogelijk is om de hier ingestelde vorderingen (verzoeken) alsnog in de echtscheidingsprocedure – of in een andere procedure – in de Verenigde Staten in te dienen, als deze rechtbank zich onbevoegd verklaart om daarvan kennis te nemen. Ook overigens heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat het feitelijk en juridisch onmogelijk is om deze verzoeken in de (echtscheidings)procedure in de Verenigde Staten mee te nemen. De vrouw beschikt kennelijk in de echtscheidingsprocedure over een advocaat, terwijl de onderhavige vorderingen grotendeels steunen op afspraken die partijen zelf in (Engelstalige) onderlinge overeenkomsten hebben gemaakt. Niet valt in te zien waarom de rechter in de Verenigde Staten daarover niet zou kunnen oordelen.

conclusie

4.26.

De slotsom is dat deze rechtbank geen rechtsmacht heeft. De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren. Aan de beantwoording van de vraag of de vorderingen, met toepassing van de spoorwissel, moeten worden doorverwezen naar Team Familie, wordt daarmee niet meer toegekomen. Vanwege de familierechtelijke banden tussen partijen worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Het verzoek van de man om de vrouw in de werkelijke proceskosten te veroordelen wordt afgewezen. Van misbruik van procesrecht is niet gebleken.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen;

5.2.

bepaalt dat beide partijen de eigen proceskosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Honée en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2021.1

1 type: 2431