Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:11638

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-10-2021
Datum publicatie
26-10-2021
Zaaknummer
NL19.13211
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak Dublin Italië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, overnameprocedure, artikel 17

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.31211


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL19.31212, op 29 januari 2020 op zitting behandeld. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

Bij uitspraak van 6 februari 2020 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening toegewezen. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar die uitspraak, het onderzoek op 6 februari 2020 heropend en het beroep van eiseres aangehouden in afwachting van een uitspraak van het EHRM1 over de overdracht van bijzonder kwetsbare vreemdelingen aan Italië.

In een brief van 6 juli 2021 heeft de rechtbank partijen verzocht te reageren op de uitspraak van het EHRM van 15 april 20212 en gevraagd of het verzoek zonder nadere zitting af kon worden gedaan. Eiseres heeft op 6 juli 2021 verzocht om een nadere zitting. Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Hierna heeft de rechtbank het beroep op 29 september 2021 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder waren aanwezig [naam2], de gestelde echtgenoot van eiseres, haar dochter [naam3] en tolk A.K. Umar.

Overwegingen

1. Eiseres stelt de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten en te zijn geboren op [geboortedatum]. Zij heeft op 27 september 2019 in Nederland een asielaanvraag ingediend.

Deze aanvraag heeft mede betrekking op haar minderjarige dochter [naam3], geboren in Nederland op [geboortedatum2], en eveneens van Nigeriaanse nationaliteit.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiseres eerder in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft Italië daarom verzocht om eiseres terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.3Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.

3. Eiseres verzet zich tegen overdracht aan Italië. Zij stelt dat verweerder ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat. Eiseres doet een beroep op het arrest Tarakhel4 en het rapport "Reception conditions in Italy: Updated report on the situatie of asylum seekers and beneficiaries of protection, in particular Dublin returnees, in Italy" van de Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH, ook genoemd: SRC) van januari 2020. Ook voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte niet bij de besluitvorming heeft betrokken dat haar echtgenoot in Nederland verblijft en dat zijn asielaanvraag hier te lande wordt behandeld. De eenheid van het gezin dient voorop te staan. Eiseres verwijst in dat kader naar artikel 9 van de Dublinverordening. Er is een originele huwelijksakte die verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht. Verder had verweerder de behandeling van de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich moeten trekken, nu de Dublinverordening het gezinsverband van eiseres beoogt te beschermen. Eiseres voert aan dat zij al lang in Nederland verblijft met haar echtgenoot, dat haar kind hier is geboren, dat haar echtgenoot al geruime tijd in afwachting is van de start van zijn asielprocedure, dat zij kampen met gezondheidsklachten en kwetsbaar zijn. Eiseres stelt dat zij niet in staat is om alleen voor haar kind te zorgen. Tevens stelt eiseres dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van het kind.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres, omdat eiseres op 12 januari 2017 een verzoek om internationale bescherming in Italië heeft ingediend. Nederland heeft dan ook bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het terugnameverzoek. Dit is tevens de juridische grondslag om aan te nemen dat Italië zich tegenover eiseres zal houden aan zijn internationale verplichtingen.

5. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van uitgaan dat Italië haar internationale verplichtingen nakomt. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit is haar geval anders is. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres hierin niet is geslaagd. In verschillende uitspraken heeft de Afdeling5 geoordeeld dat hoewel de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië bepaalde tekortkomingen kennen, verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.6 Het rapport van SFH van 20 januari 2020 is al betrokken bij de uitspraken van de Afdeling. Uit het arrest van het EHRM van 15 april 2021 volgt eveneens dat ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ook waar het gaat om bijzonder kwetsbare asielzoekers. Verder volgt uit dit arrest dat het niet noodzakelijk is om aanvullende garanties te verkrijgen. Voor zover eiseres verwacht dat zij geen opvang krijgt in Italië kan zij daarover klagen bij de Italiaanse autoriteiten. Niet gebleken is dat de Italiaanse autoriteiten eiseres niet kunnen of willen helpen, of dat het indienen van een klacht bij voorbaat zinloos zal zijn.

6. Verweerder heeft er voorts terecht op gewezen dat geen sprake is van een gezin in de zin van artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening. Uit de verklaringen van eiseres en haar echtgenoot tijdens het aanmeldgehoor blijkt immers dat zij pas na het betreden van grondgebied van de Unie in Italië een relatie hebben gekregen en dus geen gezin vormden in het land van herkomst. Verweerder heeft daarom terecht geen aanleiding gezien om de echtheid van de overgelegde huwelijksakte te onderzoeken.

De omstandigheid dat het kind van eiseres in Nederland is geboren, kan niet tot een ander oordeel leiden. Uit artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening volgt dat kinderen onder de verantwoordelijkheid vallen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van het gezinslid, in dit geval Italië en respectievelijk eiseres, ook al is de minderjarige zelf geen individuele verzoeker, mits dit in het belang van het kind is. Kinderen die na de aankomst van de verzoeker op het grondgebied van de lidstaten zijn geboren, krijgen dezelfde behandeling, zonder dat een nieuwe procedure voor hun overname behoeft te worden ingeleid.

7. Het beroep van eiseres op artikel 9, 10 en 11 van de Dublinverordening en de omstandigheid dat de asielaanvraag van haar echtgenoot inhoudelijk wordt behandeld in de nationale asielprocedure, kan evenmin tot een ander oordeel kan leiden.

Verweerder heeft er terecht op gewezen dat sprake is van een terugnameverzoek, zodat eiseres in beginsel geen beroep kan doen op de verantwoordelijkheidscriteria in Hoofdstuk III van de Dublinverordening, waaronder artikel 9, want dat hoofdstuk heeft betrekking op overnameprocedures. Dit kan anders zijn als er sprake is van een situatie die valt onder artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Daar is echter geen sprake van, omdat eiseres heeft niet aangetoond dat zij het in Italië ingediende asielverzoek heeft ingetrokken terwijl daar de procedure tot het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat nog niet was

afgerond.7

8. Verder heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding is om de behandeling van de asielaanvraag van eiseres (alsnog) aan zich te trekken. Verweerder heeft in het verweerschrift voldoende gemotiveerd dat nu de scheiding van het gezin als gevolg van de overdracht van eiseres aan Italië tijdelijk moet worden geacht en een verdere onderbouwing ontbreekt, niet aannemelijk is gemaakt dat de voorgenomen overdracht schadelijk is voor het kind. Ook de gestelde medische (psychische) problemen van eiseres en haar man zijn onvoldoende onderbouwd. Daarnaast blijkt uit het medische dossier van eiseres niet dat zij, zoals is gesteld, niet in staat is om alleen voor haar kind te zorgen. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de belangen van het kind van eiseres onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Europees Hof voor de Rechten van de Mens

2 Zaaknummer 46595/19, ECLI:CE:ECHR:2021:0323DEC004659519

3 Verordening (EU) nr. 604/2013

4 ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712

5 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

6 Uitspraken van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2129, 15 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2449, 25 februari, ECLI:NL:RVS:2021:464 en 19 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:881.

7 Zie de uitspraken van de Afdeling van 31 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3672, r.o. 5 en 5.1, en van 24 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2789, r.o. 4.