Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:11597

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
25-10-2021
Zaaknummer
NL21.10469 en NL212.14070
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

In het kader van het gehoor opvolgende aanvraag is eiser uitgenodigd voor een FMMU-onderzoek omdat hij kampt met psychische klachten. Eiser is hier niet verschenen maar wel gehoord. Er bestaat onduidelijkheid over de ontvangst van de uitnodiging en verweerder heeft hier niet naar gevraagd. Verweerder stelt dat hij desondanks zorgvuldig heeft gehandeld, omdat tijdens de gehoren met eiser is gesproken over zijn angsten en omdat eiser heeft aangegeven dat hij wilde en kon worden gehoord. De rechtbank oordeelt anders. Of eiser medisch in staat was gehoord te worden, is ter beoordeling van de FMMU-arts en niet aan verweerder. De rechtbank betrekt hier ook bij dat de nader gehoren niet soepel zijn verlopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL21.10469 (beroep)

NL21.10470 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser en verzoeker, hierna: eiser

[V-Nummer]

(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).

Procesverloop Bij besluit van 30 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 14 januari 2020 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Op 1 juli 2021 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van dezelfde datum heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2021 via een Skype-verbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Kouri. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

Achtergrond

1.1

Eiser stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1982. Hij heeft op 13 oktober 2015 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Bij beschikking van

22 december 2016 is deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, op 1 december 2017 ongegrond verklaard1. Het hiertegen ingestelde hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kennelijk ongegrond verklaard op 1 juni 20182.

1.2

Op 14 januari 2020 heeft eiser een herhaalde asielaanvraag ingediend. Dat is de aanvraag waar het in deze zaak over gaat. Op 17 en 21 september 2020 heeft een ‘gehoor opvolgende aanvraag’ plaatsgevonden. Op 11 maart 2021 heeft een ‘aanvullend gehoor’ plaatsgevonden.

Asielrelaas

2. Eiser legt het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag. Eiser verklaart dat hij homoseksueel is en dat hij afvallige is van het islamitisch geloof.

Standpunt verweerder

3.1

Verweerder heeft de volgende relevante elementen in het asielrelaas van eiser onderscheiden:

  1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

  2. Bedreiging door de sjiitische militie in de garage van eiser;

  3. Telefonische bedreiging door de militie;

  4. Homoseksuele geaardheid;

  5. Afvalligheid.

3.2

De relevante elementen a. en b. zijn door verweerder geloofwaardig geacht. De relevante elementen c., d. en e. zijn door verweerder niet geloofwaardig geacht.

3.3

Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat het voor eisers rekening komt dat hij niet naar de afspraak van de FMMU3 is geweest. Ook heeft eiser niet met medische stukken aannemelijk gemaakt dat hij niet kon worden gehoord. Verder is met eiser gesproken over zijn angsten en heeft eiser aangegeven dat hij wilde en kon worden gehoord. Tijdens de gehoren is bovendien rekening gehouden met eisers analfabetisme door vragen op een andere manier te stellen.

Beroepsgronden eiser

4.1

Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn kwetsbaarheid. Het niet verschijnen bij de FMMU dient gelet op eisers psychische gesteldheid en het feit dat hij analfabeet is niet voor zijn rekening en risico te komen. Bovendien heeft de gemachtigde van eiser geen afschrift van de oproep voor een FMMU-onderzoek ontvangen, terwijl zij die wel had moeten ontvangen van verweerder. Zij kon eiser er dus ook niet op attenderen dat hij naar de FMMU moest gaan. De gemachtigde van eiser heeft ook expliciet aangegeven dat eiser een verwarde en angstige indruk op haar maakte en daarom is er uitdrukkelijk verzocht om een FMMU-onderzoek. Nu eiser niet eerst door de FMMU is onderzocht, staat niet vast dat eiser gehoord kon worden. Gelet daarop heeft verweerder volgens eiser ten onrechte het horen en daarop de besluitvorming doorgezet.

4.2

Eiser voert ook aan dat de vragen die hem gesteld zijn tijdens het gehoor te moeilijk waren gezien zijn referentiekader. Eiser is analfabeet en laag opgeleid. Dat blijkt onder meer uit het feit dat aan eiser wordt tegengeworpen dat hij verschillende jaartallen noemt ten aanzien van het bekend worden van zijn homoseksuele gevoelens en het moment van overlijden van [naam] . Ook voert eiser aan dat hij niets snapt van zelfreflecterende vragen. Verweerder is teveel uitgegaan van het westerse model. Eiser bedoelt daarmee dat verweerder nog altijd het zwaartepunt legt op het bewustwordingsproces en de mate van zelfacceptatie.

Oordeel rechtbank

5.1

De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat het voor eisers rekening en risico komt dat hij niet is verschenen bij de FMMU voor een medisch onderzoek. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat de informatie die een asielzoeker naar voren brengt uitgangspunt is bij de beoordeling of die asielzoeker in aanmerking komt voor asiel. Het is daarom van groot belang dat er duidelijkheid bestaat over de vraag of eiser medisch gezien in staat is om te verklaren tijdens gehoren.

5.2

De gang van zaken is als volgt. De gemachtigde van eiser heeft verweerder op 9 september 2020 verzocht om eiser medisch te laten onderzoeken door de FMMU. Zij heeft hierbij aangegeven dat eiser een zeer angstige, verwarde en uitgeputte indruk op haar maakte. Volgens de gemachtigde van eiser viel er nauwelijks een gesprek met hem te voeren. Verweerder heeft dit verzoek ingewilligd. Bij brief van 14 september 2020 is eiser uitgenodigd voor een medisch onderzoek door de FMMU op 16 september 2020. De dag erna, op 17 september 2020 heeft het ‘gehoor opvolgende aanvraag’ plaatsgevonden. Omdat dit gehoor die dag niet kon worden afgerond is op 21 september 2020 dit gehoor hervat. Na afloop van het gehoor, op 22 september 2020, heeft de FMMU bericht dat eiser niet is verschenen op het spreekuur. Bij brief van 6 oktober 2020 heeft de gemachtigde van eiser correcties en aanvullingen op het verslag van het ‘gehoor opvolgende aanvraag’ gegeven. Daarbij is ook aangegeven dat eiser niet in staat was om te worden gehoord en dat hij eerst onderzocht moest worden door de FMMU. Vervolgens heeft er op 11 maart 2021 nog een ‘aanvullend gehoor’ plaatsgevonden. Bij brief van 25 maart 2021 heeft de gemachtigde van eiser correcties en aanvullingen op het verslag van dit gehoor gegeven. De gemachtigde heeft ook toen aangegeven dat eiser niet in staat was om te worden gehoord en eerst onderzocht moest worden door de FMMU.

5.3

Het is de rechtbank allereerst niet duidelijk of de brief waarmee eiser is uitgenodigd voor medisch onderzoek hem daadwerkelijk heeft bereikt. Verweerder gaat ervan uit dat dit het geval is, maar kan dit niet onderbouwen. Op de vraag aan eiser of hij een brief heeft ontvangen om naar de medische dienst te gaan, geeft eiser aan dat hij een brief over vaccinatie heeft ontvangen. Over de hier aan de orde zijnde brief heeft eiser het echter niet. De verslagen van de gehoren bieden evenmin houvast of eiser die brief heeft gehad. Dat eiser niet was verschenen bij de FMMU was nog niet bekend toen hij op

17 en 21 september 2020 werd gehoord. Wat opvalt is dat de hoormedewerker toen niet is nagegaan wat de uitkomst van de FMMU onderzoek is geweest. Bij het ‘aanvullend gehoor’ van 11 maart 2021 was inmiddels wel bekend4 dat eiser niet op het spreekuur bij de FMMU was geweest, maar toen is nagelaten eiser te vragen waarom hij niet op de afspraak was verschenen. Gelet op het vorenstaande houdt de rechtbank het ervoor dat dat die brief eiser niet heeft bereikt.

5.4

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn werkwijze zorgvuldig is geweest omdat tijdens de gehoren met eiser is gesproken over zijn angsten en omdat eiser heeft aangegeven dat hij wilde en kon worden gehoord. De rechtbank gaat hier niet in mee, omdat het in beginsel niet aan hoormedewerkers is om te bepalen of iemand er medisch gezien toe in staat is om te worden gehoord. Dat is aan de FMMU. De stelling van verweerder dat hoormedewerkers zijn opgeleid voor het horen van kwetsbare vreemdelingen en rekening houden met hun persoonlijke omstandigheden, maakt het voorgaande niet anders, omdat dit geen medische opleiding betreft. Bovendien valt het de rechtbank op dat uit de verslagen van de gehoren blijkt dat de gehoren op verschillende momenten niet soepel zijn verlopen. Zo moesten sommige vragen die aan eiser gesteld werden meerdere keren herhaald worden door de hoormedewerker5. Op pagina 10 van het verslag van het gehoor dat heeft plaatsgevonden op 17 september 2020 is ook te lezen dat de hoormedewerker opmerkt dat hij soms het gevoel heeft dat eiser de vraag niet begrijpt, maar wel antwoord geeft.

5.5

Verweerders standpunt dat niet met objectieve stukken is onderbouwd dat eiser onder medische behandeling staat, wordt door de rechtbank ook niet gevolgd. Uit het feit dat eiser niet onder medische behandeling staat, kunnen geen conclusies worden getrokken. Dat betekent immers niet dat er niets met eiser aan de hand is. Daarover kan alleen uitsluitsel worden gegeven door een medicus.

6.1

Gelet op het voorgaande is eisers beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

6.2

De rechtbank geeft verweerder daarbij mee dat duidelijk moet worden of eiser medisch gezien in staat is om verklaringen af te leggen tijdens gehoren. Omdat dat opnieuw onderzocht moet worden, zal verweerder in zijn nieuwe besluitvorming ook aandacht moeten besteden aan het standpunt van eiser dat verweerder teveel is uitgegaan van het westerse model.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

7. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.244,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL21.10469,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL21.10470,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.224,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M. Journée, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 Zaaknummer: AWB 17/1408.

2 Zaaknummer: 201710359/1/V2.

3 Forensisch Medische Maatschappij Utrecht

4 Zie het bericht van de FMMU van 22 september 2020 en de correcties en aanvullingen van de gemachtigde van eiser 6 oktober 2020.

5 Zie p. 6, 7, 10 en 15 van het verslag van het ‘gehoor opvolgende aanvraag’ en p. 6, 8, 17 en 19 van het verslag van het ‘aanvullend gehoor’.