Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:11588

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-01-2021
Datum publicatie
25-10-2021
Zaaknummer
NL20.21576
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep asiel Iran. 3e herhaalde asielaanvraag, bekering, geloofsverdieping, gedragsverandering, verklaringen onvoldoende concreet/inzichtelijk, niet-objectieve verklaringen inzake 3 EVRM. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.21576

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. L.J. Meijering), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.21577, plaatsgevonden op 6 januari 2021. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die de zitting via een Skypeverbinding heeft bijgewoond. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1974.

2. Eiser heeft op 16 december 2010 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 17 november 2011 afgewezen. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft het door eiser ingestelde beroep bij uitspraak van 23 juli 2012 ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze uitspraak op 13 november 2012 bevestigd.

3. Op 22 februari 2013 heeft eiser opnieuw asiel aangevraagd. Eiser heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat hij zich in december 2010 heeft bekeerd tot het christendom. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 4 maart 2013 afgewezen en

1 AWB 11/40274.

2 ABRvS, 201208133/1/V3.

aan eiser een inreisverbod voor twee jaren opgelegd. Deze rechtbank, zittingsplaats

‘s-Hertogenbosch, heeft het door eiser ingestelde beroep bij uitspraak van 25 maart 2013 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

4. Eiser heeft op 29 oktober 2015 voor de derde maal asiel aangevraagd. Eiser heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat er sprake is van een intensivering van zijn christelijke geloof. Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft het beroep bij uitspraak van

4 december 2015 ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft deze uitspraak op 15 januari 2016 bevestigd.

5. Op 3 februari 2019 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Die aanvraag ligt ten grondslag aan het nu bestreden besluit. Eiser heeft aangevoerd dat de inwerkingtreding van Werkinstructie 2018/10 moet worden aangemerkt als novum. Eiser heeft verder aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij wordt bedreigd door families die er achter zijn gekomen dat hij is bekeerd tot het christendom. Eiser heeft aangegeven dat zijn geloofsgroei moet worden aangemerkt als novum. Ter onderbouwing van zijn geloofsgroei heeft eiser de volgende documenten overgelegd:

  • -

    een rapport van godsdienstpsycholoog Van Saane van 31 mei 2015;

  • -

    een verklaring van ICF van 5 februari 2017;

  • -

    een verklaring van de [kerk] van 13 juli 2018; en

  • -

    een verklaring van [stichting] van 30 november 2018.

6. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Hij heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. Als er geen relevante wijziging van het recht is, toetst de rechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of verweerder de aanvraag niet ten onrechte niet- ontvankelijk heeft verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 22 juni 2016. Nieuwe elementen of bevindingen zijn feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en dus moesten worden aangevoerd. Daaronder vallen ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van dat eerdere besluit konden en dus moesten worden overgelegd.

Geloofsgroei en gedragsverandering

9. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet geloofwaardig acht dat eiser christen is en dat er sprake is van geloofsgroei. Eiser is door het christendom minder

3 AWB 13/5977.

4 AWB 15/19627.

5 ECLI:NL:RVS:2016:1759.

verlegen en opener geworden. Ook heeft hij zijn vader kunnen vergeven. Ten onrechte stelt verweerder dat het aan eiser is om aan te tonen dat deze gedragsverandering een gevolg is van zijn bekering tot het christendom. Werkinstructie 2019/18 vereist niet dat bewezen moet worden dat de gedragsverandering wordt veroorzaakt door de bekering. Het is voldoende dat eiser de gedragsverandering koppelt aan de bekering en dat heeft eiser gedaan.

Verweerder heeft bij de beoordeling van dit aspect dus een te strikt toetsingskader aangelegd. Verder is eiser geduldig geworden, ook onder de slechte omstandigheden waarin hij verkeert en eiser heeft in dat kader veel steun aan het bijbelverhaal Ayub. Ook heeft hij gewezen op concrete voorbeelden, te weten het tafeltennissen en de activiteiten daaromheen, en het stopen met het roken van marihuana. Verweerder stelt ten onrechte dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over zijn geloofsverdieping.

10. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser voortborduurt op zijn eerder ongeloofwaardig bevonden bekering en de ongeloofwaardig bevonden verdieping van zijn geloof. Het ligt op de weg van eiser om aan te geven in hoeverre deze aanvraag verschilt ten opzichte van de vorige en waarom er nu wel sprake is van een oprechte bekering en geloofsverdieping. Verweerder heeft overwogen dat de verklaringen van eiser niet concreet en inzichtelijk maken waarom er sprake is van geloofsgroei. Het stoppen met het roken van marihuana acht verweerder wel een nieuw feit, maar dit maakt de gestelde geloofsgroei volgens verweerder niet aannemelijk.

11. Volgens paragraaf 7 van Werkinstructie 2019/18, voor zover hier van belang, gaat het bij een opvolgende aanvraag om de vraag wat er nieuw is aan de bekering ten opzichte van de eerdere procedure waardoor aannemelijk is dat er wel sprake is van een oprechte bekering. Verklaringen van de vreemdeling of verklaringen van kerkelijke personen en/of instanties kunnen als nieuwe elementen of bevindingen worden aangemerkt, indien uit die verklaringen ook daadwerkelijk nieuwe elementen en bevindingen blijken ten opzichte van de laatste aanvraag. Indien de vreemdeling voortborduurt op een eerder ongeloofwaardig geachte bekering, rust er een zwaardere bewijslast op de vreemdeling om zijn bekering geloofwaardig te maken. Indien de vreemdeling - ondanks de ongeloofwaardigheid van zijn eerdere verklaringen - nu zo overtuigend kan vertellen over zijn motieven voor het proces van bekering dat zich heeft voorgedaan na de vorige afwijzing kan dit - in combinatie met zijn huidige kennis en de activiteiten die hij verricht tot de conclusie leiden dat zijn bekering nu wel geloofwaardig is.

12. Niet in geschil is dat geen sprake is van nieuwe motieven voor de gestelde bekering van eiser en dat deze bekering in eerdere procedures ongeloofwaardig is bevonden. Eiser stelt zich kort gezegd op het standpunt dat de nieuwe gebeurtenissen zijn gelegen in een voortzetting van het bekeringsproces en verdieping van zijn geloof. Het is gelet op het voorgaande aan hem om dit aannemelijk te maken.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft overwogen dat eiser onvoldoende concreet en persoonlijk heeft verklaard over zijn gestelde geloofsgroei en verdieping in het christendom. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat de verklaring van eiser dat hij voorheen geen vragen durfde te stellen over het christendom en hij dat nu wel durft, niet overeenkomt met zijn verklaringen in een eerdere procedure. Tijdens het gehoor op 26 februari 2013 heeft eiser immers verklaard dat hij wel vragen over het christendom heeft gesteld aan [A] . Verweerder heeft mogen overwegen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waardoor juist het christendom er voor heeft gezorgd dat hij

naar eigen zeggen opener is geworden en aan iedereen vragen durft te stellen en mogen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze veranderingen in zijn het gedrag zijn gekoppeld aan zijn bekering, dan wel geloofsverdieping. Verweerder heeft verder mogen overwegen dat het feit dat eiser anderen helpt terwijl hij zelf illegaal is, al tijdens eerdere procedures door eiser is aangevoerd. Verweerder heeft mogen overwegen dat eiser vaag heeft geantwoord op de vraag op welke manier zijn geloof is verdiept. Eiser heeft desgevraagd slechts verklaard dat het voor elke gelovige belangrijk is om samen met god door het leven te gaan en dat gelovigen in dienst staan van god en hem tevreden willen houden. Eiser heeft verder verklaard dat je jezelf ontwikkelt als je een connectie met god ontwikkelt en dat je dan de woorden van god duidelijk krijgt. De levenswijze van god als jouw eigen maken is volgens eiser het belangrijkste wat men kan doen ter verdieping. Je krijgt goddelijke perfectie enkel door de woorden van Jezus te volgen. Verder heeft eiser aangegeven dat elke avond van 20:00 tot 21:00 uur het tijdstip is voor mensen met problemen om te gaan bidden. Verweerder heeft mogen overwegen dat eiser hiermee niet concreet en inzichtelijk heeft gemaakt waarom er bij hem persoonlijk sprake is van geloofsgroei. Verweerder heeft verder aan eiser mogen tegenwerpen dat zijn verklaringen met betrekking tot het verhaal van Ayub en Jezus geen blijk geven van geloofsgroei. Dat Jezus zegt dat je je naasten liefde moet geven en je goed moet gedragen maakt niet inzichtelijk waarom eiser er van overtuigd is dat hij volgens deze woorden moet leven.

Omdat de gestelde bekering van eiser eerder ongeloofwaardig is geacht, en dit nu in rechte vaststaat, mag verweerder in die zin strenge eisen stellen aan de verklaringen van eiser.

Mede gelet hierop, en op de omstandigheid dat er sinds de laatste asielaanvraag ruim drie jaar verstreken zijn, heeft verweerder de door eiser afgelegde verklaringen dan ook oppervlakkig mogen vinden en geen aanleiding hoeven te zien om de gestelde bekering van eiser alsnog geloofwaardig te achten. Het noemen van concrete voorbeelden van de gedragsveranderingen vanwege de gestelde verdieping van het geloof geeft, mede gezien het incidentele karakter van die voorbeelden, geen aanleiding voor een ander oordeel.

14. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in de door eiser overgelegde verklaringen van derden geen aanleiding heeft hoeven zien om alsnog uit te gaan van de geloofwaardigheid van de gestelde bekering en de daarmee samenhangende geloofsgroei. Verweerder heeft in het bestreden besluit gereageerd op deze verklaringen. Verweerder heeft terecht overwogen dat dergelijke stukken weliswaar kunnen dienen ter staving van de bekering, maar dat het overleggen van deze verklaringen en documenten de verantwoordelijkheid van de vreemdeling onverlet laat om zelf overtuigende verklaringen af te leggen over zijn bekering en in de gestelde geloofsgroei. Zoals hierboven is overwogen is eiser hier niet in geslaagd. Ten aanzien van de verklaring van de schoonzus [B] heeft verweerder terecht overwogen dat de daarin vermelde informatie voor wat betreft de gestelde geloofsgroei al in voorgaande procedures is aangevoerd en meegenomen. De verklaring van [B] is dan ook niet als een novum te bestempelen.

Bedreiging familie / 3 EVRM

15. Eiser voert aan dat hij vanwege de bedreiging door zijn familie een risico loopt op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij terugkeer naar Iran. Eiser wijst hierbij op een stuk dat hij van zijn schoonzus [B] heeft gekregen en stelt dat het enkele feit dat hij de bedreiging heeft vernomen uit een niet-objectieve bron niet maakt dat daar geen bewijswaarde aan kan worden toegekend. Verweerder heeft ten aanzien van de verklaring van [B] gehandeld in

strijd met Werkinstructie 2019/18. [B] heeft feitelijke informatie gegeven en verweerder is hier onvoldoende gemotiveerd op ingegaan en hieraan ten onrechte geen enkele waarde gehecht. Eiser wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 8 juni 2017. Eiser wijst verder op zijn Facebook-pagina waaruit blijkt dat hij christelijke informatie op Facebook post, op grond waarvan hij als afvallige te vrezen heeft van de zijde van de Iraanse autoriteiten.

16. Verweerder stelt naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte dat de dreigementen van de familie van eiser niet aan te merken zijn als nieuwe elementen of bevindingen. Verweerder heeft mogen overwegen dat eiser deze bedreigingen enkel heeft vernomen van zijn schoonzus en dat deze niet als een objectief verifieerbare bron kan worden beschouwd. Eiser heeft geen aanvullende stukken overgelegd die de verklaringen van zijn schoonzus ondersteunen. Verweerder heeft verder aan eiser mogen tegenwerpen dat hij sinds het gesprek met zijn schoonzus, ruim twee jaar geleden, geen problemen heeft ondervonden van de volgens eiser jegens hem uitgesproken fatwa. Verweerder heeft mogen overwegen dat uit de door eiser overgelegde screenshots van zijn Facebookpagina niet kan worden afgeleid dat de Iraanse autoriteiten of de familie van eiser op de hoogte zijn van zijn gestelde bekering. Verweerder heeft er verder op mogen wijzen dat van eiser verlangd mag worden dat hij vóór terugkeer naar Iran de christelijke geloofsuitingen van zijn Facebookpagina verwijdert. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de ABRvS van 24 april 2015. Verweerder heeft ter zitting nog gewezen op het meest recente ambtsbericht over Iran van maart 2019, waarin op pagina 15 is vermeld dat in Iran geen wet is die het aanvragen van asiel in het buitenland strafbaar stelt. Als een asielzoeker kritiek heeft geuit over de Iraanse autoriteiten dan kan hij daar wel over worden bevraagd, maar hiervan is in het geval van eiser geen sprake. Verder blijkt uit dit ambtsbericht dat de Iraanse autoriteiten weinig aandacht schenken aan terugkerende asielzoekers, en niet veel aandacht hebben voor wat asielzoekers in het buitenland hebben gezegd, gedaan of op internet hebben gezet.

17. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft mogen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer heeft te vrezen voor een situatie als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

18. De slotsom is dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.

19. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

6 ECLI:NL:RVS:2017:1539.

7 ECLI:NL:RVS:2015:1336.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op

15 januari 2021

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Mr. J.A. Schuman P. Bruins

Rechter Griffier

Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.