Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:11581

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-10-2021
Datum publicatie
25-10-2021
Zaaknummer
NL20.14474
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag – afwending van de islam – bekering tot het christendom – meerdere motiveringsgebreken in het besluit – gestelde problemen als gevolg van bekering echtgenoot niet ten onrechte ongeloofwaardig - gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.14474


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiseres

mede namens haar minderjarige kind:

[naam2] , V-nummer: 286.135.0512

(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).


Procesverloop
Bij besluit van 20 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het beroep van de echtgenoot van eiseres met zaaknummer NL20.14475, op 19 augustus 2021 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen S.L. Moallemzadeh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Iraanse nationaliteit te bezitten.

2. Op 12 oktober 2018 heeft eiseres een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hieraan heeft zij het volgende ten grondslag gelegd. In Iran kreeg eiseres de islam opgelegd als religie. Eiseres wilde graag een kind krijgen en heeft daarvoor jarenlang gebeden. Toen zij uiteindelijk een kind kreeg, bleek dit kind autisme te hebben. Dit was voor eiseres de reden om zich af te wenden van de islam. Haar echtgenoot is in Iran bekeerd tot het christendom. De Iraanse autoriteiten zijn vanwege de bekering van de echtgenoot van eiseres op 6 augustus 2018 het huis van eiseres en haar echtgenoot binnengevallen. Na de inval is eiseres samen met haar echtgenoot en kind naar Nederland gevlucht. In Nederland heeft zij zich bekeerd tot het christendom. Indien eiseres zou moeten terugkeren naar Iran vreest zij voor bestraffing door de autoriteiten vanwege haar afvalligheid en bekering.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder acht de door eiseres gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder acht niet geloofwaardig dat eiseres zich heeft afgewend van de islam. Ook acht verweerder niet geloofwaardig dat eiseres zich heeft bekeerd tot het christendom. Tot slot acht verweerder niet geloofwaardig dat eiseres in Iran problemen heeft ondervonden door de bekering van haar echtgenoot.

4. Op wat eiseres daartegen aanvoert, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Visum en problemen in Iran door de bekering van de echtgenoot

5. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de gestelde problemen in Iran niet geloofwaardig zijn omdat deze samenhangen met de ongeloofwaardig bevonden afwending van de islam en bekering tot het christendom door de echtgenoot van eiseres. Verder heeft verweerder verwezen naar het besluit op de asielaanvraag van de echtgenoot van eiseres, waarin staat dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van de problemen doordat eiseres en haar echtgenoot al voor de gestelde huisinval bezig waren met het aanvragen van een visum en de gegevens in de visumaanvraag niet overeenkomen met de verklaringen in het aanmeldgehoor.

6. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat het visumdossier andere informatie bevat dan uit de verklaringen van haar en haar echtgenoot volgt. Een mensensmokkelaar heeft alles omtrent de visa geregeld, onder andere door gebruik te maken van een door de echtgenoot van eiseres ondertekend blanco papier. In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor heeft eiseres aangegeven dat zij en haar echtgenoot in eerste instantie niet de waarheid hebben gesproken over wanneer zij contact hebben opgenomen met de mensensmokkelaar en zij hebben dit gecorrigeerd. Eiseres en haar echtgenoot zijn één keer naar de Nederlandse ambassade geweest, wat verklaart waarom het visumdossier biometrische gegevens van hen bevat. Eiseres wijst verder op de samenwerkingsverplichting van verweerder en het Unierechtelijke effectiviteitsbeginsel.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat de inhoud van het visumdossier afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de gestelde gebeurtenissen op 6 augustus 2018. Daartoe is het volgende van belang. Eiseres is naar Nederland gereisd op basis van een Schengenvisum. Uit het visumdossier blijkt dat de echtgenoot van eiseres al op 22 juli 2018 bezig was met het regelen van de reis naar Nederland en dat op 5 augustus 2018 formulieren zijn ingediend ten behoeve van de visumaanvraag. Eiseres en haar echtgenoot hebben echter tijdens het nader gehoor verklaard dat zij pas op 6 augustus 2018, naar aanleiding van de gestelde inval, een mensensmokkelaar hebben benaderd voor de visumaanvraag. Dat eiseres in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor heeft aangegeven te hebben verzwegen dat zij en haar echtgenoot al eerder contact hadden met de mensensmokkelaar op aanraden van andere asielzoekers, heeft verweerder geen verschoonbare reden hoeven vinden voor deze onjuiste verklaring. De stelling van de echtgenoot van eiseres ter zitting dat hij al eerder contact had opgenomen met de mensensmokkelaar omdat hij problemen met zijn zwager verwachtte die door zou hebben dat hij afvallig zou zijn, volgt de rechtbank niet nu dit niet eerder naar voren is gebracht en ook niet nader is geconcretiseerd. Daarnaast heeft verweerder terecht tegengeworpen dat de verklaringen van eiseres en haar echtgenoot tijdens het aanmeldgehoor over hun beroep in Iran niet overeenstemmen met de informatie daarover in het visumdossier. Verweerder is daarbij terecht ervan uitgegaan dat eiseres en haar echtgenoot de visa in persoon hebben aangevraagd, nu van hen foto’s zijn genomen en hun vingerafdrukken zijn afgenomen. Dat eiseres en haar echtgenoot hebben verklaard dat een mensensmokkelaar alles rondom hun visa heeft geregeld, heeft verweerder daarom niet hoeven volgen. De enkele stelling dat de echtgenoot van eiseres een handtekening heeft gezet op een blanco papier en dat deze handtekening is gebruikt door de mensensmokkelaar, leidt niet tot een andere conclusie.

Afwending van de islam

8. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres geen inzicht heeft gegeven in haar diepgewortelde overtuiging om zich af te keren van de islam. Volgens verweerder is het niet aannemelijk dat eiseres zich vrijwel meteen heeft afgewend van de islam nadat haar kind autistisch bleek te zijn. Ook vindt verweerder dat de verklaringen van eiseres over haar liefdevolle vader niet overeenkomen met haar verklaring dat haar vader meent dat zij een ziek kind heeft gekregen doordat zij grote zonden heeft begaan. Het is voorstelbaar dat eiseres geen fijne thuissituatie heeft gehad, maar daarmee is niet inzichtelijk gemaakt welk proces zij heeft doorgemaakt in het kader van haar afwending van de islam. Verder acht verweerder het niet aannemelijk dat eiseres niet met haar echtgenoot heeft gesproken over haar besluit tot afwending van de islam.

9. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ongeloofwaardig is bevonden dat zij zich heeft afgewend van de islam. Verweerder is ervan uitgegaan dat sprake moet zijn van een diepgewortelde overtuiging om zich af te keren van de islam, maar eiseres heeft nooit gekozen voor de islam en zij had geen klik met de religie. Eiseres heeft een geen fijne jeugd gehad, waarbij in de naam van de islam haar diverse nare dingen zijn overkomen. Eiseres heeft tijdens het gehoor duidelijk verklaard dat ze tijdelijk is gaan bidden vanwege haar kinderwens. Daarnaast heeft ze niet tegenstrijdig verklaard over haar vader en niet onduidelijk verklaard over waarom zij met haar echtgenoot weinig sprak over het geloof.

10. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de afwending van de islam niet geloofwaardig is bevonden. Daarvoor is allereerst van belang dat verweerder in het voornemen heeft overwogen dat niet geloofwaardig is dat het kind van eiseres aan autisme lijdt en dat daarom een groot deel van het motief voor het afkeren van de islam is komen te vervallen. In het bestreden besluit is verweerder, naar aanleiding van de zienswijze, op dat onderdeel van het voornemen teruggekomen door aan te nemen dat het kind van eiseres in Iran met problemen kampte en daarvoor ook een behandeling kreeg. Niettemin is verweerder van mening dat eiseres alsnog geen inzicht heeft gegeven in haar diepgewortelde overtuiging om zich af te keren van de islam. De rechtbank volgt verweerder daarin niet. Waar verweerder in het voornemen het motief van eiseres om zich van de islam af te wenden nog ter discussie stelde door te verwijzen naar de ongeloofwaardige verklaringen over de aandoening van haar zoon, is zonder nadere motivering niet begrijpelijk waarom verweerder bij het bestreden besluit, in tegenstelling tot het voornemen, weliswaar tóch aannemelijk acht dat de zoon van eiseres in Iran aan autisme leed, maar daar geen enkele betekenis aan toekent voor de geloofwaardigheid van de door eiseres gestelde afwending van de islam.

11. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder eiseres in het bestreden besluit heeft aangemerkt als een ‘in wat mindere mate praktiserende moslima doordat zij als moeder vooral bezig is met haar enige zoon waar zij lang op heeft moeten wachten’. Eiseres heeft tijdens het gehoor in het kader van de afwending van de islam verklaard over haar jeugd, de schuldgevoelens die zij ervoer en de problemen die zij had om zwanger te raken. Nu verweerder eiseres kennelijk aanziet voor een in mindere mate praktiserende moslima, heeft verweerder gebrekkig gemotiveerd waarom de door eiseres aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om aan te nemen dat zij zich heeft afgewend van de islam. Naar het oordeel van de rechtbank valt immers niet in te zien dat verweerder ook van een matig praktiserende moslim als eiseres zonder meer kan verlangen dat een (innerlijke) afwending van de islam gebaseerd is op een diepgewortelde overtuiging. Tegen die achtergrond valt evenmin in te zien dat de verklaringen van eiseres over de redenen die aan haar afwending van de islam ten grondslag lagen, zodanig tekort schieten dat de voor een oprechte afwending benodigde - al dan niet diepgewortelde - overtuiging niet aannemelijk is geworden.

Bekering tot het christendom

12. In het bestreden besluit stelt verweerder zich verder op het standpunt dat eiseres ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een diepgewortelde innerlijke overtuiging waardoor aangenomen kan worden dat zij oprecht is bekeerd. Verweerder acht niet aannemelijk dat eiseres in november 2018 een verband heeft gelegd tussen een gebed van haar schoonmoeder van ongeveer anderhalf jaar daarvoor en de eerste woordjes van haar kind op de dag van dat gebed. Verder heeft eiseres geen inzicht gegeven in waarom ze behoefte kreeg aan een religie, waarom onvoorwaardelijke liefde zo belangrijk voor haar is en wat de droom van een vriendin, die eiseres zag als teken om zich te bekeren, bij haar teweeg heeft gebracht. Verweerder heeft verder overwogen dat eiseres weliswaar enige kennis heeft over het christendom, maar ook dat zij de diepere betekenis van de verhalen waarover zij heeft verteld niet inzichtelijk kan maken. Daarnaast ligt geen diepgewortelde religieuze overtuiging ten grondslag aan de activiteiten van eiseres. Omdat eiseres zelf geen overtuigende verklaringen heeft afgelegd over haar motieven voor en het proces van de bekering, kan zij met de verklaring van de Iraanse kerk in Hengelo haar bekering ook niet aannemelijk maken.

13. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte haar bekering tot het christendom ongeloofwaardig acht. Het is onduidelijk waarom verweerder niet geloofwaardig vindt dat zij in november 2018 het verband heeft gelegd tussen de eerste woordjes van haar kind en het gebed van haar schoonmoeder. Eveneens is onduidelijk waarom de gebeurtenissen waarover eiseres heeft verklaard niet getuigen van een diepgewortelde overtuiging. Eiseres was door deze gebeurtenissen juist erg bezig met het christendom en was alleen nog aan het wachten op een teken om zich daadwerkelijk te bekeren. Dit teken kwam uiteindelijk in de vorm van een droom van een vriendin. Daarnaast wordt eiseres aantrokken door de onvoorwaardelijke liefde die van het christendom uitgaat, vooral omdat zij die liefde niet kende uit de islam. Eiseres heeft in beroep de volgende stukken overgelegd ter onderbouwing van haar bekering: een brief van een voorganger van de Iraanse kerk te [plaats], een verslag van een geloofsgesprek met de [plaats2], een tweetal brieven van de [plaats3] en een uitdraai van berichten op de Facebookpagina van eiseres.

14. Bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de bekering van eiseres heeft verweerder Werkinstructie (WI) 2018/10 als uitgangspunt genomen. Volgens WI 2018/10 dient verweerder de volgende drie elementen in onderlinge samenhang te betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de bekering:

1. de motieven voor en het proces van bekering,

2. kennis van het nieuwe geloof en

3. de activiteiten die de vreemdeling in het kader daarvan ontplooit.

In paragraaf 5 van de WI is opgenomen dat dit niet moet worden gezien als een checklist, omdat iedere vreemdeling uniek is en iedere zaak een individuele beoordeling vereist. Bij uitspraak van 12 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:977) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in algemene zin geoordeeld over WI 2018/10 en de toepassing ervan. Volgens de Afdeling zal verweerder voortaan, ook als hij in zijn geloofwaardigheidsbeoordeling een doorslaggevend gewicht toekent aan ontoereikende verklaringen van een vreemdeling over de motieven voor en het proces van bekering, kenbaar moeten motiveren wat hij vindt van de verklaringen van een vreemdeling over de overige twee elementen (kennis van het nieuwe geloof en de in het kader van het nieuwe geloof ontplooide activiteiten) en waarom die verklaringen de ontoereikende verklaringen over het eerste element niet kunnen compenseren. Verder zal verweerder voortaan ook daadwerkelijk en kenbaar moeten motiveren hoe hij overgelegde verklaringen van derden heeft gewogen in het licht van de tegenover hem afgelegde en ongeloofwaardig geachte verklaringen over de gestelde bekering. Zo zal inzichtelijk en voor de bestuursrechter beter toetsbaar worden welk gewicht aan verklaringen van derden is toegekend.

15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de eerste plaats onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt dat zij zich vanuit een diepe innerlijke geloofsovertuiging tot het christendom heeft bekeerd. De rechtbank overweegt in dat verband dat in het bestreden besluit is vastgesteld dat eiseres, waar het betreft de redenen van haar bekering, over drie gebeurtenissen heeft verklaard. In de eerste plaats heeft eiseres het gedrag van haar echtgenoot in positieve zin zien veranderen na diens bekering tot het christendom. Daarnaast is haar kind gaan spreken op de dag dat haar christelijke schoonmoeder voor haar kind heeft gebeden. Tot slot heeft eiseres tijdens bijeenkomsten in de kerk onvoorwaardelijke liefde gevoeld. Verweerder heeft echter noch in het bestreden besluit, noch desgevraagd ter zitting helder over het voetlicht kunnen brengen waarom de verklaringen van eiseres in dit opzicht tekort schieten en wat, in de visie van verweerder, redelijkerwijze nog meer van eiseres verwacht mocht worden om wel aannemelijk te achten dat haar bekering in een diepe innerlijke overtuiging is geworteld. Ook de conclusie van verweerder dat eiseres er niet in is geslaagd de positieve aspecten van haar bekering persoonlijk te maken is, mede gelet op wat eiseres over de redenen van haar bekering heeft verklaard, gebrekkig gemotiveerd. Verweerder werpt in dat verband aan eiseres tegen dat zij, door te verklaren dat zij heeft geleerd vergevingsgezind en onvoorwaardelijk aardig te zijn1, slechts algemene antwoorden geeft, die bovendien niet exclusief voor het christendom gelden2. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder heeft nagelaten hierover nadere vragen te stellen aan eiseres, wat wel op zijn weg had gelegen als hij de beantwoording tot dusver tekort vond schieten. Verweerder gaat er bovendien aan voorbij dat het enkele feit dat de positieve karaktereigenschappen die eiseres met haar bekering tot het christendom in verband brengt niet uitsluitend aan het christendom zijn voorbehouden, nog niet betekent dat die bekering daardoor niet persoonlijk - en aldus onvoldoende oprecht - is gemaakt.

16. De rechtbank neemt hierbij verder in aanmerking dat eiseres, ter ondersteuning van haar verklaringen over het verband tussen de eerste woorden van haar kind en het gebed van haar schoonmoeder van anderhalf jaar daarvoor, de vliegtickets van haar schoonmoeder heeft overgelegd. Deze vliegtickets geven steun aan de uitleg van eiseres dat haar schoonmoeder - die in de Verenigde Staten woont - eiseres en haar echtgenoot in november 2018 in Nederland heeft bezocht, waardoor zij pas toen op de hoogte is geraakt van het feit dat destijds voor haar kind is gebeden en zij die gebeurtenis daardoor niet eerder in verband heeft kunnen brengen met de eerste woorden van haar kind. Gelet hierop is de enkele constatering van verweerder dat het niet aannemelijk is dat eiseres pas in november 2018 dat verband heeft gezien onvoldoende gemotiveerd. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres, mede in het licht van haar verklaringen over de liefdeloze behandeling die haar ten deel viel tijdens haar jeugd, geen inzicht heeft gegeven in de reden waarom zij onvoorwaardelijke liefde in het christendom juist belangrijk vindt.

17. Ook ten aanzien van de diverse door eiseres overgelegde verklaringen van derden heeft verweerder zich in het bestreden besluit en ter zitting onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat deze niet kunnen bijdragen aan de geloofwaardigheid van de bekering. Gelet op de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling dient verweerder in zijn besluitvorming kenbaar te motiveren hoe de verklaringen van derden zijn gewogen. In deze uitspraak verwijst de Afdeling naar de WI waaruit volgt dat verweerder waarde hecht aan verklaringen en/of rapporten van kerkelijke instanties waarin op basis van eigen waarnemingen wordt aangegeven welke rol een vreemdeling speelt binnen een kerkelijke organisatie en hoe hij hier binnen de gemeenschap uiting aan geeft. Het gaat dan om feitelijke informatie die de verklaringen over het element ‘activiteiten’ ondersteunen, waardoor verweerder beter in staat wordt gesteld tot een geloofwaardigheidsbeoordeling te komen. Tegen die achtergrond is de enkele overweging in het bestreden besluit dat de verklaring van de Iraanse kerk geen uitsluitsel geeft over de motieven van eiseres voor haar bekering en het proces van die bekering onvoldoende. Ter zitting heeft verweerder zich voorts op het standpunt gesteld dat uit de stukken van de [plaats2] en de [plaats3]) geen informatie volgt over de authenticiteit van de geloofsuitingen en dat deze er daarom niet toe leiden dat aan eiseres het voordeel van de twijfel moet worden gegeven. Ook hiermee heeft verweerder echter onvoldoende kenbaar gemotiveerd hoe de inhoud van deze stukken bij de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling is betrokken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de stukken van [plaats3] en de Iraanse kerk feitelijke informatie bevatten over de activiteiten die eiseres in het kader van het geloof heeft verricht. Zo staat hierin dat eiseres regelmatig kerkdiensten bezoekt, Bijbelstudies volgt en aanwezig is bij bijeenkomsten. Ook is eiseres op [datum2] gedoopt en helpt zij in de kerk door onder andere kindernevendiensten te verrichten en voedsel te bereiden. Uit het bestreden besluit volgt niet hoe verweerder de verklaringen over de activiteiten van eiseres heeft gewogen, noch volgt daaruit of en in welke mate deze de verklaringen van eiseres over de motieven van haar bekering, voor zover die tekortschieten, kunnen compenseren. De overweging in het bestreden besluit dat aan de activiteiten van eiseres geen diepgewortelde religieuze overtuiging ten grondslag ligt, is daarvoor onvoldoende.

18. Verweerder heeft, tot slot, niet ten onrechte tegengeworpen dat eiseres weliswaar enige kennis heeft over het christendom, maar dat zij niet in staat is de diepere betekenis van verhalen uit het Nieuwe Testament inzichtelijk te maken. Ook heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiseres tijdens het gehoor niet goed heeft kunnen uitleggen wat het protestantisme inhoudt. Dit rechtvaardigt echter niet de conclusie dat niet geloofwaardig is dat eiseres oprecht tot het christendom is bekeerd, nu uit het voorgaande blijkt dat het oordeel van verweerder dat eiseres over de andere twee elementen, te weten de motieven van de bekering en de activiteiten, ongeloofwaardig heeft verklaard, gebrekkig is gemotiveerd.

Conclusie

19. Verweerder heeft de gestelde problemen van eiseres in Iran als gevolg van de gestelde bekering van haar echtgenoot ongeloofwaardig kunnen achten. Desondanks heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat het ongeloofwaardig is dat eiseres zich heeft afgewend van de islam en bekeerd is tot het christendom, en zij bij terugkeer naar Iran hierdoor geen problemen zal ondervinden.

20. Gelet op het bovenstaande is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond. Omdat het maken van een geloofwaardigheidsbeoordeling is voorbehouden aan verweerder, zal de rechtbank verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.

21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Verslag nader gehoor, pagina 28.

2 Voornemen, pagina 8.