Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:11554

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
02-11-2021
Zaaknummer
AWB 20/8245
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

intrekking verblijfsvergunning bepaalde tijd. verblijf als familie of gezinslid. Relatie beéindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/8245


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V- nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P. Celikkal),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K.A. van Iwaarden).

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken.

Bij besluit van 14 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft per Skypeverbinding plaatsgevonden op 20 juli 2021.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1992. Zij heeft de Surinaamse nationaliteit. Zij was sinds 18 augustus 2017 in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar partner, de heer [partner] .

2. Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiseres met ingang van 11 januari 2020 ingetrokken omdat de relatie met haar partner is verbroken en eiseres daarmee niet langer voldoet aan de voorwaarden van de aan haar verleende vergunning.

Wat zijn de regels?

3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Wat vindt eiseres in beroep?

4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiseres ten onrechte per 11 januari 2020 ingetrokken. Op het moment van het primaire besluit en het bestreden besluit was de relatie wel intact. Eiseres en haar partner woonden samen en hadden een affectieve en seksuele relatie. Pas na een ruzie op 3 november 2020 heeft eiseres de woning verlaten en is de relatie tussen hen verbroken. Verweerder had de verblijfsvergunning dan ook niet eerder mogen intrekken dan vanaf 3 november 2020. Verweerder had hoor en wederhoor moeten toepassen na het telefonisch contact met de partner van eiseres en haar om een reactie moeten vragen.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Beëindiging relatie

5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de relatie tussen eiseres en haar (ex-) partner is verbroken. Het geschil gaat om de vraag per wanneer de relatie als verbroken moet worden beschouwd.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres met ingang van 11 januari 2021 niet langer voldoet aan de voorwaarden van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning. Op 11 januari 2020 heeft haar partner via een meldingsformulier bij verweerder aangegeven dat de relatie was verbroken. Vervolgens heeft hij via een meldingsformulier van23 mei 2020 weer laten weten dat de relatie is beëindigd. Tot slot heeft hij bij telefonisch contact op 6 oktober 2020 wederom bevestigd dat de relatie is verbroken, ondanks dat eiseres nog wel bij hem in huis woont. Gelet hierop heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat de stelling van eiseres dat zij de relatie nog een kans wilden geven, niet heeft geleid tot een positief resultaat. De enkele stelling van eiseres dat de relatie zou zijn hersteld leidt niet tot een ander oordeel. Niet is gebleken dat sprake was van een duurzame en exclusieve relatie. De stelling van eiseres dat zij al die tijd feitelijk samenwoonden leidt evenmin tot een ander oordeel. Uit jurisprudentie1 van de hoogste bestuursrechter volgt immers dat het enkele samenwonen onvoldoende is om te blijven voldoen aan alle voorwaarden waaronder de vergunning is verleend. De stelling van de gemachtigde van eiseres dat zij niet beschikt over een telefoonnotitie waaruit het contact tussen verweerder en de ex-partner van eiseres blijkt, kan niet bij de beoordeling worden betrokken, nu zij dit pas ter zitting naar voren heeft gebracht. Dat geldt ook voor de stelling dat de grondslag die verweerder voor de intrekking van de verblijfsvergunning ontbreekt dan wel onjuist is.

Hoorplicht

7. Ten aanzien van de gestelde schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank dat van het horen in bezwaar slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht mag worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het bestreden besluit en de gronden in het bezwaarschrift is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat verweerder van het horen heeft mogen afzien.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.P. Deventer, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2021

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Bijlage

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 19

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, en wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel e, wordt verleend.

1 Uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2643)