Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:11542

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-06-2021
Datum publicatie
28-10-2021
Zaaknummer
AWB 20/5782
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging verblijfsrecht en ongewenstverklaring. actuele, werkelijke en ernstige bedreiging unierecht n-0. ongewenstverklaring ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 20/5782

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon ),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.P.G.H. Belluz).

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het verblijfsrecht van eiser op grond van het Unierecht beëindigd en hem ongewenst verklaard.

Bij besluit van 25 juni 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft via Skypeverbinding plaatsgevonden op 18 mei 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.


Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1984. Hij heeft de Poolse nationaliteit en is daarmee Unieburger.

2. Verweerder heeft het verblijfsrecht van eiser op grond van het Unierecht beëindigd en hem ongewenst verklaard, omdat zijn gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser bij onherroepelijk geworden vonnis van 27 september 2019 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, wegens verkrachting.

Wat zijn de regels?

3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Wat vinden eiser en verweerder in beroep?

4. Eiser is van mening dat hij onafgebroken in Nederland heeft verbleven en dus een duurzaam verblijfsrecht heeft opgebouwd. Verder werpt verweerder ten onrechte tegen dat eiser geen positieve gedragsverandering heeft aangetoond. Verweerder had hier zelf een onderzoek naar kunnen instellen. Daarbij is van belang dat eiser tot een aanzienlijk lagere gevangenisstraf is veroordeeld dan door de officier van justitie is geëist en dat niet is gebleken dat de rechtbank een gevaar voor herhaling heeft aangenomen. Wat betreft de afweging van zijn persoonlijke belangen is van belang dat eiser banden heeft met Nederland doordat hij hier werkt en woont en jaren geleden Polen achter zich heeft gelaten.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen duurzaam verblijfsrecht is ontstaan. Eiser heeft niet aangetoond dat hij 5 jaar lang onderbroken in Nederland heeft verbleven. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser als een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de openbare orde moet worden aangemerkt. Eiser heeft een ernstig zedendelict gepleegd en heeft daarmee de geestelijke en lichamelijke integriteit van zijn slachtoffer grof geschonden. Bovendien toont eiser geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daad. Zijn persoonlijke belangen leiden niet tot een ander oordeel.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser zich richt tegen zowel de beëindiging van zijn verblijfsrecht op grond van het Unierecht als de ongewenstverklaring. Uit zowel artikel 67, derde lid, van Vw 20001 als de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt2 dat een vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben zolang zijn ongewenstverklaring voortduurt. Dit betekent dat eiser bij de beoordeling van zijn beroep tegen de beëindiging van zijn verblijfsrecht op grond van het Unierecht geen belang heeft zolang de ongewenstverklaring voortduurt.3 Het beroep tegen de beëindiging van zijn verblijfsrecht is dan ook slechts ontvankelijk als de uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat de hem opgelegde ongewenstverklaring niet langer van kracht is. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de ongewenstverklaring betrekt de rechtbank wel ten volle de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd tegen de beëindiging van zijn verblijfsrecht op grond van het Unierecht.

Duurzaam verblijfsrecht

7. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld eiser geen duurzaam verblijfsrecht heeft opgebouwd. Niet is aangetoond dat eiser vijf jaar onafgebroken verblijf in Nederland heeft gehad. Ook indien van de inschrijving van eiser in het BRP4 van 9 maart 2015 zou moeten worden uitgegaan dan is deze verblijfsopbouw beëindigd op het moment dat eiser in april 2019 gedetineerd raakte. De door eiser overgelegde stukken over de periode 2011 tot en met 2014 leiden niet tot een ander oordeel, omdat hieruit slechts kan worden afgeleid dat eiser bepaalde periodes in Nederland verbleef, maar niet dat hij in die jaren onafgebroken in Nederland verbleef. De enkele stelling van eiser dat er wel sprake is van een duurzaam verblijfsrecht is onvoldoende voor een ander oordeel.

Actuele, werkelijke en ernstige bedreiging

8. Wat betreft de actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving dient verweerder alle feitelijke en juridische gegevens te betrekken die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit.5 Eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden voor verkrachting, een zedendelict waarbij hij de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn slachtoffer ernstig geschaad heeft. Uit het strafvonnis van eiser blijkt dat terwijl zijn slachtoffer lag te slapen hij haar heeft uitgekleed en vervolgens haar lichaam is binnengedrongen.6 Eiser heeft geen verantwoordelijkheid getoond voor zijn daden en legt de verantwoordelijkheid bij het slachtoffer, hetgeen de rechtbank extra kwalijk heeft geacht. Noch in de strafzaak noch in deze procedure heeft eiser aangetoond dat hij verantwoordelijkheid voor zijn daad heeft genomen en dat hij sindsdien een positieve gedragsverandering heeft ondergaan. De rechtbank gaat niet mee in de stelling van eiser dat verweerder onderzoek had moeten doen naar een eventuele positieve gedragsverandering van eiser. Anders dan eiser stelt is het aan hem om dit aan te tonen. Dat eiser een lagere straf opgelegd heeft gekregen dan geëist door de officier van justitie doet niet af aan de ernst van het delict of dat er geen herhalingsgevaar is.

Persoonlijke banden

9. De enkele stelling van eiser dat hij hier werkte en woonde leidt niet tot de conclusie dat sprake is van zodanige persoonlijke banden dat niet tot verblijfsbeëindiging kon worden overgegaan. Verweerder heeft daarbij terecht betrokken dat niet is gebleken dat geen sprake meer zou zijn van banden met Polen.

Conclusie

10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

11. Het beroep tegen de ongewenstverklaring is ongegrond.

12. Het beroep tegen de beëindiging van het verblijfsrecht op grond van het Unierecht is niet-ontvankelijk.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart

-het beroep ten aanzien van de beëindiging van het verblijfsrecht op grond van het Unierecht niet-ontvankelijk;

-het beroep tegen de ongewenstverklaring ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.P. Deventer, Griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Bijlage

RELEVANTE WETSARTIKELEN:

Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn)

Artikel 27

1. Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk kunnen de lidstaten de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Deze redenen mogen niet voor economische doeleinden worden aangevoerd.

2. De om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen.

Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd.

(…).

Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

Artikel 67

1. Tenzij afdeling 3 van toepassing is, kan Onze Minister de vreemdeling ongewenst verklaren:

(…)

b. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem terzake de maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd;

(…)

3. In afwijking van artikel 8 kan de ongewenst verklaarde vreemdeling geen rechtmatig verblijf hebben.

Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)

Artikel 8.7

1. Deze paragraaf is van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

(…)

Artikel 8.22

1. Onze Minister kan het rechtmatig verblijf ontzeggen of beëindigen, om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Alvorens hierover een besluit te nemen, houdt Onze Minister in het bijzonder rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in Nederland, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie en sociale en culturele integratie in Nederland en met de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van herkomst.

(…)

Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)

Paragraaf A4/3.8

Voor de ongewenstverklaring van onderdanen van de EU gelden aanvullende beleidsregels.

In aanvulling op artikel 67 van de Vw, artikel 8.18, onder b en artikel 8.22 van het Vb gaat de IND over tot ongewenstverklaring van de vreemdeling als bedoeld in deze paragraaf van wie het verblijf is ontzegd of beëindigd op grond van de openbare orde en openbare veiligheid als bedoeld in hoofdstuk B10/2.3 Vc.

Paragraaf B10/2.3

Op grond van artikel 8.22, eerste lid, van het Vb kan verweerder het rechtmatig verblijf ontzeggen of beëindigen om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, tenzij analoge toepassing van artikel 3.77 of 3.86 van het Vb niet tot verblijfsbeëindiging zou leiden.

De IND ontzegt of beëindigt het rechtmatig verblijf ook op grond van veelvuldig gepleegde lichte strafbare feiten, waarbij elk strafbaar feit op zich niet tot ontzegging of beëindiging zou kunnen leiden. Bij het ontzeggen of beëindigen van het rechtmatig verblijf op grond van veelvuldig gepleegde lichte strafbare feiten wordt rekening gehouden met de aard van de strafbare feiten, het aantal strafbare feiten en de veroorzaakte schade voor de samenleving. Als ondergrens hanteert de IND de glijdende schaal voor veelplegers als genoemd in artikel 3.86, vierde en vijfde lid, Vb.

1 Vreemdelingenwet 2000

2 Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3945)

3 Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN2265)

4 Basis Registratie Personen

5 Zie (onder andere) de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2018, (ECLI:NL:RVS:2018:259)

6 De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 september 2019, (ECLI:NL:RBMNE:2019:4501)