Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:11533

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-08-2021
Datum publicatie
25-10-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4539
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de aanslag leges. Het geschil betreft mede de reikwijdte van hetgeen vermeld staat in onderdeel 2.3.3.2 van de Tarieventabel behorende bij de Legesverordening Westland 2020.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/2524
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 20/4539

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: J. van der Velden),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Westland, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres een aanslag leges ten bedrage van € 1.268,80 opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 juni 2020 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2021.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en zijn kantoorgenoot [A] . Namens verweerder is mr. [B] verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. Op een perceel gelegen aan de [adres] [huisnummer] in [plaats] is tussen april 2018 en april 2019 een oude schuur vervangen door een nieuwe schuur. Deze nieuwe schuur ligt gedeeltelijk op perceel [perceel 1] en gedeeltelijk op perceel [perceel 2] . Perceel [perceel 1] heeft eiseres in erfpacht van het Hoogheemraadschap van Delfland en op dit perceel staat ook een vrijstaande woning met aanbouwen en bijgebouwen. Van perceel [perceel 3] is het Hoogheemraadschap van Delfland eigenaar en is ten behoeve van de provincie Zuid-Holland een recht van erfpacht gevestigd.

2. Voor het vervangen van de schuur heeft eiseres voorafgaande aan de bouw geen omgevingsvergunning aangevraagd. Een eerste aanvraag voor een omgevingsvergunning is op 14 november 2019 ingediend. Deze aanvraag is niet ontvankelijk verklaard wegen het ontbreken van benodigde gegevens. Vervolgens heeft eiseres op 2 januari 2020 een nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning bij verweerder ingediend. In deze aanvraag is een bedrag van € 20.000 aan geschatte bouwkosten opgenomen.

3. Bij brief van 23 januari 2020 heeft verweerder eiseres geïnformeerd over de voortgang van haar vergunningaanvraag. In deze brief is onder meer verwezen naar de Legesverordening Westland 2019 op grond waarvan leges geheven worden voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning. Verder is in deze brief het volgende opgenomen: “Gebleken is dat uw aanvraag in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Glastuingebied Westland’, omdat:
- de voor “Verkeer” (V) aangewezen gronden niet zijn bestemd voor het wonen in een dijkwoning en bijbehorende erven, terreinen en voorzieningen. Het oprichten van een schuur ten behoeve van de woning staat niet ten dienste van de verkeersbestemming.
- de afstand van een aan-, uitbouw en bijgebouw tot de bestemmingsgrens minimaal 1 meter bedraagt, tenzij in de bestemmingsgrens wordt gebouwd.
- een aan-, uitbouw en bijgebouw gelijk met of achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd, met uitzondering van een erker.
- een vrijstaand bijgebouw in zijn geheel maximaal 15 meter van het hoofdgebouw dient te worden gebouwd.
Vanwege de wettelijke verplichting daartoe is uw aanvraag om omgevingsvergunning tevens aangemerkt als een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan”
Er is een zogenaamde buitenplanse afwijking nodig. Ter informatie delen wij u mee dat voor het in behandeling nemen van een dergelijk verzoek extra leges zijn verschuldigd waar u wellicht nog geen rekening mee heeft gehouden. Deze extra leges bedragen € 955,40.”

4. Bij besluit van 3 maart 2020 is de omgevingsvergunning geweigerd.

5. Met dagtekening 20 maart 2020 is aan eiseres een aanslag leges (de aanslag) opgelegd ten bedrage van € 1.268,80. Deze aanslag is als volgt opgebouwd:

Buitenplanse kleine afwijking (2.12, lid 1, a, 2e) € 968,80
Weigering omgevingsvergunning -/- € 200,00
Bouwactiviteiten € 500,00

Totaal € 1.268,80

6. Het bezwaarschrift van eiseres tegen de aanslag is bij uitspraak op bezwaar van 19 juni 2020 ongegrond verklaard.

Geschil
7. In geschil is de hoogte van de aanslag. Ter zitting is gebleken dat het geschil daarover (mede) betreft de reikwijdte van hetgeen vermeld staat in onderdeel 2.3.3.2 van de Tarieventabel behorende bij de Legesverordening Westland 2020.

8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder de bouwkosten op € 0 had moeten stellen aangezien de vergunning is geweigerd en het bouwwerk niet kan worden uitgevoerd. Zij verwijst hierbij naar 2.1.1.1 van de tarieventabel behorende bij de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2020 (de Verordening). Verweerder had een bedrag van € 120 aan leges in rekening mogen brengen, te weten de leges voor een plan met bouwkosten € 0. Verder stelt eiseres dat er sprake is van een aanvraag 1e fase. Tenslotte stelt zij dat het bedrag van € 968,80 voor een buitenplanse kleine afwijking ten onrechte in rekening is gebracht. Op grond van onderdeel 2.3.3.2. van de tarieventabel kan dit tarief enkel in rekening worden gebracht indien artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o van de Wabo wordt toegepast. Van toepassen van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o van de Wabo is naar de mening van eiseres echter geen sprake.

9. Verweerder stelt dat de aanslag terecht en tot het juiste bedrag aan eiseres is opgelegd. Door het in behandeling nemen van een aanvraag van een omgevingsvergunning is voldaan aan het belastbaar feit. De bouwkosten zijn de heffingsmaatstaf bij de vaststelling van de leges. Verder stelt verweerder dat er geen sprake is van een aanvraag 1e fase. Tenslotte stelt verweerder dat het werkwoord “toepassen” in onderdeel 2.3.3.2 van de tarieventabel redelijkerwijs moet worden opgevat als “toetsen aan het in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o”, vermelde criterium. De leges zijn niet alleen verschuldigd als de vergunning wordt toegekend, maar ook als de vergunning wordt geweigerd.

Beoordeling van het geschil

10. In artikel 2 van de Verordening is bepaald dat onder de naam ‘leges’ rechten worden geheven voor -onder meer- a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten (…) een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

11. De ‘Tarieventabel behorende bij de Legesverordening Westland 2020’ (de Tarieventabel) bepaalt onder meer het volgende:

Onderdeel 2.3.1.: “Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een project: de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra toetsen die in verband met de aanvraag moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven en overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk. (…)”

Onderdeel 2.3.1.1.: “Indien de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2,1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten: (…)
2.3.1.1.2 Indien de bouwkosten € 10.000 tot € 150.000 bedragen: € 20,00
vermeerderd met 2,40% van de bouwkosten.

Onderdelen 2.3.3. en 2.3.3.2 van de Tarieventabel luiden:

“2.3.3. Planologisch strijdig gebruik

Indien de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, en al dan niet sprake is van een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo, bedraagt het tarief onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.3.1 en het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprak is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten:”

2.3.3.2 Indien artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o, van de Wabo wordt toegepast (buitenplanse kleine afwijking of tijdelijke afwijking): € 968,80”

12. Vast staat dat de aanvraag van eiseres van 2 januari 2020 door verweerder in behandeling is genomen. Het belastbare feit heeft zich dan ook voorgedaan en eiseres is gelet op onderdeel 2.3.1van de Tarieventabel leges verschuldigd geworden1. De stelling van eiseres dat een bedrag van € 120 aan leges verschuldigd is aangezien de bouwkosten op € 0 gesteld moeten worden doordat de omgevingsvergunning geweigerd is, volgt de rechtbank niet. In het door eiseres aangehaalde onderdeel 2.1.1.1 van de Tarieventabel wordt voor het begrip bouwkosten aangesloten bij de aanneemsom voor het uit te voeren werk en voor zover dit ontbreekt een raming van de kosten die voortvloeien uit aangegane verplichtingen voor de fysieke realisatie van het bouwwerk. Eiseres heeft in haar aanvraag een bedrag van € 20.000 aan bouwkosten opgenomen. Verweerder heeft terecht dit bedrag als uitgangspunt genomen voor de berekening van de hoogte van de aanslag. Voor het standpunt van eiseres, bouwkosten van € 0, bieden de Verordening en de Tarieventabel derhalve geen aanknopingspunten.

13. Het standpunt van eiseres dat er sprake is van een aanvraag omgevingsvergunning eerste fase en er in deze eerste fase niet verzocht is om een activiteit voor het handelen in strijd met de regels van het bestemmingsplan treft evenmin doel. Van een aanvraag eerste fase kan immers geen sprake zijn nu pas nadat de oude schuur was vervangen door een nieuwe schuur een omgevingsvergunning is aangevraagd. Een aanvraag eerste fase kan alleen van toepassing zijn indien de bouw nog niet is aangevangen.

14. Verweerder heeft op grond van onderdeel 2.3.3.2 van de Tarieventabel een tarief van € 968,80 aan eiseres in rekening gebracht. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het tarief uit onderdeel 2.3.3.2 van de Tarieventabel niet aan haar in rekening kan worden gebracht aangezien verweerder artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o van de Wabo niet heeft toegepast. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op het systeem van de legesheffing is het belastbare feit het verlenen van een dienst, ongeacht de uitkomst of daadwerkelijk een omgevingsvergunning wordt verleend. Daarvan uitgaande staat het standpunt, dat de verordening zo gelezen moet worden dat leges slechts verschuldigd zijn bij verlening van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingplan, er haaks op. Het standpunt van eiseres dat voor het heffen van leges artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o van de Wabo moet zijn toegepast, wat naar de mening van eiseres inhoudt dat legesheffing alleen mogelijk is indien daadwerkelijk een vergunning is verleend in afwijking van het bestemmingsplan, volgt de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, derhalve niet.

15. Gelet op wat is overwogen onder 12, 13 en 14 dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens, rechter, in aanwezigheid van

mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

27 augustus 2021.

De griffier is verhinderd te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.

1 Hoge Raad 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BC0652