Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:11477

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-10-2021
Datum publicatie
21-10-2021
Zaaknummer
NL21.15280 en NL21.15332
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In dit geval was ten tijde van het terugkeerbesluit voldaan aan de in het arrest E.P. van het Hof (EU) vermelde vereisten voor het eindigen van het verblijf in de vrije termijn. Eiser is op 11 september 2021 aangehouden ter zake van verdenking van winkeldiefstal en op 27 september 2021 ter zake van verdenking van rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs. Winkeldiefstal wordt bedreigd met maximumgevangenisstraf van zes jaren en kan, in het licht van de aard ervan en de strafmaat, als voldoende ernstig worden aangemerkt. Rijden onder invloed wordt bedreigd met een maximumgevangenisstraf van drie maanden en kan, vooral vanwege de aard van dit strafbare feit en het gevaar dat daarmee voor andere weggebruikers wordt veroorzaakt, eveneens als voldoende ernstig worden aangemerkt. Ten aanzien van dit laatste misdrijf is verder van belang dat bij eiser tweemaal een onderzoek is gedaan middels een ademtest en uit het resultaat daarvan volgt dat eiser daadwerkelijk onder invloed van alcohol leek te zijn ten tijde van het besturen van een motorvoertuig. Gelet daarop was er ten tijde van het terugkeerbesluit sprake van verdenking van een voldoende ernstig strafbaar feit en waren er met elkaar overeenstemmende, objectieve en nauwkeurige elementen op grond waarvan eiser kon worden verdacht van het plegen van dit misdrijf. Daarmee is voldaan aan het in het arrest van het Hof genoemde evenredigheidsbeginsel. Verweerder heeft daarom terecht vastgesteld dat het verblijf in de vrije termijn ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, Schengengrenscode is geëindigd omdat eiser een bedreiging voor de openbare orde is.

Dat eiser, zoals hij stelt, nog niet is veroordeeld voor (met name) het laatste strafbare feit maakt dit niet anders, nu een veroordeling niet een voorwaarde is voor toepassing van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, Schengengrenscode, maar een verdenking daarvoor al voldoende kan zijn.

Verder heeft verweerder ook aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet (langer) voldeed aan de voorwaarde van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, Schengengrenscode, nu eiser stelt niet langer in het bezit te zijn van een geldig paspoort, geen aangifte heeft gedaan van het verlies ervan en geen vervangend document heeft aangevraagd bij de autoriteiten van zijn land.

Ook overigens is het terugkeerbesluit rechtmatig en is de maatregel eveneens rechtmatig.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL21.15280 (bewaring) en NL21.15332 (terugkeerbesluit/inreisverbod)


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. C. Chen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. van Wingerden).


Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2021 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen bestreden besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft de beroepen op 11 oktober 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Moldavische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1983. Eiser is op 27 september 2021 aangehouden voor het rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs. Op diezelfde datum is eiser overgedragen na strafrechtelijke heenzending en is hij opgehouden. Eiser kon zich niet identificeren. Vervolgens is een terugkeerbesluit opgemaakt en eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar en is aan eiser de maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd.

Over bestreden besluit 1

2. In het terugkeerbesluit heeft verweerder vermeld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

3. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit aan hem heeft opgelegd, omdat hij nog verblijf in de vrije termijn had. Eiser mag visumvrij naar Nederland reizen en vervolgens 90 dagen verblijven. Eiser is sinds 1 september 2021 in Nederland. Zijn vrije termijn is dus nog niet verlopen en van onrechtmatig verblijf is daarom geen sprake. Voor zover verweerder een beroep doet op artikel 12 Vw, voert eiser aan dat de onschuldpresumptie van toepassing is. Hij is niet veroordeeld voor het rijden onder invloed. Dat eiser een alcoholtest is afgenomen doet daar niet aan af. Verweerder kan er niet al vanuit gaan dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het rijden onder invloed. Verder beschikt eiser wel degelijk over voldoende middelen van bestaan voor zijn voorgenomen verblijf van twee dagen na de aanhouding. Hij wilde in deze twee dagen een paspoort aanvragen en vervolgens zelfstandig terugkeren.

3.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser nooit verblijf in de vrije termijn heeft gehad, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor zo’n verblijf. Eiser heeft geen geldig paspoort en heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het ontbreken van een paspoort. Eiser heeft alleen een foto van één pagina van zijn paspoort, maar daarvan is de authenticiteit niet vast te stellen en evenmin valt daaruit af te leiden sinds wanneer eiser in Nederland verblijft. Verweerder wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 7 januari 20181.

3.2

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser de Moldavische nationaliteit heeft en op grond daarvan visumvrij Nederland mag inreizen en in Nederland mag verblijven in de zogenaamde vrije termijn, zolang hij aan de voorwaarden daarvoor voldoet.

3.3

De rechtbank volgt verweerder niet in diens conclusie dat in het geval van eiser de vrije termijn in het geval van eiser nooit is aangevangen omdat hij nooit heeft voldaan aan de voorwaarden daarvoor. Er is immers niet uitgesloten dat eiser bij inreis in het bezit van een geldig paspoort was. De eerdergenoemde conclusie van verweerder volgt ook niet uit de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling. Daarin is immers sprake van een andere situatie, nu de vreemdeling in die zaak Nederland is ingereisd met het doel om (illegaal) door te reizen naar Groot-Brittannië, waarvoor hij een visum nodig had en dat visum niet bezat. Daarvan is in eisers geval geen sprake.

3.4

De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder de vrije termijn in ieder geval bij eisers aanhouding als beëindigd heeft kunnen beschouwen. Daarvoor is het volgende van belang.

3.4.1

Eiser is aangehouden op verdenking van rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs. Verder is eiser op 11 september 2021 aangehouden op verdenking van winkeldiefstal, hetgeen tussen partijen niet in geschil is.

3.4.2

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, Schengengrenscode2 geldt voor een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, waarbij voor iedere dag van het verblijf de 180 voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen, voor onderdanen van derde landen onder meer als toegangsvoorwaarde dat zij niet worden beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van één van de lidstaten, en met name niet om dezelfde redenen met het oog op weigering van toegang gesignaleerd staan in de nationale databanken van de lidstaten.

3.4.3

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 2 september 20203, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 12 december 20194 E.P. (ECLI:EU:C:2019:1071) geoordeeld:

“Uit deze punten van het arrest E.P. (punten 46 tot en met 51, toevoeging rechtbank) volgt dat artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de Schengengrenscode zich niet verzet tegen een nationale praktijk waarbij een terugkeerbesluit wordt vastgesteld tegen een niet-visumplichtige vreemdeling die zich voor kort verblijf op het grondgebied van de lidstaten bevindt (verblijf in de vrije termijn), als die vreemdeling wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit en dat daarbij niet is vereist dat wordt vastgesteld dat de persoonlijke gedragingen van die vreemdeling een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Wel moeten de nationale autoriteiten rekening houden met het evenredigheidsbeginsel. Daaruit volgt dat het strafbare feit waarvan de vreemdeling wordt verdacht, in het licht van de aard ervan en de strafmaat, ernstig genoeg moet zijn om te rechtvaardigen dat het verblijf van die vreemdeling op het grondgebied van de lidstaten onmiddellijk wordt beëindigd. Indien de desbetreffende vreemdeling niet is veroordeeld, kunnen de bevoegde autoriteiten alleen stellen dat die vreemdeling een bedreiging vormt voor de openbare orde indien er met elkaar overeenstemmende, objectieve en nauwkeurige elementen zijn op grond waarvan die vreemdeling kan worden verdacht van het plegen van een strafbaar feit. […]”

3.4.4

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval ten tijde van het terugkeerbesluit was voldaan aan de in het arrest van het Hof vermelde vereisten voor het eindigen van het verblijf in de vrije termijn. Immers, eiser is op 11 september 2021 aangehouden ter zake van verdenking van winkeldiefstal (overtreding van artikel 310, juncto artikel 311, eerste lid, aanhef en sub 4, Wetboek van Strafrecht) en op 27 september 2021 ter zake van verdenking van rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs (artikel 8, eerste lid en artikel 107, eerste lid, Wegenverkeerswet). Winkeldiefstal wordt bedreigd met maximumgevangenisstraf van zes jaren en kan, in het licht van de aard ervan en de strafmaat, als voldoende ernstig worden aangemerkt. Rijden onder invloed wordt bedreigd met een maximumgevangenisstraf van drie maanden en kan, vooral vanwege de aard van dit strafbare feit en het gevaar dat daarmee voor andere weggebruikers wordt veroorzaakt, eveneens als voldoende ernstig worden aangemerkt. Ten aanzien van dit laatste misdrijf is verder van belang dat bij eiser tweemaal een onderzoek is gedaan middels een ademtest en uit het resultaat daarvan volgt dat eiser daadwerkelijk onder invloed van alcohol leek te zijn ten tijde van het besturen van een motorvoertuig. Gelet daarop was er ten tijde van het terugkeerbesluit sprake van verdenking van een voldoende ernstig strafbaar feit en waren er met elkaar overeenstemmende, objectieve en nauwkeurige elementen op grond waarvan eiser kon worden verdacht van het plegen van dit misdrijf. Daarmee is voldaan aan het in het arrest van het Hof genoemde evenredigheidsbeginsel. Verweerder heeft daarom terecht vastgesteld dat het verblijf in de vrije termijn ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, Schengengrenscode is geëindigd omdat eiser een bedreiging voor de openbare orde is.

Dat eiser, zoals hij stelt, nog niet is veroordeeld voor (met name) het laatste strafbare feit maakt dit niet anders, nu een veroordeling niet een voorwaarde is voor toepassing van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, Schengengrenscode, maar een verdenking daarvoor al voldoende kan zijn.

3.4.5

Verder heeft verweerder ook aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet (langer) voldeed aan de voorwaarde van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, Schengengrenscode, nu eiser stelt niet langer in het bezit te zijn van een geldig paspoort, geen aangifte heeft gedaan van het verlies ervan en geen vervangend document heeft aangevraagd bij de autoriteiten van zijn land. In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, Schengengrenscode is immers bepaald dat de onderdaan van een derde land voor een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, in het bezit moet zijn van een geldig reisdocument of van een document dat de houder recht geeft op grensoverschrijding en dat geldig is tot minstens drie maanden na de voorgenomen datum van vertrek uit het grondgebied van de lidstaten.

3.4.6

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder ten tijde van de oplegging van het terugkeerbesluit op goede grond heeft vastgesteld dat eiser niet (langer) rechtmatig verblijf had in Nederland. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Hetgeen eiser verder op dit punt heeft aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking meer.

4. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat ten aanzien van hem een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser stelt daartoe dat niet is gebleken dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de zware grond onder 3a op hem van toepassing is. Verder stelt eiser dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn identiteitsdocumenten, nu eiser heeft verklaard dat hij zijn paspoort is kwijtgeraakt. Verweerder heeft hem ook niet kunnen tegenwerpen dat eiser onvoldoende meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit, nu eiser een foto van zijn paspoort op zijn telefoon heeft en deze foto ook aan verweerder heeft getoond.

Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte de lichte gronden mede ten grondslag heeft gelegd aan de vaststelling dat ten aanzien van eiser een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Daartoe voert eiser aan dat eiser kosteloos bij vrienden verblijft en daarom wel beschikt over een adres. Verder heeft eiser voldoende middelen, juist nu hij kosteloos verblijf heeft en bovendien op het moment van aanhouding van plan was binnen twee of drie dagen uit Nederland te vertrekken. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd aan welke voorwaarden van Hoofdstuk 4 van het Vb hij zich niet heeft gehouden. Ook voert eiser aan dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom verdenking van het plegen van een misdrijf de conclusie kan dragen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

Eiser voert ten slotte aan dat verweerder hem ten onrechte een termijn voor vrijwillig vertrek heeft onthouden nu verweerder niet kon concluderen dat ten aanzien van hem een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat.

4.1

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de zware gronden alleen feitelijk te hoeven worden toegelicht. Verweerder kan de grond onder 3f niet handhaven, nu niet is gebleken dat eiser een actieve handeling heeft verricht om zich van zijn paspoort te ontdoen, hetgeen voor de toepasselijkheid van deze grond wel vereist is. Verweerder stelt verder dat de grond onder 3a voldoende feitelijk is toegelicht en dat er nooit een vrije termijn is aangevangen omdat eiser niet beschikt over een geldig paspoort, vaag en tegenstrijdig heeft verklaard over het verlies van zijn paspoort en nog altijd geen nieuw paspoort heeft aangevraagd. Verweerder handhaaft ook de grond onder 3d, nu eiser niet beschikt over enig identiteitsdocument.

Ten aanzien van de lichte gronden heeft verweerder ter zitting aangegeven dat deze niet zijn voorzien van een motivering in het terugkeerbesluit, maar wel in het besluit tot oplegging van de maatregel. Verweerder wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 17 april 20135 en de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 20196, waaruit volgt dat sprake is van samenhang tussen een terugkeerbesluit en een gelijktijdig opgelegde maatregel van bewaring. Verwijzing naar dat besluit waarin de motivering is opgenomen is voor de motivering van het andere besluit voldoende, omdat, gelet op de samenhang tussen de beide besluiten, het voor de vreemdeling voldoende duidelijk is wat de motivering van de tegengeworpen gronden is. Ten aanzien van de lichte gronden stelt verweerder zich verder op het standpunt dat eiser geen aangifte heeft gedaan van het verlies van zijn paspoort en dat daarom niet is voldaan aan de voorwaarden van Hoofdstuk 4 van het Vb. Daarnaast is eiser niet ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP) en heeft hij vaag verklaard over zijn verblijfsadres, zodat verweerder geen toezicht kan uitoefenen. Eiser beschikt daarnaast niet over voldoende middelen. Dat hij ongeveer €150,- bij vrienden heeft is onvoldoende, omdat hij deze middelen dus niet tot zijn beschikking heeft. Verweerder handhaaft niet de grond onder 4e. omdat het strafbare feit niet is gerelateerd aan een risico op onttrekking aan het toezicht.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat voldoende gronden overblijven om de conclusie te rechtvaardigen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarom is ook terecht een termijn voor vrijwillig vertrek onthouden.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft toegelicht dat en waarom de zware grond onder 3d op eiser van toepassing is. Eiser heeft immers ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit niet een geldig paspoort of ander identiteitsdocument overgelegd, maar slechts een foto van één pagina op zijn telefoon. Verweerder kan dit niet onderzoeken op authenticiteit, zodat daarmee niet de identiteit en nationaliteit is onderbouwd. Eiser heeft verder geen andere activiteiten ondernomen om zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen, bijvoorbeeld met een verklaring van de autoriteiten van zijn land van herkomst.

4.3

De rechtbank is verder van oordeel dat aan het terugkeerbesluit een motiveringsgebrek kleeft ten aanzien van de motivering bij de vaststelling van de lichte gronden. In zoverre is het beroep gegrond. De rechtbank is echter van oordeel dat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Hiertoe is van belang dat de Afdeling in haar door verweerder aangehaalde uitspraak van 9 oktober 2019 heeft geoordeeld dat “[i]n algemene zin het doel van het motiveringsvereiste onder meer is de vreemdeling in staat te stellen zijn rechten te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft zich tot de bevoegde rechter te wenden. Tussen een separaat terugkeerbesluit en een daaropvolgende maatregel van bewaring bestaat een nauwe samenhang. Dezelfde zware en lichte gronden die in dit geval aan het terugkeerbesluit ten grondslag zijn gelegd, zijn aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. In de maatregel is gemotiveerd ingegaan op de gronden en is geconcludeerd dat een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Beide besluiten zijn op dezelfde dag, kort na elkaar, aan de vreemdeling uitgereikt. Er kon voor de vreemdeling redelijkerwijs geen misverstand over bestaan dat de in de maatregel neergelegde motivering ook geldt voor het terugkeerbesluit. Hij kon daarom met volledige kennis van zaken beslissen over nut en noodzaak zich wat het terugkeerbesluit betreft tot de bevoegde rechter te wenden.” Gelet op deze uitspraak ziet de rechtbank aanleiding het geconstateerde gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.4

In het bestreden besluit 2 heeft verweerder voldoende toegelicht en gemotiveerd dat en waarom de lichte gronden 4c en 4d op eiser van toepassing zijn. Hoewel op zich niet nodig is dat een vreemdeling die voor kort verblijf in Nederland verblijft, is ingeschreven in de BRP7, heeft verweerder wel kunnen verlangen dat eiser het adres kan opgeven waar hij verblijft, als hem daarom wordt gevraagd. Eiser was daar echter niet toe in staat en heeft ook thans geen adres kunnen noemen. Dat, zoals eiser thans stelt, het adres in zijn navigatieapplicatie op zijn mobiele telefoon te vinden is, heeft eiser niet onderbouwd.

Verder heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet heeft aangetoond dat hij over voldoende middelen beschikt om te kunnen voldoen aan de norm van €55,- per dag. Dat eiser, zoals hij stelt, nog geld bij vrienden heeft waar hij vrijelijk kan beschikken, heeft hij niet aangetoond. Bij zijn staandehouding beschikte eiser over ongeveer €15,-. Dat heeft verweerder onvoldoende mogen achten.

4.5

Nu, gelet op het voorgaande, verweerder terecht de zware grond onder 3d en de lichte gronden onder 4c en 4d aan eiser heeft tegengeworpen, heeft verweerder kunnen concluderen dat ten aanzien van eiser het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft daarom eiser een termijn voor vrijwillig vertrek kunnen onthouden.

5. Eiser voert verder aan dat verweerder hem ten onrechte een inreisverbod voor de duur van twee jaar heeft opgelegd. Eisers vrienden zijn bezig om werk en verblijf voor hem te regelen in Letland. Als er echter een inreisverbod is, dan kan eiser niet naar de Europese Unie reizen en kan hij niet in Letland gaan werken, hetgeen gevolgen heeft voor zijn inkomsten. Dat maakt dat het inreisverbod onevenredig bezwarend is. Eiser is onvoldoende bevraagd over zijn belangen. Verweerder heeft niet, dan wel onvoldoende, gemotiveerd waarom de belangenafweging niet in het voordeel van eiser uitvalt.

5.1

Ter zitting heeft verweerder het proces-verbaal van gehoor, gedateerd op 28 september 2021, geüpload in het elektronisch dossier met nummer NL21.15280. Hieruit blijkt volgens verweerder dat eiser is voorgehouden dat hij feiten en omstandigheden kan noemen, die volgens hem moeten leiden tot de conclusie dat geen inreisverbod kan worden opgelegd, dan wel dat de duur daarvan moet worden bekort. Volgens verweerder heeft eiser het belang dat hij nu noemt, bij die gelegenheid niet genoemd zodat verweerder daarmee geen rekening heeft kunnen houden.

5.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder het proces-verbaal van gehoor, dat blijkens dat proces-verbaal is gehouden met eiser voordat de bestreden besluiten werden vastgesteld, heeft geüpload. Verweerder heeft onbestreden aangegeven dat dit proces-verbaal om onbekende reden is gedateerd op 28 september 2021, omdat het gehoor is gehouden op 27 september 2021, hetgeen ook uit het proces-verbaal zelf blijkt. Uit dit proces-verbaal blijkt niet dat eiser bij die gelegenheid heeft genoemd dat hij belang heeft bij het niet opleggen van een inreisverbod, omdat hij een kans heeft op werk in Letland. Afgezien daarvan heeft eiser ook nu niet onderbouwd dat er een reële kans bestaat op (legaal) werk en verblijf in Letland, zodat dit geen reden hoeft te vormen voor verweerder om af te zien van het opleggen van een inreisverbod, dan wel om de duur ervan te bekorten. Mocht eiser in de toekomst werk en verblijf verkrijgen in Letland, kan hij op dat moment vragen om het inreisverbod op te heffen.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Over bestreden besluit 2

6. Eiser voert allereerst aan dat hij geen onrechtmatig verblijf in Nederland had op het moment van de inbewaringstelling, zodat verweerder niet de maatregel van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw aan hem heeft kunnen opleggen. Eiser had immers rechtmatig verblijf in de vrije termijn.

6.1

Ten aanzien van deze grond verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor, onder rechtsoverweging 3.4.6 en voorgaande is geoordeeld. Gelet daarop heeft verweerder de maatregel van bewaring van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw aan eiser kunnen opleggen.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiser voert, samengevat, aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn, nu verweerder de zware gronden niet aan hem heeft kunnen tegenwerpen en de lichte gronden onvoldoende gemotiveerd zijn tegengeworpen, dan wel niet op hem van toepassing zijn.

7.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder in de maatregel dezelfde gronden heeft gehanteerd als die hierboven zijn genoemd bij het terugkeerbesluit. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De rechtbank verwijst op dit punt naar hetgeen onder rechtsoverweging 4.5 is geoordeeld.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

8. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft volstaan met de oplegging van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Eiser had een plan om zelfstandig uit Nederland te vertrekken, op of rond 29 september 2021, door te regelen dat iemand hem met de auto zou ophalen en daarvoor een tijdelijk vervangend reisdocument te aan te vragen bij de Moldavische ambassade in Nederland. Het is dan ook niet juist dat eiser sinds zijn vorige aanhouding op 12 september 2021 niets heeft ondernomen om zijn vertrek te regelen. Verder kon eiser kosteloos bij vrienden verblijven en beschikte hij over voldoende geld om zijn reis te regelen en een vervangend reisdocument aan te vragen.

8.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat om te volstaan met de oplegging van een lichter middel. Hiertoe heeft verweerder allereerst mogen wijzen op de omstandigheid dat ten aanzien van eiser het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken en daarbij mede gewicht mogen toekennen aan het feit dat eiser het uitoefenen van toezicht onmogelijk maakt, door niet het adres op te geven waar hij verblijft. Verder heeft verweerder niet ten onrechte gewezen op het feit dat eiser sinds zijn eerdere aanhouding geen aantoonbare pogingen heeft ondernomen om een vervangend reisdocument aan te vragen. Dat, zoals eiser stelt, een dergelijk document maar heel beperkt geldig is en hij daarom heeft gewacht met het aanvragen ervan tot zijn reis geregeld was, heeft verweerder niet tot een ander oordeel hoeven brengen, nu eiser deze stelling niet nader heeft onderbouwd.

De beroepsgrond slaagt niet.

9. Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij in dit verband slechts handhaaft dat er pas voor 25 oktober 2021 een vlucht is gepland. Dat is te laat.

9.1

De rechtbank stelt voorop dat op eiser een vertrekplicht rust, wat betekent dat het aan eiser is om daar invulling aan te geven. Uit het dossier blijkt niet dat eiser inspanningen heeft verricht om aan deze verplichting te voldoen.

De rechtbank stelt verder vast dat verweerder voor de uitzetting van eiser afhankelijk is van de medewerking van de Moldavische autoriteiten en de vervoersmogelijkheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de maatregelen in verband met het bedwingen van het Covid-19 virus. Daarom acht de rechtbank het niet onredelijk of onvoldoende voortvarend dat de uitzetting is bepaald op 25 oktober 2021. Verder acht de rechtbank van belang dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat een eerder vertrek mogelijk is, bijvoorbeeld door een ticket te overleggen voor een eerdere datum, of door zelf een vervangend reisdocument aan te vragen.

Over beide beroepen

10. Het beroep tegen de bestreden besluiten is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 ECLI:NL:RVS:2018:1911

2 Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016

3 ECLI:NL:RVS:2020:2067

4 E.P., C-380/18; ECLI:EU:C:2019:1071

5 ECLI:NL:RVS:2013:BZ8388

6 ECLI:NL:RVS:2019:3426

7 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:285