Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:11422

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-06-2021
Datum publicatie
20-10-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 5173
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat zich in dit geval, bij afweging van alle feiten en omstandigheden, geen omstandigheden voordoen die maken dat handhaving van het inburgeringsvereiste in het geval van eiser de gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. Uit overgelegde verklaringen van de leraar blijkt dat eiser zich op passende wijze daadwerkelijk heeft ingespannen om zich voor te bereiden op het examen en om (onderdelen van) het examen met succes af te leggen, maar dat het hem niettemin niet lukt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege dit motiveringsgebrek, maar ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten omdat verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij een duurzame en exclusieve relatie heeft met referente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/5173

[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] 1967, van Ghanese nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. I.M. Hagg),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Verweij).

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel “Verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 juni 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 29 juni 2020 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2021. Partijen zijn vertegenwoordig door hun voornoemde gemachtigde. Ook was op de zitting aanwezig A.K. Umar, tolk in de Engelse taal en mevrouw [referent] . De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser beoogt verblijf bij zijn partner, [referent] (referente). Referente heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiser en referente zijn naar eigen zeggen in 2015 op traditionele wijze met elkaar gehuwd. Referente heeft op 27 september 2019 een aanvraag ingediend voor een mvv ten behoeve van eiser.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser inburgeringsplichtig is en niet alle onderdelen van het basisexamen inburgering buitenland (het inburgeringsexamen) heeft behaald. Verweerder heeft in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding gezien om ontheffing van het inburgeringsvereiste te verlenen. Niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de uitoefening van het recht op gezinshereniging met referente hierdoor onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt. Daarnaast heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat tussen hem en referente sprake is van een duurzame- en exclusieve relatie.

Inburgeringsexamen: voldoende inspanningen?

3.1.

Niet in geschil is dat eiser het inburgeringsexamen niet heeft gehaald en dat hij niet behoort tot de categorieën vreemdelingen die worden vrijgesteld van het inburgeringsvereiste. In geschil is of eiser in aanmerking komt voor ontheffing van het inburgeringsvereiste.

3.2

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor ontheffing van het inburgeringsvereiste. Eiser heeft met stukken aangetoond dat hij tot drie keer toe heeft getracht om voor het examen te slagen. Eiser voert verder aan dat uit het bestreden besluit niet blijkt op welke wijze de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft beoordeeld of sprake is van een situatie waarin ontheffing kan worden verleend, als bedoeld in artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000.

3.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Zowel bij de aanvraag als in beroep heeft eiser verklaringen overgelegd van de onderwijsinstelling waar hij lessen heeft gevolgd (Dutch School) ter voorbereiding van het examen. In deze verklaringen van

21 augustus 2019 en 25 februari 2021 verklaart eisers leraar Lawrence [naam] dat het voor eiser, ondanks zijn inspanningen, onmogelijk is om te slagen. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze verklaringen als een objectieve bron moet worden beschouwd en dat hieruit valt af te leiden wat eiser concreet aan inspanningen heeft verricht om het inburgeringsexamen voor te bereiden. In de verklaringen is opgenomen dat eiser sinds 2017 op structurele basis lessen volgt van maandag tot en met zaterdag, waarbij gebruik wordt gemaakt van het pakket dat is ontwikkeld ter voorbereiding op het examen. Ook wordt gebruik gemaakt van de website www.naarnederland.nl. Ondanks eisers inspanningen lukt het hem niet om voor het examen te slagen, vanwege zijn beperkte opleidingsniveau en analfabetisme aldus de leraar. De door eiser in dit kader verrichte inspanningen, zijn op de zitting door referente bevestigd en nader toegelicht. Zij geeft aan dat eiser dagelijks vier uur naar school gaat, maar dat zelfs met gebruik van de speciale pakketten het hem niet lukt om Nederlands te leren schrijven of spreken. Het blijft bij enkele woorden, hele zinnen lukt hem niet, aldus referente.

3.4

Gelet op voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat zich in dit geval, bij afweging van alle feiten en omstandigheden, geen omstandigheden voordoen die maken dat handhaving van het inburgeringsvereiste in het geval van eiser de gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. Uit voornoemde verklaringen van de heer [naam] blijkt dat eiser zich op passende wijze daadwerkelijk heeft ingespannen om zich voor te bereiden op het examen en om (onderdelen van) het examen met succes af te leggen, maar dat het hem niettemin niet lukt. De beroepsgrond slaagt.

Tussentijdse conclusie

4. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege dit motiveringsgebrek, maar ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

Duurzame en exclusieve relatie?

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij een duurzame en exclusieve relatie heeft met referente. Hierbij heeft verweerder de door eiser overgelegde stukken kenbaar en in onderlinge samenhang bezien bij zijn beoordeling betrokken. Ten aanzien van de overgelegde foto’s heeft verweerder terecht opgemerkt dat deze op een beperkte periode betrekking hebben. Dit geldt ook voor de overgelegde screenshots van het WhatsApp contact, die zien op de periode vanaf september 2018, terwijl wordt gesteld dat de relatie is aangevangen in 2015. Daarnaast valt uit de screenshots niet op te maken waar de voiceberichten over gaan, zodat hieraan niet de bewijswaarde kan worden toegekend die eiser daaraan hecht. Bovendien roept het tijdsverloop tussen de diverse contactmomenten vragen op, waarvoor eiser en referente geen aannemelijke verklaring hebben gegeven. Als de omstandigheid dat referente twee gehandicapte kinderen heeft en om die reden niet vaker naar Ghana kan afreizen, gelet op het gebrek aan onderbouwing al kan worden gevolgd, dan ligt het immers voor de hand dat de contacten via telefoon of WhatsApp (audio)berichten frequenter is. Ook is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat referente eiser in 2015, 2017 en 2018 in Ghana heeft bezocht en dat referente gedurende deze periode tijd met hem heeft doorgebracht. Anders dan verweerder heeft gesteld, kunnen de overgelegde verklaringen van vrienden en kennissen als ondersteunend bewijs dienen, maar in dit geval zijn echter onvoldoende andere aanknopingspunten waaruit de duurzaamheid en exclusiviteit van de relatie tussen eiser en referente blijkt, zodat aan deze verklaringen niet de door eiser beoogde bewijswaarde kan worden toegekend. Bovendien blijkt uit de verklaringen onvoldoende op welke wijze eiser en referente invulling hebben gegeven aan de door hen gestelde relatie

5.2

Het betoog van eiser dat hij verweerder heeft verzocht om aan te geven hoe een verdieping of groei van de relatie zou moeten worden aangetoond, maar dat verweerder hier ten onrechte niet op heeft gereageerd of nader onderzoek heeft gedaan, volgt de rechtbank niet. De rechtbank merkt op dat verweerder bij brief van 19 december 2019 heeft verzocht aanvullende stukken toe te sturen en heeft aangegeven welke stukken zouden kunnen dienen als onderbouwing van de relatie. Daarbij is het aan eiser om aan te tonen dat sprake is van een duurzame relatie, die voldoende met een huwelijk op één lijn te stellen is. Het is niet aan verweerder om te concretiseren hoe eiser en referente de gestelde gezinsband aannemelijk moeten maken. Ook het betoog van eiser dat eiser en referente voldoen aan de vereisten die artikel 7 van de Gezinsherenigingsrichtlijn aan hen stelt en dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 16 van de Gezinsherenigingsrichtlijn, slaagt niet. Op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn moet voor het recht op gezinshereniging sprake zijn van ‘een naar behoren geattesteerde duurzame relatie’1. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, heeft eiser onvoldoende aangetoond dat tussen hem en referente sprake is van een duurzame relatie.

5.3

Ten slotte leidt eisers beroep op de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 februari 20152, niet tot een ander oordeel. In die zaak lag de vraag voor of eiseres voldoende had aangetoond dat zij drie maanden in een andere lidstaat had verbleven, en niet of sprake was van een duurzame relatie als bedoeld in artikel 3.14 van het Vb 2000. Daarmee betreft het geen gelijk geval.

Hoorplicht geschonden?

6. Ten aanzien van het betoog van eiser dat van een kennelijk ongegrond bezwaar geen sprake is en dat gelet hierop de hoorplicht is geschonden, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Gelet op hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd, bezien in het licht van het primaire besluit, was van een dergelijke situatie sprake, in ieder geval voor zover het de onderbouwing van de duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en referente betreft. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

7. Gelet op wat hiervoor onder 5.1 tot en met 5.3 is overwogen, heeft verweerder de aanvraag van eiser op goede gronden afgewezen.

Proceskostenveroordeling

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres 1 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.P. van Straelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Dit volgt uit artikel 4, derde lid van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

2 ECLI:NL:RVS:2015:517.