Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:11271

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-10-2021
Datum publicatie
18-10-2021
Zaaknummer
C/09/618998 / KG ZA 21-957
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Kort geding. Proces-verbaal mondeling vonnis, 30p Rv. Vordering om eiser alsnog de status van zelfmelder toe te kennen is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/618998 / KG ZA 21-957

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 11 oktober 2021

in de zaak van

[eiser] verblijvende te [plaats] ,

eiseres,

advocaat mrs. P. Salim en L. Nix te Amsterdam-Duivendrecht,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M. Beekes te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

Aanwezig is H.J. Vetter, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. I. Diephuis-Timmer, griffier.

Tevens zijn aanwezig [eiser] , vergezeld van mr. Salim, alsmede mr. Beekes.

Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1 De gronden van de beslissing

1.1.

Vaststaat dat [eiser] op 16 januari 2017 door de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam is veroordeeld vanwege het rijden zonder rijbewijs tot een geldboete van € 400,= en een voorwaardelijke week hechtenis, met een proeftijd van twee jaar (zaaknummer [nummer] ). Vervolgens is [eiser] op 14 september 2018 door de kantonrechter in de rechtbank Limburg veroordeeld tot een week hechtenis onvoorwaardelijk voor het rijden in een voertuig waarvoor hij niet rijbevoegd was, gepleegd op 28 mei 2018 (zaaknummer [nummer2] ), daarbij is door de kantonrechter tevens de tenuitvoerlegging van voormelde voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gelast, omdat het nieuwe delict was gepleegd binnen de proeftijd van de eerdere veroordeling.

1.2.

[eiser] heeft beroep en cassatie ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter van 14 september 2018. In beide instanties is hij niet-ontvankelijk verklaard en de veroordeling van 14 september 2018 is op 1 juni 2021 onherroepelijk geworden.

1.3.

De Staat is overgegaan tot het uitvaardigen van een arrestatiebevel en [eiser] is op 7 oktober 2021 aangehouden voor de tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraffen.

1.4.

[eiser] stelt dat hem ten onrechte niet de status van zelfmelder in de zin van de Aanwijzing executie is toegekend en stelt dat hij er spoedeisend belang bij heeft dat hem die status alsnog wordt toegekend. [eiser] vordert daarom dat hem alsnog de status van zelfmelder als bedoeld in de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen wordt toegekend, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure. De Staat voert verweer tegen het gevorderde.

1.5.

Het gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Daartoe is het volgende redengevend.

1.6.

De Staat heeft een ruime beleidsvrijheid bij de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en dus ook bij de beslissing om iemand al dan niet als zelfmelder aan te merken. De voorzieningenrechter kan dergelijke beslissingen in kort geding daarom slechts marginaal toetsen. Dit betekent dat zal moeten worden beoordeeld of de Staat in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de zelfmeldstatus niet toe te kennen aan [eiser] . Bij de beoordeling van de vraag of een veroordeelde voor de zelfmeldprocedure in aanmerking komt baseert de Staat zich op de Beleidsregels tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen 2021 en de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen. Uitgangspunt van het aldaar neergelegde beleid van de Staat is dat een veroordeelde die de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf moet ondergaan, vanwege de aard van die vrijheidsbenemende sanctie in beginsel niet in aanmerking komt voor de zelfmeldprocedure.

1.7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Staat, gegeven voormeld beleid, in redelijkheid heeft kunnen beslissen aan [eiser] ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf niet de status van zelfmelder toe te kennen. Dat dan aaneengesloten ook de andere gevangenisstraf wordt geëxecuteerd komt de voorzieningenrechter evenmin onredelijk voor. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat aaneengesloten tenuitvoerlegging van de beide gevangenisstraffen in dit geval ook in het belang van [eiser] is.

1.8.

Volledigheidshalve overweegt de voorzieningenrechter nog dat ook als de zelfmeldprocedure ten onrechte niet zou zijn toegepast, dat in dit geval niet zou kunnen leiden tot toewijzing van de vordering van [eiser] . Dat neemt dan immers niet weg dat de detentie van [eiser] als zodanig niet onrechtmatig is – de gevangenisstraffen moeten immers hoe dan ook ten uitvoer worden gelegd – en dat de gang van zaken met betrekking tot de aanhouding van [eiser] niet meer ongedaan gemaakt kan worden. Voor een veroordeling inhoudende dat alsnog de zelfmeldprocedure moet worden toegepast is alleen dan ruimte als er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die nopen tot een onmiddellijke invrijheidstelling teneinde alsnog de zelfmeldprocedure te kunnen benutten. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in dit geval niet gebleken. [eiser] heeft in dit verband verwezen naar de omgangsregeling met zijn zoon, maar gebleken is dat [eiser] door de detentie al een omgangsmoment heeft gemist (namelijk het op 10 oktober 2021 geplande omgangsmoment) en dat het eerstvolgende omgangsmoment over drie weken zal zijn. Dan is de detentie van [eiser] – die twee weken duurt – al geëindigd. Hetgeen [eiser] overigens met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd is niet van zodanige aard dat dit noopt tot een onmiddellijke invrijheidstelling.

1.9.

[eiser] moet, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

2 De beslissing

De voorzieningenrechter:

2.1.

wijst het gevorderde af;

2.2.

veroordeelt [eiser] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.323,--, waarvan € 656,-- aan salaris advocaat en € 667,-- aan griffierecht;

2.3.

bepaalt dat [eiser] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

2.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

WAARVAN PROCES-VERBAAL,

…………………………………. …………………………………

mr. I. Diephuis-Timmer mr. H.J. Vetter