Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:11188

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-10-2021
Datum publicatie
14-10-2021
Zaaknummer
NL20.17299
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. Myanmar. Ontvankelijkheid van het beroep. Bahaddar-toets. Zorgvuldigheid nader gehoor. Seksuele gerichtheid. Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL20.17299


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]

(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. J. Visschers en mr. H.J. Metselaar).


Procesverloop
Bij besluit van 25 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2021 op een zitting behandeld in Breda, samen met de zaak met nummer NL20.17297. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visschers. Ter zitting is het onderzoek geschorst.

Op 22 september 2021 heeft er een tweede zitting plaatsgevonden in Breda waarop ook de zaken met nummers NL20.17297 en NL20.17298 zijn behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens waren aanwezig de vader en moeder van eiser. Als tolken zijn verschenen N.N. Lwin en S. Ahmmed. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Metselaar.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [Geb. datum] 2003 en bezit de Myanmarese nationaliteit. Hij heeft in Nederland asiel aangevraagd tegelijkertijd met zijn vader en moeder.

2. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij te vrezen heeft voor de Myanmarese autoriteiten omdat hij de homoseksuele gerichtheid heeft en omdat zijn vader problemen heeft gehad met de Myanmarese autoriteiten.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De door eiser gestelde vrees voor de Myanmarese autoriteiten heeft verweerder echter ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft namelijk ongeloofwaardig geacht dat eiser de homoseksuele gerichtheid heeft. Daarnaast heeft verweerder verwezen naar het besluit op de asielaanvraag van de vader van eiser waarin diens gestelde problemen met de Myanmarese autoriteiten ongeloofwaardig zijn geacht.

4. Eiser voert aan dat verweerder zijn homoseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht en dat hij de door zijn vader gestelde problemen met de Myanmarese autoriteiten ten onrechte als een relevant element heeft aangemerkt.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. De rechtbank moet uit eigen beweging beoordelen of het beroep ontvankelijk is. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat het beroepschrift ten minste de gronden van het beroep. Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan het beroepschrift niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 mits de indiener de gelegenheid heeft gehad om het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.

6. Het beroepschrift van eiser bevat geen gronden van beroep. Daarom is aan eiser op 23 september 2020 de gelegenheid geboden om dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Eiser heeft op 22 oktober 2020 gronden van beroep ingediend. De gronden van beroep zijn daarmee buiten de herstelverzuimtermijn ontvangen.

7. De rechtbank heeft een technisch onderzoek laten uitvoeren naar het indienen van de beroepsgronden in het onderhavige digitale dossier. Op 31 augustus 2021 is hiervan een rapport verschenen, dat door de griffier aan het digitale dossier is toegevoegd. Hieruit blijkt dat er op de laatste dag van de herstelverzuimtermijn geen relevante storingen of onderhoudsmeldingen zijn geweest bij de rechtspraak. Daarnaast blijkt dat eisers gemachtigde op de laatste dag van de herstelverzuimtermijn in een andere zaak om 18:38 uur actief is geweest maar dat hij in deze zaak op die dag geen activiteiten heeft verricht.

8. Namens eiser is niet betwist dat er op de laatste dag van de herstelverzuimtermijn geen sprake is geweest van relevante storingen of onderhoudsmeldingen bij de rechtspraak. Wel heeft eisers gemachtigde aangevoerd dat hij op de laatste dag van de herstelverzuimtermijn last kreeg van een storing van zijn eigen server, en vervolgens van een netwerkstoring, waardoor hij pas na het verstrijken van de herstelverzuimtermijn de gronden van beroep heeft kunnen indienen. Verder heeft hij aangevoerd dat hij erop mag vertrouwen dat zijn systemen gedurende de gehele herstelverzuimtermijn goed werken, zodat de te late ontvangst van de beroepsgronden niet aan eiser mag worden tegengeworpen.

9. Volgens vaste jurisprudentie ligt het op de weg van de indiener om ervoor te zorgen dat de gronden van beroep tijdig worden ontvangen. Anders dan namens eiser is aangevoerd, ligt het risico voor de werking van het daarvoor gebruikte systeem bij eiser. Gelet hierop, en op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

10. Op grond van het bepaalde in punt 45 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494) kan met de vaststelling dat het beroep niet-ontvankelijk is niet worden volstaan. Beoordeeld dient te worden of bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden nopen tot de conclusie dat het effectueren van het bestreden besluit onmiskenbaar zou leiden tot een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

11. Bij uitspraak van vandaag in de zaak met nummer NL20.17297 heeft de rechtbank het beroep van de vader van eiser niet-ontvankelijk verklaard en geoordeeld dat het effectueren van het besluit waarbij diens gestelde problemen als relevant element zijn aangemerkt en ongeloofwaardig zijn geacht niet onmiskenbaar leidt tot een schending van artikel 3 van het EVRM. In deze uitspraak heeft de rechtbank ook overwogen dat niet is gebleken dat verweerder door het ongeloofwaardig achten van de gestelde problemen van eisers vader niet onbevangen heeft gekeken naar de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser, maar dat deze op eigen merites is beoordeeld.

12. Eiser stelt dat verweerder tijdens het nader gehoor onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader als minderjarige. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de wijze waarop eiser is gehoord echter niet tot het oordeel dat er onmiskenbaar sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft op pagina 4 van het voornemen en pagina 2 van het bestreden besluit uiteengezet op welke manier hij rekening heeft gehouden met eisers minderjarigheid. Daarnaast blijkt uit het rapport van het nader gehoor van 11 februari 2020 niet dat eiser niet goed heeft kunnen verklaren.

13. Verder is de rechtbank van oordeel dat artikel 3 van het EVRM niet onmiskenbaar is geschonden doordat verweerder de door eiser gestelde homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij zich realiseerde dat hij homoseksueel zou zijn en wat dit persoonlijk voor hem zou betekenen. Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser weinig heeft kunnen verklaren over de situatie van homoseksuelen in Myanmar. Ten slotte heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan hem homoseksualiteit zou worden toegedicht vanwege zijn manier van praten en handelen.

14. De rechtbank komt tot de conclusie dat het effectueren van het bestreden besluit niet onmiskenbaar leidt tot een schending van artikel 3 van het EVRM.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.


Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.