Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:11113

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
13-10-2021
Zaaknummer
AWB 21/492
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag mvv / beroep ongegrond / artikel 8 EVRM / minderjarige en meerderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 21/492

[V-Nummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiseres 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2006, eiseres I (hierna: [eiseres 1] ),

en

[eiseres 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] 2000, eiseres II (hierna: [eiseres 2] ),

beiden van Ghanese nationaliteit

(gemachtigde: mr. T.F.W. Kouwenhoven),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.T.M. Vroom-van Berckel).

Ten aanzien van [eiseres 1] en [eiseres 2] :

Conclusie

1. De rechtbank stelt [eiseres 1] en [eiseres 2] niet in het gelijk. Verweerder mocht de aanvraag van [eiseres 1] en [eiseres 2] met als doel verblijf bij referent afwijzen. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot haar oordeel is gekomen.

De aanleiding voor de rechtszaak en de procedure tot nu toe

2.1.

[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben op 12 september 2019 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf als familie- en gezinslid bij [referent] ’. Met de besluiten van 14 mei 2020 (de primaire besluiten I en II) heeft verweerder de aanvraag van [eiseres 1] en [eiseres 2] afgewezen. Nadat zij hiertegen bezwaar maakten, hield verweerder de afwijzing in stand in de besluiten op bezwaar van
29 december 2020 (de bestreden besluiten I en II).

2.2.

[eiseres 1] en [eiseres 2] zijn het hier niet mee eens en startten daarom deze procedure bij de rechtbank. Op 25 januari 2021 heeft de rechtbank het beroepschrift ontvangen.

2.3.

De zitting bij de rechtbank vond, in verband met de maatregelen die zijn getroffen vanwege de uitbraak van het coronavirus, plaats via een Skype-verbinding op 11 mei 2021. [eiseres 1] en [eiseres 2] zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Referent is verschenen. Als tolk in de Engelse taal is verschenen I. Ringele. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook was namens verweerder [naam 1] op de zitting aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Feiten

3.1.

[eiseres 1] en [eiseres 2] verblijven in Ghana. Zij beogen verblijf in Nederland als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij referent.

3.2.

Referent is in 2010 vanuit Ghana naar Nederland gereisd. Vervolgens heeft referent van 29 september 2016 tot [medio] februari 2018 in Ghana verbleven. Op laatstgenoemde datum is referent naar Nederland vertrokken om zich hier te voegen bij zijn partner.

De standpunten van partijen

4.1.

Verweerder heeft zich in de besluitvorming op het standpunt gesteld dat niet genoegzaam is aangetoond dat [eiseres 1] het biologische kind van referent is of dat er sprake is van een gezinsleven tussen referent en haar. Weliswaar heeft [eiseres 1] een (gelegaliseerde) geboorteakte overgelegd, maar er is sprake van een verlate geboorteregistratie. Verder bevatten de overige overgelegde stukken te weinig informatie om succesvol een verificatieonderzoek te laten verrichten naar de geboorteregistratie van [eiseres 1] . Omdat niet is gebleken dat [eiseres 1] is geboren binnen een huwelijk of een relatie die met een huwelijk is gelijk te stellen, moet de aanwezigheid van een hechte persoonlijke band tussen referent en [eiseres 1] worden aangetoond. [eiseres 1] is hierin niet geslaagd. Uit de overgelegde bewijsstukken blijkt niet dat zij feitelijk altijd heeft behoord en nog steeds behoort tot het gezin van referent. Tot slot heeft referent niet aangetoond dat hij het rechtmatige gezag heeft over [eiseres 1] .

4.2.

Omdat [eiseres 2] meerderjarig is, moet sprake zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen referent en [eiseres 2] , tenzij zij jongvolwassen is en altijd feitelijk heeft behoord en nog steeds behoort tot het gezin van de ouders. [eiseres 2] heeft dit met de door haar overgelegde bewijsstukken niet aangetoond. Dat zij inmiddels het inburgeringsexamen heeft gehaald, maakt dit oordeel niet anders.

5.1.

In beroep heeft [eiseres 1] aangevoerd dat er, gelet op de overgelegde documenten, in redelijkheid niet kan worden getwijfeld aan haar geboortegegevens. Bij twijfel had verweerder zelf een verificatieonderzoek moeten instellen. Daarbij twijfelt verweerder kennelijk niet aan de geboortegegevens en afstammingsrelatie van [eiseres 2] , terwijl de situatie met betrekking tot de verlate geboorteaangifte ten aanzien van eiseressen gelijk is. Voor zover verweerder verder vindt dat er onvoldoende stukken zijn overgelegd om de feitelijke gezinsband te onderbouwen, wijst referent op de gezinsgeschiedenis. Hieruit volgt onder meer wat de reden is dat referent geen stukken kan overleggen van de samenwoning van 2000 tot 2010. Gelet op het familierelaas, ondersteunt door wat is overgelegd, is volgens [eiseres 1] zonder meer sprake van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM1. Daarmee is gegeven dat sprake is van een feitelijke gezinsband. Ook is de moeder overleden, zodat er geen toestemming voor vertrek van [eiseres 1] is afgegeven. Tot slot kent het Ghanese rechtssysteem geen gezagsregister. Beide ouders nemen volgens gewoonterecht de beslissingen ten aanzien van een kind.

5.2.

[eiseres 2] heeft in beroep gewezen op de hechte persoonlijke relatie met [eiseres 1] . Sinds het overlijden van moeder in 2011, tijdens het verblijf van referent in Nederland, hebben de zussen veel steun aan elkaar gehad. Ze willen niet gescheiden worden. Verder is [eiseres 2] nog altijd afhankelijk van de ondersteuning door referent.

Het oordeel van de rechtbank

Afstammingsrelatie

6.1.

Op de zitting is gebleken dat tussen partijen niet langer in geschil is dat [eiseres 1] en [eiseres 2] biologische dochters zijn van referent. Eiseressen hebben namelijk een deskundigenrapport van Verilabs van 24 maart 2021 overgelegd waaruit dit blijkt.

6.2.

[eiseres 1] stelt dat, nu verweerder in de aan haar gerichte besluitvorming twijfelde aan de inhoud van de gelegaliseerde geboorteakte die zij heeft overgelegd, hij onderzoek naar de afstamming had moeten doen. Dat verificatieonderzoek om de familierechterlijke relatie tussen referent en [eiseres 1] na te gaan, had door verweerder en niet – zoals nu is gebeurd – door haarzelf moeten worden opgepakt.

6.3.

Op de zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat hij dit onderzoek heeft nagelaten omdat [eiseres 1] ook niet aan de overige voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning voldoet. De rechtbank ziet deze nadere motivering echter niet terug in het bestreden besluit. Daar staat namelijk enkel: “Ook indien op basis van DNA-onderzoek de afstammingsrelatie tussen betrokkene en referent alsnog zou zijn vastgesteld zou dit niet tot een ander oordeel leiden.” De rechtbank merkt dit om die reden aan als een motiveringsgebrek. De rechtbank zal hier later op terugkomen. Zij zal namelijk eerst beoordelen of verweerders redenering op de zitting stand kan houden.

Ten aanzien van [eiseres 1] :

Juridisch kader

7.1.

De rechtbank toetst of tussen referent en [eiseres 1] sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 juli 20182 volgt – onder verwijzing naar het arrest Chakroun3 – namelijk dat het in de Gezinsherenigingsrichtlijn4 opgenomen vereiste van ‘werkelijk gezinsleven’ in overeenstemming moet zijn met het grondrecht op eerbiediging van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

7.2.

[eiseres 1] is minderjarig. Op grond van artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 wordt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon, dat naar het oordeel van Onze Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon staat.

7.3.

De Afdeling overweegt (in de in overweging 7.1. opgenomen uitspraak) dat verweerder aanneemt dat het minderjarige kind feitelijk behoort tot het gezin van een referent als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb 2000 als tussen hen gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Als dit kind niet uit een huwelijk of een met het huwelijk op één lijn te stellen relatie is geboren, neemt de staatssecretaris dit gezinsleven pas aan, als de biologische vader voldoende invulling geeft aan zijn relatie met dit kind. Daarmee voldoet de staatssecretaris volgens de Afdeling aan de eis dat bij de implementatie van de Gezinsherenigingsrichtlijn moet worden aangesloten bij artikel 8 van het EVRM.

Overgelegde stukken

8. Referent heeft ter onderbouwing van het gezinsleven de volgende stukken overgelegd. Over de periode tot het vertrek van referent uit Ghana in 2010 ligt er een doopakte van zowel [eiseres 1] als [eiseres 2] van 24 juli 2015, een groeiboekje van [eiseres 1] en [eiseres 2] en een ‘admission form’ en ‘notice of administration’ van de Darko Experimental School van 9 januari 2012. Ook is een zwangerschapsboekje van de moeder van [eiseres 2] en [eiseres 1] overgelegd. In de periode na 2010 zijn er bewijsstukken van geldovermakingen aan [naam 2] vanaf augustus 2012, aan [naam 3] vanaf december 2012 en aan [eiseres 2] vanaf 25 april 2019 overgelegd. Ook is er een overzicht van chatgesprekken via WhatsApp met [eiseres 2] vanaf 24 augustus 2019 overgelegd. Verder heeft referent een aantal foto’s overgelegd met onder meer zijn nieuwe vrouw en [eiseres 1] en [eiseres 2] . Tot slot zijn schoolrapporten van april 2019, augustus 2019 en december 2019 en een bewijs van betaling van schoolgelden overgelegd.

Geboren uit een huwelijk of daaraan gelijk te stellen relatie?

9. Referent heeft aangevoerd dat [eiseres 1] is geboren uit een huwelijk of een met het huwelijk op één lijn te stellen relatie. Het enkel overleggen van een zwangerschapsboekje waarin over de moeder staat ‘married’ en de op de zitting gegeven uitleg dat sprake was van een traditioneel huwelijk, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat [eiseres 1] is geboren uit een reëel huwelijk of een daaraan gelijk te stellen relatie. Verweerder heeft dus in redelijkheid getoetst of sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent en [eiseres 1] .

Hechte persoonlijke banden?

10.1.

De Afdeling overweegt, in de in onder 7.1. vermelde uitspraak5, dat - als sprake is van een kind dat niet is geboren uit een huwelijk of een met het huwelijk op één lijn te stellen relatie - enkel biologische verwantschap onvoldoende is om beschermenswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen een biologische vader en zijn kind aan te nemen. Het al dan niet bestaan van beschermenswaardig gezinsleven is in essentie een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. 6 In de regel is hiervoor samenwoning vereist, maar ook andere factoren kunnen bij uitzondering een rol spelen, zoals de aard van de relatie tussen de biologische ouders en de aantoonbare interesse in en inzet voor het kind door de biologische vader zowel voor als na de geboorte.

10.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat referent niet aannemelijk heeft gemaakt dat [eiseres 1] feitelijk behoort tot het gezin van referent, als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb 2000. Verweerder heeft daartoe in redelijkheid kunnen oordelen dat referent onvoldoende invulling heeft gegeven aan zijn relatie met [eiseres 1] . Er liggen onvoldoende stukken waaruit volgt dat referent met zijn gezin heeft samengewoond tot zijn vertrek in 2010, dat referent betrokken was bij de opvoeding van zijn kinderen en dat hij zijn kinderen daadwerkelijk heeft gezien. Na zijn vertrek in 2010, en ook in de periode van 29 september 2016 tot [medio] februari 2018 toen hij terug was in Ghana, heeft referent niet met zijn kinderen samengewoond. Dat hij zijn kinderen, toen hij terug was in Ghana wel heeft gezien, heeft referent niet met stukken onderbouwd. Ook zijn onvoldoende stukken overgelegd over de manier en intensiteit van het contact tussen referent en zijn kinderen. Zo heeft referent over het contact met zijn kinderen alleen stukken van recente datum overgelegd. Referent heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij tussen 2010 en tegen het einde van 2019 contact heeft gehad met [eiseres 1] en [eiseres 2] . Voor wat betreft de geldovermakingen is niet aannemelijk gemaakt dat deze zijn aangewend voor de opvoeding en zorg van [eiseres 1] en [eiseres 2] . Referent heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat er tussen hem en [eiseres 1] daadwerkelijk hechte persoonlijke banden bestaan.

Toepassing van artikel 6:22 van de Awb

11. De rechtbank zal het motiveringsgebrek in het bestreden besluit passeren op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat [eiseres 1] niet in haar belangen is geschaad. De rechtsgrond dat het bestaan van beschermenswaardig gezinsleven tussen referent en [eiseres 1] niet aannemelijk is geworden, kan het bestreden besluit namelijk zelfstandig dragen.

Ten aanzien van [eiseres 2] :

Juridisch kader

12.1.

Evenals ten aanzien van [eiseres 1] toetst de rechtbank of tussen referent en [eiseres 2] sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

12.2.

[eiseres 2] is meerderjarig. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres 2] niet valt onder het jongvolwassenenbeleid. Op grond van vaste jurisprudentie van het EHRM7 moet er tussen referent en [eiseres 2] , om te kunnen spreken van beschermenswaardig familieleven, daarom sprake zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (‘more than normal emotional ties’) met bijkomende elementen van afhankelijkheid (‘further elements of dependence’).8 De vraag of sprake is van ‘more than the normal emotional ties’ is een vraag van feitelijke aard en de beantwoording daarvan is afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden.9 Voor die beoordeling kan relevant zijn: eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkene en de banden met het land van herkomst. 10

Overgelegde stukken

13. Voor wat betreft de overgelegde stukken verwijst de rechtbank naar hetgeen onder 8 is overwogen. [eiseres 2] en [eiseres 1] hebben namelijk dezelfde stukken ter onderbouwing van hun aanvraag overgelegd.

More than normal emotional ties?

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen [eiseres 2] en referent geen sprake is. Van meerderjarige kinderen mag in beginsel worden verwacht dat zij zich zelfstandig staande kunnen houden in het land van herkomst. Voor wat betreft de samenwoning, het contact en de financiële afhankelijkheid verwijst de rechtbank naar hetgeen onder 10.2 is overwogen. Nu de overgelegde stukken ter onderbouwing hiervan al onvoldoende zijn in het geval van [eiseres 1] , is dat zeker het geval bij [eiseres 2] . Aan de relatie tussen referent en een meerderjarige worden immers hogere eisen gesteld dan aan de relatie tussen referent en een minderjarige. Over de overige, onder 12.2 genoemde factoren, zijn geen stukken overgelegd.

15. De stelling van [eiseres 2] dat zij nog altijd afhankelijk is van ondersteuning door haar vader, die als enige ouder steeds verantwoordelijk voor haar is geweest, heeft zij ook in beroep niet onderbouwd. Ook de stelling over de hechte persoonlijke relatie tussen de zussen slaagt niet. Nu de aanvraag van [eiseres 1] is afgewezen en het beroep ongegrond zal worden verklaard, zullen de zussen namelijk niet gescheiden worden.

Ten aanzien van [eiseres 1] en [eiseres 2] :

Hoorplicht

16. Verder volgt de rechtbank [eiseres 1] en [eiseres 2] niet in hun stelling dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Gelet op het primaire besluit en wat zij daartegen in bezwaar hebben aangevoerd, was er geen twijfel over dat het bezwaar van [eiseres 1] en [eiseres 2] ongegrond was. Dat betekent dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en een hoorzitting niet nodig was.

Ten aanzien van [eiseres 1] :

Proceskostenveroordeling

17.1.

Hoewel de rechtbank het motiveringsgebrek in het bestreden besluit heeft gepasseerd op grond van artikel 6:22 van de Awb, ziet zij wel aanleiding om verweerder voor wat betreft de kosten voor rechtsbijstand te veroordelen in de proceskosten. Die kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.068,- (1 punt voor indienen beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

17.2.

Omdat verweerder in redelijkheid heeft geoordeeld dat er geen hechte persoonlijke banden zijn had verweerder geen verificatieonderzoek hoeven opstarten. De kosten voor het onderzoek door Verilabs komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

Het beroep is ongegrond

18. Het beroep van [eiseres 1] is ongegrond. Aan een bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet toe.

Ten aanzien van [eiseres 2] :

Het beroep is ongegrond

19. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toekennen van een vergoeding van de kosten die [eiseres 2] maakte voor deze procedure.

Beslissing

De rechtbank,

  • -

    verklaart het beroep van [eiseres 1] en [eiseres 2] ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van [eiseres 1] tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. den Toom, griffier.

griffier

rechter

de griffier is verhinderd de

uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2 ECLI:NL:RVS:2018:2366, r.o. 4.4.

3 Het arrest van het Hof van Justitie van 4 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:117, punt 44.

4 In de voornoemde uitspraak verwijst de Afdeling naar de toelichting bij artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de richtlijn in het gewijzigd voorstel voor een richtlijn van de Raad van de Europese Unie inzake het recht op gezinshereniging van 2 mei 2002 (COM (2002) 225).

5 Zie r.o. 4.7. van de uitspraak van de Afdeling.

6 Deze toets volgt ook uit paragraaf B7/3.8.1. van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, waar staat dat de IND in ieder geval familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aanneemt tussen een minderjarig kind en zijn biologische vader (wiens kind niet uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie is geboren), als uit de feiten en omstandigheden volgt dat daadwerkelijk sprake is van hechte persoonlijke banden.

7 Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

8 Zie ook paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000. Daarin staat dat de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het uitoefenen van het familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM verleent op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb. […] De IND neemt familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aan tussen meerderjarigen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than normal emotional ties).

9 Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:176).

10 Zie werkinstructie 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM.