Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:11019

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
08-10-2021
Zaaknummer
NL21.9251
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig. Arrest TQ. Ten onrechte terugkeerbesluit. Niet van overtuigd adequate opvang. Gegrond, nieuw besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.9251


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.G.Th. Omtzigt),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).


Procesverloop
Bij besluit van 8 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond. Verder heeft verweerder geweigerd om aan eiser ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, heeft verweerder aan eiser geen uitstel van vertrek verleend en heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland binnen vier weken moet verlaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is als plaatsvervangend voogd van Stichting Nidos aanwezig, mevrouw W. Nuyens. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Tanzaniaanse nationaliteit te zijn, afkomstig te zijn van het eiland Pemba en te zijn geboren op [datum] 2005. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Begin augustus 2020 zijn hij en andere jongeren benaderd door zes mensen die bij de regerende partij van het Chama Cha Mapinduzi (CCM) horen, om te gaan stemmen tijdens de verkiezingen die plaats zouden vinden op 28 oktober. Daarbij zijn hun namen genoteerd. Eiser heeft aangegeven niet te zullen gaan stemmen. De volgende keer dat hij deze mensen tegen kwam, wilden ze hem gaan slaan met een elektriciteitskabel als eiser zou blijven weigeren om mee te werken. Ze zeiden dat hij zichzelf en zijn moeder in de problemen zou brengen als hij zou weigeren. Ze zouden eiser dan oppakken en onthoofden. Een paar dagen later, eind augustus 2020, zijn de zes mannen bij hem thuis geweest. Twee mannen hielden zijn moeder vast en betasten haar. Ze wilden dat eiser ging toekijken. Eén man hield eiser vast. Op een gegeven moment liet die man eiser los om een stuk brandend hout te pakken. Eiser is toen naar de kant van zijn moeder gerend, de man kwam achter hem aan, heeft eiser geslagen met het stuk brandend hout op eisers arm, maar eiser heeft kunnen ontsnappen. De drie andere mannen hielden zijn zussen onder controle. Ze waren gewapend. Eiser is diezelfde nacht gevlucht. Bij terugkeer vreest hij voor diezelfde mensen en voor wat er met zijn familie kan zijn gebeurd.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst,

2. eiser werd op straat benaderd en thuis aangevallen omdat hij moest stemmen op de regerende partij.

Verweerder heeft element 1 geloofwaardig geacht, maar element 2 niet.

Vanwege het ongeloofwaardig geachte element 2 en omdat eiser niet alleen op grond van element 1 kan worden aangemerkt als vluchteling, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft en evenmin dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarom komt hij volgens verweerder niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Geloofwaardigheid asielrelaas

3. Eiser is het er niet mee eens dat verweerder element 2 ongeloofwaardig heeft geacht. Op wat hij daartoe aanvoert, gaat de rechtbank hierna in.

3.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat het niet logisch is dat eiser als minderjarige werd benaderd om te stemmen, omdat stemmen in Tanzania pas mag vanaf 18 jaar en eiser geen identiteitskaart, stemkaart of lidmaatschapskaart van de partij had die nodig is om te stemmen. Bovendien zou dan het aantal stembiljetten niet meer overeen komen met het aantal stemgerechtigden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser bij zijn zienswijze een brief van Vluchtelingenwerk Nederland overgelegd waarin ook stukken zijn aangehaald uit verschillende rapportages. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarover niet ten onrechte overwogen dat uit die informatie niet blijkt dat minderjarigen onder druk zijn gezet om op de regerende partij te stemmen. Het in beroep door eiser gestelde, dat uit die informatie ook niet blijkt dat het niet is gebeurd of dat het, gelet op die informatie waarin staat dat er op grote schaal kiezersfraude is gepleegd op meerdere manieren, niet ondenkbaar of onlogisch is dat daarbij minderjarigen onder druk zijn gezet, is onvoldoende om af te doen aan het standpunt van verweerder.

3.2.

Ook acht verweerder het niet ten onrechte ongeloofwaardig dat zes mannen voor alleen de stem van eiser naar zijn woning kwamen en vervolgens vijf mannen de moeder en zussen van eiser vast hielden. Verder heeft verweerder het niet ten onrechte niet aannemelijk geacht dat eiser de woning uit heeft kunnen rennen en geen van de mannen achter hem is aangekomen, temeer nu zij volgens eiser bewapend waren. Verweerder heeft ook niet ten onrechte niet eisers stelling gevolgd dat de mannen, die als politieagenten gekleed en gemaskerd waren, kennelijk bang waren om gemaskerd in het openbaar achter hem aan te gaan. Dan zou het namelijk voor de hand hebben gelegen dat de mannen voorzorgsmaatregelen zouden hebben getroffen om te voorkomen dat eiser het huis uit kon vluchten.

3.3.

Verweerder heeft ook aan eiser mogen tegenwerpen dat de omstandigheid dat eiser vijf maanden voor zijn vertrek al een paspoort heeft aangevraagd er op duidt dat hij al vóór de gestelde problemen van plan was Tanzania te verlaten. De hiervoor door eiser aangegeven reden, namelijk dat zijn vrienden ook een paspoort hadden, heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende geacht, temeer omdat eiser ook heeft verklaard dat ze arm waren en zijn moeder geen geld had om zijn school te betalen, het aanvragen van een paspoort geld kost en er nooit op straat wordt gevraagd om je te identificeren. De enkele in beroep naar voren gebrachte stelling dat een paspoort minder geld kost dan school, is onvoldoende om af te doen aan het standpunt van verweerder.

3.4.

Verweerder heeft in het bestreden besluit nog overwogen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard, omdat hij op Schiphol heeft verklaard dat hij de reis naar Nederland heeft kunnen betalen door spullen van zijn moeder te verkopen, terwijl eiser in het nader gehoor heeft verklaard dat hij is gevlucht en niet meer naar huis is teruggegaan. De verkoop van de spullen van zijn moeder duidt er volgens verweerder op dat hij niet hals over kop zijn huis heeft moeten ontvluchten. Op de zitting heeft verweerder aangegeven dit onderdeel van het bestreden besluit in te trekken en bedoeld heeft het overige voldoende te achten.

3.6.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.

Terugkeerbesluit

4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit aan hem heeft opgelegd. Eiser is minderjarig. De stelling van verweerder dat eiser naar zijn moeder en zussen kan terugkeren omdat niet aannemelijk is dat die niet meer in de ouderlijke woning zouden verblijven is te vaag en kan niet zonder onderzoek naar de verblijfplaats van zijn moeder en zussen worden aangenomen. Van eiser kan immers als minderjarige niet worden verwacht dat hij bij terugkeer in Tanzania zelf op zoek gaat naar zijn moeder en zussen en als dan blijkt dat ze er niet meer zijn, hij op zichzelf is aangewezen. Eiser heeft bovendien gedaan wat hij kon om aan te tonen dat op dit moment niet duidelijk is dat er adequate opvang voor hem is in Tanzania. Verweerder had daarom niet zonder nader onderzoek naar de opvangmogelijkheden van eiser het terugkeerbesluit mogen opleggen.

4.1.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat terecht een terugkeerbesluit is uitgevaardigd. Volgens verweerder is daarbij van belang dat eiser het lot van zijn moeder en zussen – dat hij niet weet wat er met hen is gebeurd en of ze nog leven – koppelt aan het ongeloofwaardig geachte asielrelaas. Bovendien wekt het volgens verweerder bevreemding dat eiser het hoofd van de school heeft aangeschreven terwijl hij heeft gezegd dat hij niet meer naar school ging omdat zijn moeder dat niet zou kunnen betalen. Aan zijn verklaring dat hij geen contact met hen kan krijgen, hecht verweerder daarom geen waarde. Toen eiser vertrok woonden zijn moeder en zussen nog in dezelfde woonplaats en er is geen aanleiding om aan te nemen dat ze daar niet meer wonen. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat het uitvaardigen van het terugkeerbesluit in overeenstemming is met het arrest TQ1 van het Hof van Justitie. Het is namelijk aan eiser om aannemelijk te maken dat er geen adequate opvangmogelijkheden zijn en dat heeft hij niet gedaan. Er bestond voor verweerder geen aanleiding om eraan te twijfelen dat eisers moeder en zussen niet meer wonen in dezelfde plaats als ten tijde van eisers vlucht. Zolang er geen reactie is gekomen op de tracing, twijfelt verweerder niet aan de opvangmogelijkheden. Op het moment dat het terugkeerbesluit uitgevoerd wordt, zal eiser daar naartoe begeleid worden. Mocht er in de tussentijd geen uitkomst zijn van het Rode Kruis of blijken dat zijn familie niet te traceren is, dan zal het terugkeerbesluit niet worden uitgevoerd.

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser het lot van zijn moeder en zussen heeft gekoppeld aan zijn, ongeloofwaardig geachte, asielrelaas. Eiser heeft echter ook aangegeven dat hij na zijn vlucht geen contact meer met hen heeft kunnen krijgen, dat hij een gesprek heeft gehad met het Rode Kruis en hen gevraagd heeft of zij willen helpen om dat contact te krijgen en wacht op nader bericht (pagina 4 eerste gehoor). Uit de stukken blijkt verder dat de voogd van Nidos een opsporing bij het Rode Kruis heeft uitgezet. Op de zitting is door de gemachtigde van eiser aangegeven dat zij niet weet of eiser nog contact heeft gehad met het Rode Kruis. Verder heeft zij aangegeven dat de voogd de schoolmeester van eiser per e-mail heeft laten weten dat zij dringend op zoek zijn naar de familie van eiser, maar dat daarop geen reactie is gekomen. De plaatsvervangend voogd van Nidos heeft tijdens de zitting aangegeven dat het Rode Kruis veel intakes heeft geannuleerd in verband met corona. Eiser heeft aangegeven dat hij verder geen afspraak heeft gehad met het Rode Kruis en nog steeds geen contact heeft gehad met zijn familie.

4.3.

In het arrest TQ heeft het Hof van Justitie door deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, gestelde prejudiciële vragen beantwoord. Het Hof van Justitie heeft overwogen dat uit de artikelen 5, onder a van de Terugkeerrichtlijn en artikel 24 van het EU Handvest voortvloeit dat de betrokken lidstaat, alvorens een terugkeerbesluit vast te stellen, concreet moet onderzoeken of er voor de betrokken niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer. Als die opvang niet aanwezig is, kan tegen die minderjarige geen terugkeerbesluit worden uitgevaardigd. Die uitleg vindt volgens het Hof van Justitie steun in rechtspraak van het Hof van Justitie waarin is geoordeeld dat de lidstaten op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn verplicht zijn om bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening te houden met onder meer het belang van het kind. Daaruit volgt volgens het Hof van Justitie dat als de betrokken lidstaat voornemens is een terugkeerbesluit tegen een niet-begeleide minderjarige uit te vaardigen, zij die minderjarige moet horen over de omstandigheden waarin hij in het land van terugkeer kan worden opgevangen.

Het Hof van Justitie concludeert dan ook dat artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 5, onder a), van deze richtlijn en artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat de betrokken lidstaat, alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen een niet-begeleide minderjarige, de situatie van die minderjarige algemeen en grondig moet toetsen, rekening houdend met het belang van het kind. In dat kader moet die lidstaat zich ervan overtuigen dat er voor de betrokken niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer.

4.4.

Verweerder heeft toegelicht waarom hij aan de verklaring van eiser dat hij geen contact met zijn moeder en zussen kan krijgen, geen waarde hecht. Die toelichting kan de rechtbank niet volgen, omdat de verklaring van eiser dat hij na zijn vlucht geen contact meer heeft kunnen krijgen met zijn moeder en zussen los staat van eisers asielrelaas. De rechtbank volgt ook niet de toelichting van verweerder dat het bevreemding wekt dat eiser het hoofd van de school heeft aangeschreven, omdat eiser heeft gezegd dat hij niet meer naar school ging omdat zijn moeder dat niet zou kunnen betalen. Dat betekent immers niet dat via dat hoofd niet geprobeerd zou kunnen worden om zijn familie te traceren. Dat geldt temeer omdat eerder een contact met de school was gelegd en naar aanleiding daarvan de identiteit van eiser is bevestigd.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser enkel gevraagd heeft of hij, naast zijn moeder en zussen, verder nog familie heeft in Tanzania. Daarop heeft eiser geantwoord dat hij ooms en tantes heeft, maar niet weet waar die wonen en hij geen contact met hen had. Verweerder heeft eiser niet nader bevraagd over het contact met zijn moeder en zussen en of eiser door hen kan worden opgevangen. Niet gebleken is dat verweerder, voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit, concreet heeft onderzocht of eiser nog familie heeft in Tanzania dan wel of er daar voor hem andere adequate opvang is. De stelling van eiser dat hij na zijn vlucht geen contact meer heeft kunnen krijgen met zijn moeder en zussen en dat er nog geen antwoord is ontvangen van het Rode Kruis - los van de vraag of eiser daar meer navraag naar heeft moeten doen - of de schoolmeester en zijn verklaring dat hij met overige familie geen contact heeft, gaf daar wel aanleiding toe. Door dit niet te doen en zich op het standpunt te stellen dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat die opvang er niet is, heeft verweerder in strijd met het arrest TQ en dus met de Terugkeerrichtlijn zich er niet van overtuigd dat er voor eiser adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer, alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

5. Uit artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000 volgt dat de afwijzing van een asielaanvraag geldt als terugkeerbesluit. Nu verweerder geen terugkeerbesluit had mogen nemen zonder zich ervan te overtuigen dat er voor eiser in Tanzania adequate opvang beschikbaar is, betekent dat dat de afwijzing van de asielaanvraag - hoewel wel het asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig is geacht - ook niet in stand kan blijven.

6. Eiser heeft ook verzocht om de inhoud van de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat verweerder hier in het bestreden besluit gemotiveerd op in is gegaan en eiser niet nader - anders dan hiervoor al is besproken - heeft onderbouwd waarom verweerder hiermee niet heeft kunnen volstaan, kan de enkele herhaling en verwijzing niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat.

Conclusie

7. Gelet op wat onder 4.5 en 5 is overwogen, is het beroep gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal alsnog onderzoek moeten verrichten naar of er voor eiser adequate opvang beschikbaar is in Tanzania, zoals bedoeld in het arrest TQ. Gelet op dat nog te verrichten onderzoek ziet de rechtbank geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder moet dus een nieuw besluit nemen op de aanvraag en rekening houden met deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 748,-, bij een wegingsfactor 1). Toegekend wordt € 1.496,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een

nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.496,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr.N. ter Horst, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 TQ tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-441/19, 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:9.