Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:10941

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2021
Datum publicatie
07-10-2021
Zaaknummer
NL21.5461
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De aangekondigde contra-expertise staat verweerder in beginsel niet in de weg aan het nemen van een besluit. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder niet conform de Werkinstructie 2014/10 heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de problemen na het overlijden van de echtgenoot niet geloofwaardig zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.5461

V-nummers: [nummer] en [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], eiseres,

mede namens haar minderjarige dochter [naam 2],

(gemachtigde: mr. A. Greve-Kortrijk),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Raak).


Procesverloop
Bij besluit van 9 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.5462, op 6 mei 2021 op zitting behandeld in Breda. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Al Wandawi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting is het onderzoek niet gesloten. De rechtbank heeft de zaak in eerste instantie voor vier weken aangehouden in afwachting van een contra-expertise. De rechtbank heeft vervolgens beslist om de zaak aan te houden totdat is beslist op het beroep tegen de afwijzende beschikking van het COa1 voor het maken van kosten in verband met het laten verrichten van een contra-expertise documentenonderzoek. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, heeft in deze beroepszaak uitspraak gedaan op 23 juli 2021.2

Nadat geen van de partijen, binnen een daartoe gegeven termijn, heeft aangegeven behoefte te hebben aan een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek op 17 september 2021 gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Iraakse nationaliteit. Zij heeft op 8 maart 2020 haar asielaanvraag ingediend.

2. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij na het overlijden van haar echtgenoot, de vader van haar dochter, slecht werd behandeld door haar familie, omdat weduwe zijn een schande is. Vervolgens is zij uitgehuwelijkt aan een oudere man, tegen haar wil. Eiseres heeft daarnaast problemen met haar schoonfamilie3 over de voogdij van haar dochter. De schoonfamilie heeft middels een rechtszaak het gezag (dan wel voogdij) over haar dochtertje afgenomen.

3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

Identiteit, nationaliteit en herkomst;

Problemen na het overlijden van echtgenoot.

4. Verweerder acht de nationaliteit, identiteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Verweerder acht de problemen na het overlijden van de echtgenoot niet geloofwaardig. Daarbij betrekt verweerder dat eiseres verklaringen heeft afgelegd die duidelijk onwaarschijnlijk zijn. Daarbij komt dat eiseres documenten heeft overgelegd waarvan na onderzoek is gebleken dat deze met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven, terwijl zij over deze documenten wel heeft verklaard dat het originele documenten zijn die zijn afgegeven door de rechtbank te Al Karkh. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag moet worden afgewezen als kennelijk ongegrond.4

5. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij voert allereerst aan dat van een zorgvuldige besluitvorming geen sprake is, omdat verweerder de contra-expertise had dienen af te wachten. Eiseres stelt verder dat het opknippen van haar asielrelaas in twee stukken tekort doet aan haar asielrelaas, omdat dit feitelijk uit meer onderdelen bestaat. De verklaringen van eiseres komen overeen met het ambtsbericht.5 Hieruit volgt immers dat vrouwen worden achtergesteld in onder andere het familierecht. Er valt ook niet in te zien waarom studeren niet zou kunnen passen in een conservatieve familie, deze stelling van verweerder is niet gebaseerd op concrete feiten. Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat tijdens telefonisch overleg met de IND6 uitdrukkelijk is aangegeven dat zij is bedreigd nadat haar broer haar zus betrapte op contact met haar. Gelet op de inhoud van de vertaalde telefoonberichten en haar asielrelaas in samenhang met de informatie uit het ambtsbericht, had het op de weg van verweerder gelegen om door te vragen bij onduidelijkheden of vragen, eventueel via een aanvullend gehoor. Eiseres wijst in dit verband op de samenwerkingsverplichting zoals beschreven in de Werkinstructie 2014/10 en neergelegd in artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn.7

Ten aanzien van het visum heeft eiseres zowel in het gehoor, de correcties en aanvullingen en de zienswijze uitgelegd hoe dit is verlopen. Zij heeft hier niet tegenstrijdig over verklaard. Tot slot voert eiseres aan dat, voor zover de verklaringen over de gebeurtenissen na het overlijden van haar man niet zouden worden gevolgd, het hier gaat om een alleenstaande vrouw die op grond van de WBV 2017/2 bescherming nodig heeft. Dit is in het bestreden besluit niet meegenomen. Eiseres kan niet bij haar familie terecht, dit volgt uit de duidelijk omschreven problemen met haar familie en dit wordt bevestigd door de geluidsfragmenten.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Contra-expertise

6. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling8 volgt dat verweerder er in beginsel van uit mag gaan dat de verklaring van onderzoek door Bureau Documenten op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.9 Dat laat echter onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van verweerder10 meebrengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. In dit geval is niet gesteld of gebleken dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. In dit geval kan de uitkomst van een beoordeling door Bureau Documenten slechts met succes worden bestreden door een andersluidende contra-expertise van een deskundige in te brengen.11

7. De aangekondigde contra-expertise staat verweerder in beginsel niet in de weg aan het nemen van een besluit. Het was immers niet bekend op welke termijn de contra-expertise kon worden overgelegd en of het COa wel zou instemmen met de tegemoetkoming in de kosten.

Samenwerkingsverplichting

8. De samenwerkingsverplichting is neergelegd in artikel 4, eerste lid van de Kwalificatierichtlijn. In artikel 31, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is deze samenwerkingsverplichting opgenomen voor wat betreft de beoordeling van relevante elementen. Voor het nader gehoor is dit nader uitgewerkt in artikel 3.113, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Daarin staat dat de vreemdeling in beginsel tijdens het asielgehoor moet worden geconfronteerd met de tegenstrijdigheden en inconsistenties die verweerder constateert in zijn verklaringen, omdat dat de fase is waarin verweerder de feiten vaststelt in samenwerking met de vreemdeling en de vreemdeling de gelegenheid heeft om een nadere uitleg te geven.

9. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat eiseres uitvoerig heeft kunnen verklaren en dat de gehoormedewerker meermaals heeft doorgevraagd. Verweerder heeft eiseres in het voornemen met alle door hem geconstateerde tegenstrijdigheden of ongerijmdheden geconfronteerd, waarna eiseres daarop in de zienswijze kon reageren. Van deze gelegenheid heeft eiseres ook gebruik gemaakt. Verweerder heeft vervolgens de reactie van eiseres in zijn beoordeling in het bestreden besluit betrokken alsook de bij zienswijze overgelegde telefoonberichten. Verweerder heeft zich ter zitting verder terecht op het standpunt gesteld dat alle elementen uit het asielrelaas van eiseres afzonderlijk en als geheel bij de beoordeling zijn betrokken.

10. Verweerder heeft gelet op de inhoud van de vertaalde berichten, het asielrelaas van eiseres en de informatie uit het ambtsbericht geen aanleiding hoeven zien om een nader aanvullend gehoor te houden in het kader van de samenwerkingsverplichting. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder niet conform de Werkinstructie 2014/10 heeft plaatsgevonden.

Geloofwaardigheid asielrelaas

11. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de problemen na het overlijden van de echtgenoot niet geloofwaardig zijn. Verweerder heeft in het voornemen terecht overwogen dat uit informatie uit openbare bronnen weliswaar volgt dat het gebruikelijk is dat weduwen na de dood van hun echtgenoot weer bij hun eigen familie gaan wonen, maar dat uit diezelfde openbare bronnen geenszins blijkt dat weduwen in Irak vanwege de omstandigheid dat hun echtgenoot is overleden direct als een ‘schande’ worden gezien door hun eigen familie.12 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat met de verklaringen in de zienswijze niet is onderbouwd waarom de familie haar als een schande zag en dat hierdoor de relatie verslechterde. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat de stelling van verweerder dat mogen studeren niet strookt met de verklaring van eiseres dat haar familie erg ouderwets en traditioneel is, niet is onderbouwd. Dit onderdeel van het besluit is echter van ondergeschikte aard en aan dit gebrek worden daarom geen gevolgen verbonden.

12. Ten aanzien van de telefoonberichten heeft verweerder in het bestreden besluit niet ten onrechte overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat het daadwerkelijk om de broer van eiseres gaat. Bovendien heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiseres nooit eerder heeft verklaard dat zij na haar vertrek uit Irak persoonlijk is bedreigd door haar broer. Verweerder heeft kunnen concluderen dat niet valt in te zien dat pas een jaar nadat eiseres Irak heeft verlaten, haar broer haar ineens persoonlijk gaat bedreigen.

13. Verweerder heeft in het bestreden besluit onder verwijzing naar het voornemen terecht overwogen dat de uitleg van eiseres over de visumaanvraag in de zienswijze tegenstrijdig is met haar verklaringen tijdens het nader gehoor. Verweerder heeft in dit verband terecht overwogen dat de verklaring van eiseres dat zij pas na de rechtszitting op 13 november 2019 van plan was om Irak te verlaten, niet strookt met het feit dat zij (dan wel de vriend van haar echtgenoot) op 7 november 2019 al bezig is geweest met het regelen van een Frans visum om hiermee Irak te kunnen verlaten.

14. Verweerder heeft in het bestreden besluit toegegeven dat het overlijden van de echtgenoot is aangetoond met de overlijdensakte. Verweerder heeft echter niet ten onrechte het standpunt ingenomen dat dit niet wegneemt dat de gestelde problemen nog immer niet geloofwaardig worden geacht nu de overige documenten niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven en eiseres vage en onlogische verklaringen heeft afgelegd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat eiseres niet heeft bestreden dat het onderzoek van het Bureau Documenten - naar wijze van totstandkoming -zorgvuldig is en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent, alsmede dat eiseres geen andersluidende contra-expertise heeft overgelegd.

Alleenstaande vrouw

15. Nu de gestelde familieproblemen niet geloofwaardig zijn geacht heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de band met haar familie is verbroken. Verweerder heeft daarom terecht niet aannemelijk geacht dat zij een alleenstaande vrouw is en daarom te vrezen heeft voor een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Conclusie

16. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr.N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

2 Zaaknummer: AWB 21/3110.

3 De familie van de overleden echtgenoot.

4 met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000.

5 Het algemeen ambtsbericht Irak van de minister van Buitenlandse Zaken van december 2019.

6 Immigratie- en Naturalisatiedienst.

7 Richtlijn 2011/95/EU.

8 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

9 Zie bijvoorbeeld de uitspraak de Afdeling van 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:628.

10 Als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

11 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1695.

12 Zie pagina 5 van het voornemen.