Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:10928

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-10-2021
Datum publicatie
13-10-2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 2128
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

strafontslag politie, verschillende gedragingen tegengeworpen, is sprake van onrechtmatig verkregen bewijs, naast gedragingen speelt melding van ongewenst gedrag door leidinggevende

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/2128

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.T.E. Vis),

en

de korpschef van Politie, verweerder

(gemachtigden: mr. M.W. Kamper en mr. M. Suijs).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres primair de straf van onvoorwaardelijk strafontslag opgelegd en subsidiair aan eiseres ongeschiktheidsontslag verleend.

Bij besluit van 4 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2021.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Tevens zijn voor verweerder verschenen [A] , sectorhoofd district Kennemerland en [B] , voormalig teamchef Veiligheid, Integriteit en Klachten.

Als toehoorders zijn verschenen [C] en [D] .

Overwegingen

1. Eiseres is hoofdagent bij de politie en laatstelijk, sinds maart 2019, werkzaam bij basisteam Haarlemmermeer. Daarvoor was zij werkzaam in het politiebureau Hoefkade in Den Haag. Naar aanleiding van ongewenste gedragingen door medewerkers van dat bureau trad zij naar voren als klokkenluider. \

2 Op 6 februari 2020 is een opsporingsonderzoek tegen eiseres afgerond ter zake schendig ambtsgeheim, computervredebreuk, valsheid in geschrifte en het doen van valse aangifte c.q. meineed.

Naar aanleiding van dit onderzoek is door bureau Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) een disciplinair onderzoek ingesteld. Uit deze onderzoeksrapportages is verweerder gebleken dat eiseres zich schuldig gemaakt heeft aan ernstig plichtsverzuim in de zin van artikel 76 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Verweerder heeft eiser daarom bij het primaire besluit primair de straf van onvoorwaardelijk strafontslag opgelegd en subsidiair aan eiseres ongeschiktheidsontslag verleend. Verweerder heeft in het bestreden besluit het advies van de bezwaaradviescommissie HRM van 4 januari 2021 overgenomen en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

3 Verweerder baseert het ernstig plichtsverzuim op de volgende aan eiseres verweten gedragingen:

-Schending ambtseed/ -belofte

Dit verwijt bestaat uit het meerderde keren delen van vertrouwelijke politie-informatie met [E] , journalist bij het NRC. Het ging daarbij om WhatsApp berichten die haar teamchef [teamchef] (hierna: [teamchef] ) aan haar heeft gestuurd, een interne politiemail van [teamchef] , het politiemailadres van [teamchef] , de mededeling dat [teamchef] zijn vuurwapen en telefoon in zou moeten leveren en een week naar huis werd gestuurd en een verklaring uit het VIK-onderzoek.

-Gezagsondermijnend gedrag

Dit verwijt bestaat uit het tegenover de (eenheids)leiding meerdere keren niet open kaart spelen over het contact met [E] , ook niet toen daar naar gevraagd werd, nadat [E] op 29 september 2019 een artikel had gepubliceerd met als kop: ‘Politiechef naar huis gestuurd vanwege beschuldigingen seksuele intimidatie’, alsmede het samen met [G] (hierna: [G] ) uitstippelen van een tactiek om die betrokkenheid te verhullen, bijvoorbeeld door het verwijderen van het nummer en de conversatie met [E] uit de telefoon van eiseres.

-Het onvermeld laten van haar relatie met [G] bij de leidinggevenden en het niet naar waarheid verklaren over haar relatie met [G] als haar hiernaar gevraagd werd

Er zijn voldoende aanwijzingen dat er al voor september 2019 sprake was van een relatie met [G] . Eiseres bleef dit ontkennen. Eiseres had dit in het belang van de dienst moeten melden.

-Disproportioneel geweld jegens een burger (verdachte) en het met betrekking tot dit incident niet naar waarheid opmaken van één of meerdere brondocumenten

Op 27 augustus 2019 is eiseres betrokken bij een aanhouding van twee verdachten. Eiseres stelt dat verdachte [verdachte] haar daarbij zou hebben mishandeld. Verweerder heeft uit onderzoek, bestaande uit het bekijken van camerabeelden, echter vastgesteld dat het juist eiseres was die veel geweld gebruikte. Verweerder verwijt eiseres dat zij een valse aangifte heeft gedaan dan wel een meinedig proces-verbaal van bevindingen heeft opgemaakt.

In ieder geval heeft eiseres de aan die processen-verbaal ten grondslag liggende Word-bestanden “ [wordbestand 1] ” en “ [wordbestand 2] ”, waarin een onjuiste voorstelling van zaken wordt gegeven rondom het gebruik van geweld jegens verdachte [verdachte] , opgemaakt en opgeslagen op haar persoonlijke schijf.

-Bevragingen in de politiesystemen voor privé doeleinden

Gebleken is dat eiseres bevragingen heeft gedaan in de politiesystemen over onder andere een ex-partner, haar vader en haar eigen adres. Verweerder is niet gebleken dat hiervoor toestemming is gegeven.

-Het claimen van een groot aantal meer-uren in BVCM terwijl niet gebleken is dat eiseres deze meer-uren daadwerkelijk heeft gewerkt.

Eiseres heeft ruim 200 meer-uren geregistreerd sinds haar overplaatsing van de Hoefkade in Den Haag naar Haarlemmermeer. Het merendeel blijkt geaccordeerd en gefiatteerd door [G] op 11 en 19 augustus 2019. Voor het maken van deze meer-uren is echter geen toestemming verleend door de teamchef [teamchef] , in tegenstelling tot wat eiseres beweert. Verder is niet gebleken dat eiseres al die uren ook daadwerkelijk heeft gewerkt.

4 Eiseres heeft – samengevat – de volgende gronden aangevoerd:

Strijd met beginselen van behoorlijk bestuur en onrechtmatige bewijsvergaring.

Eiseres heeft op 27 september 2019 bij de eenheidsleiding melding gemaakt van seksueel getint ongewenst gedrag door haar teamchef [teamchef] . Voor het onderzoek naar aanleiding hiervan is met toestemming van eiseres haar telefoon uitgelezen. Maar anders dan in dit verband afgesproken heeft het onderzoek, naast de conversatie tussen haar en [teamchef] , zich niet hiertoe beperkt. [B] heeft verklaard dat VIK alleen geïnteresseerd was in de WhatsApp conversatie tussen eiseres en [teamchef] en expliciet toegezegd dat andere gegevens en foto’s niet zouden worden ingezien. Eiseres stelt dat ten onrechte de overige telefoongegevens toch zijn onderzocht, terwijl de WhatsApp conversatie met [teamchef] al was veilig gesteld. Verweerder heeft hier geen goede reden voor gegeven. De gegevens over de contacten van eiseres met [E] en [G] over [teamchef] zijn dan ook onrechtmatig verkregen. Doordat de telefoon op die gegevens zonder toestemming is doorzocht zijn het vertrouwensbeginsel en fundamentele rechten als vervat in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens geschonden. Het daardoor verkregen bewijs zou daarom niet gebruikt mogen worden.

Onzorgvuldig en onvolledig onderzoek

Volgens eiseres ontbreken een aantal app-, spraak- en e-mailberichten in het dossier die haar verhaal ondersteunen. Ook zijn een aantal mensen ten onrechte niet gehoord. De besluitvorming is daarom onzorgvuldig tot stand gekomen.

Eiseres betwist verder de feitelijke grondslag van de verwijten en stelt dat geen sprake is van ernstige plichtsverzuim. Zij voert daartoe zakelijk weergegeven het volgende aan:

Schending ambtseed/ -belofte

Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat eiseres een VIK-verklaring over het Hoefkade onderzoek gedeeld heeft met [E] . Die heeft zij immers nooit gehad.

Verweerder betrekt ten onrechte niet dat eiseres met [E] contact heeft opgenomen en de informatie over [teamchef] heeft gedeeld als slachtoffer en niet als politieambtenaar. Het betreft ook geen informatie ter uitvoering van de politietaak. Eiseres voelde zich hiertoe gedwongen omdat zij er geen vertrouwen in had dat een melding door haar van de misdragingen van [teamchef] door de leiding serieus zou worden opgepakt. Daartoe wijst eiseres op het handelen van [A] ten tijde van het gesprek op 18 september 2019, waarin zij de misdragingen van [teamchef] bespreekbaar wilde maken, hetgeen werd afgehouden door [A] . Verder bleek dat de korpsleiding al eerder op de hoogte was van de misdragingen van [teamchef] via [H] en [I] maar hier niets mee gedaan heeft. Eiseres voelde zich verder niet veilig en onvoldoende beschermd binnen de organisatie. Zij wijst daarbij op de spraakberichten van [teamchef] van 16 en 18 september 2019, waaruit blijkt dat zij door hem werd lastiggevallen en gestalkt, nadat zij op 16 september 2019 naar het vertrouwenswerk in Den Haag was gegaan. Zij stelt verder dat uit die berichten ook kan worden afgeleid dat [A] na het gesprek op 18 september 2019 informatie over de uitlatingen en gemoedstoestand van eiseres met [teamchef] heeft gedeeld. Eiseres was verder niet uit op publicaties maar vond bij [E] een veilige haven, die haar, vanwege zijn kennis en goede contacten met de korpsleiding, van advies zou kunnen dienen.

Vertonen van gezagsondermijnend gedrag

Zoals gezegd voelde eiseres zich gedwongen met [E] in zee te gaan. Het was een uiterst redmiddel. Dat eiseres ook na de melding op 27 september 2019 niet open is geweest over de contacten met [E] kan niet als plichtsverzuim aangemerkt worden vanwege haar positie als slachtoffer en meldster van zeer ongewenst seksueel gedrag van haar leidinggevende en het feit dat zij tot genoemde datum niet werd gehoord. [E] had overigens meerdere bronnen.

Eiseres betwist verder dat zij [teamchef] geen eerlijke kans gunde, ze wilde het aanvankelijk klein houden. Nadat [teamchef] in de spraakberichten vanaf 16 september 2019 de rollen probeerde om te draaien door de schuld bij eiseres te leggen en het vertrouwen in [G] op te zeggen, is het niet gek dat eiseres en [G] dit bij elkaar ventileerden, zoals in het telefoongesprek van

27 september 2019.

Het niet melden van de relatie met [G] bij de leidinggevende en het niet naar waarheid verklaren over de relatie met [G] als haar hiernaar gevraagd werd

Eiseres ontkent voor september 2019 een liefdesrelatie met [G] gehad te hebben. Wel was er een zeer innige band welke door de teamchef werd gestimuleerd. Veel mensen wisten van deze omgang, eiseres en [G] waren daarover transparant. De teamchef was op de hoogte van deze innige band.

Disproportioneel geweld jegens een burger (verdachte) en het met betrekking tot dit incident niet naar waarheid opmaken van één of meerdere brondocumenten

Eiseres heeft geen pv’s over dat incident opgemaakt, laat staan ondertekend. Het Openbaar Ministerie heeft de zaak geseponeerd. Eiseres mist informatie in het dossier over dit onderwerp (bijlagen bij de verhoren van eiseres, [L] en [J] ). De conclusies van verweerder kunnen niet op grond van het dossier getrokken worden. Eiseres heeft ook de twee Word-bestanden “ [wordbestand 1] ” en “ [wordbestand 2] ” niet opgemaakt. De bestanden zijn sowieso geen eindversies. Dit levert geen plichtsverzuim op.

De geweldsaanwending zelf heeft niets te maken met disproportioneel geweld. Het OM heeft aangegeven dat eiseres niet zal worden vervolgd, omdat het gebruikte geweld binnen de grenzen van de wet is gebleven.

Bevragingen in de politiesystemen voor privé doeleinden

Alle bevragingen waren functioneel en met toestemming van haar leidinggevende [teamchef] .

Verantwoorden van een groot aantal meer-uren in BVCM terwijl niet gebleken is dat eiseres deze meer-uren daadwerkelijk heeft gewerkt.

Uit het dossier wordt niet aannemelijk dat eiseres de geregistreerde uren niet gewerkt zou hebben. Bovendien heeft zij dit met [teamchef] besproken en kreeg zij van hem toestemming om het met [G] te regelen. Verweerder heeft ten onrechte de politiemail van eiseres niet onderzocht. Daarin staat de toezegging van [teamchef] over de meer-uren van eiseres. Eiseres verwijst naar de aanvullende verklaring van [G] . Hier is niets mee gedaan door verweerder.

[teamchef] deed wel vaker iets niet volgens de regels; dat de planner zegt dat registratie van meer-uren nooit zo gedaan wordt zegt dus niets. Het heeft er schijn van dat [teamchef] dit gebruikt heeft om af te doen aan de geloofwaardigheid van eiseres en [G] .

Gedragingen kunnen eiseres niet althans slechts verminderd, worden toegerekend

Eiseres geeft aan dat zij een kwestbare medewerkerster is, wier leven, vanwege haar dappere rol binnen een gevoelig dossier, volledig is verwoest. Nadat zij eerst werd binnengehaald als “rijzende ster”, kreeg zij al snel te maken met onheuse bejegening en misdragingen door haar teamchef [teamchef] , waarbij het ergste incident eind augustus 2019 plaats vond in een auto. Daarvan is aangifte gedaan. Ter zitting is namens eiseres aangeven dat deze procedure zich in een vergevorderd stadium bevindt. Na het incident in de auto voelde eiseres zich niet meer veilig. Nadat eiseres op 16 september 2019 met [G] naar vertrouwenswerk in Den Haag is gegaan ontstaat commotie en zegt [teamchef] het vertrouwen in [G] op en wordt eiseres door [teamchef] ernstig lastiggevallen en belaagd met spraakberichten. Het sectorhoofd, [A] , pakt vervolgens niet door op de signalen van eiseres en daarom is eiseres naar [E] gestapt. Eiseres vindt dat er sprake is van geen dan wel verminderde toerekenbaarheid doordat zij niet alleen ernstig gekrenkt is door juist degenen die haar een veilige haven had moeten bieden, maar daarenboven ook door de eigen organisatie in de steek is gelaten. Pas na de melding op 27 september bij de eenheidsleiding zijn wel de goede stappen genomen. Dat eiseres onder sterke druk heeft gestaan blijkt ook wel uit het feit dat na de melding een eenheidspsycholoog werd ingeschakeld.

Strafontslag is onevenredig, bij ongeschiktheidsontslag had herstelkans geboden moeten worden

Eiseres betoogd dat al hetgeen is aangevoerd in ieder geval tot de conclusie moet leiden dat onvoorwaardelijk strafontslag onevenredig is ten opzichte van de aan eiseres gemaakte verwijten en de mate waarin deze haar kunnen worden aangerekend. Eiseres verdient dit niet als slachtoffer van een ernstige vorm van belaging door een leidinggevende. Herstel is niet een brug te ver.

5 Verweerder handhaaft in het verweerschrift zijn standpunt uit het bestreden besluit.

6 De relevante regels staan in de bijlage bij de uitspraak.

7 De rechtbank oordeelt als volgt.

8 De rechtbank stelt voorop dat zij met verweerder van oordeel is dat de wijze waarop de telefoon van eiseres is uitgelezen, niet heeft geleid tot het verkrijgen van onrechtmatig bewijs dat buiten beschouwing zou moeten worden gelaten. Eiseres gaf voor aanvang van het uitlezen van de telefoon aan dat zij [teamchef] in haar telefoon had opgeslagen onder de naam [schuilnaam] . Bij het gebruiken van deze zoekterm kwamen drie WhatsApp conversaties naar voren. Bij alle drie de conversaties was van de andere gebruiker slechts een telefoonnummer te zien. Eén nummer bleek van [teamchef] te zijn, een ander van [G] . Deze beide nummers konden worden gevonden binnen beschikbare informatie in de organisatie. Bij de laatste conversatie stond als profielfoto een persoon met een NRC-shirt aan. De verbalisant heeft aangegeven de conversatie doorgenomen te hebben om te bezien of het relevantie heeft voor het onderzoek.

Hoewel eiseres uitdrukkelijk alleen toestemming heeft gegeven om de conversaties met [teamchef] in te zien, acht de rechtbank het niet onrechtmatig dat verweerder aan de hand van het door eiseres genoemde alias [schuilnaam] een zoekslag heeft gedaan en ook andere conversaties waarin die alias voorkwam heeft onderzocht. Verweerder kon immers niet uitsluiten dat ook die andere conversaties relevante informatie zouden kunnen opleveren in het licht van de melding. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanleiding om aan te knopen bij de zogenaamde bureaulade jurisprudentie over ‘bijvangst’.1 Er is dan ook geen aanleiding om de in de conversaties gevonden informatie buiten beschouwing te laten. Deze beroepsgrond slaagt niet.

9 De rechtbank zal de overige beroepsgronden bespreken aan de hand van de verschillende verweten gedragingen. Per gedraging zal de rechtbank voor zover aan de orde ook in gaan op de gronden die eiseres aanvoert ten aanzien van de volledigheid van het onderzoek. De vraag of de gekozen maatregel van ontslag evenredig is komt aan het einde van de uitspraak aan bod.

9.1

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire straf aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak2 noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

9.2

Als eerste zal de rechtbank het verwijt bespreken van het niet melden van de relatie met [G] bij de leidinggevende en het niet naar waarheid verklaren over de relatie met [G] als haar hiernaar gevraagd werd.

De rechtbank heeft niet de overtuiging verkregen dat eiseres zich ten aanzien van deze gedraging schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Uit het dossier maakt de rechtbank op dat er voor september 2019 sprake was van een innige band, zoals eiseres ook erkent. Deze band bleek echter binnen de organisatie ook bekend maar daarop is geen actie genomen, anders dan de enkele vraag aan eiseres dan wel [G] of er sprake is van een relatie. In hun beleving was er van een relatie nog geen sprake, zodat zij deze vragen ontkennend beantwoordden. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat destijds reeds sprake was van een relatie. Bovendien, indien verweerder het vermoeden had dat er vanuit relationeel oogpunt meer speelde, dan had het, mede gelet op de vele meldingen die de leiding zou hebben ontvangen op weg van verweerder gelegen om daar op dat moment verdere stappen in te nemen.

9.3

Vervolgens komt de rechtbank bij het verwijt van het aanwenden van disproportioneel geweld naar een burger. Daarvan heeft verweerder ter zitting aangegeven dat dit verwijt is komen te vervallen nu het Openbaar Ministerie van oordeel is dat het geweldsgebruik van eiseres viel binnen de grenzen van de wet. Ook het verwijt van het doen van valse aangifte dan wel het opmaken van een meinedig proces-verbaal van bevindingen heeft verweerder laten vallen.

Verweerder heeft desgevraagd ter zitting laten weten dat het verwijt van het in strijd met de waarheid opstellen van de Word-bestanden “ [wordbestand 1] ” en “ [wordbestand 2] ” wel gehandhaafd wordt. In deze bestanden geeft eiseres een onjuiste voostelling van zaken rondom het gebruik van geweld bij de aanhouding van [verdachte] . Hiervan heeft de rechtbank de overtuiging gekregen dat eiseres de bestanden heeft opgemaakt en dat daarmee sprake is van plichtsverzuim. Daartoe acht de rechtbank het van belang dat de bestanden zijn opgemaakt en opgeslagen in het persoonlijke account van eiseres. Het verhaal van eiseres dat collega [J] dit gedaan zou hebben op haar computer acht de rechtbank niet aannemelijk. [J] is hierover ook gehoord en verklaarde dat hij de Word-bestanden niet zelf opgesteld heeft. De enkele stelling van eiseres dat het taalgebruik in de bestanden afwijkt van het hare is onvoldoende om aannemelijk te maken dat het [J] moet zijn geweest die ze opgesteld heeft. Daarbij stelt de rechtbank vast dat het Openbaar Ministerie in de afdoeningsbeslissing van 9 juli 2020 aangeeft dat de teksten door eiseres zijn geconcipieerd. De rechtbank vindt verder dat voldoende aannemelijk is geworden dat eisers in die documenten een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven ten aanzien van de gestelde mishandeling door verdachte [verdachte] . Nu die documenten door eiseres zijn opgesteld met het oogmerk om te worden opgenomen in de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen deelt de rechtbank het standpunt van verweerder dat sprake is van plichtsverzuim. Het is de rechtbank voorts niet gebleken dat deze gedraging eiseres niet valt toe te rekenen.

9.4

Van het verweten plichtsverzuim bestaande uit het doen van bevragingen van de politiesystemen voor privédoeleinden heeft de rechtbank niet de overtuiging verkregen dat sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim. Eiseres stelt immers dat zij toestemming had van het bevoegd gezag om deze bevragingen te doen. Het bevoegd gezag bestond in dit geval uit [teamchef] . Verweerder geeft aan dat [teamchef] hierover niet apart gehoord is. [K] , de andere teamchef naast [teamchef] , heeft desgevraagd aangegeven zich wel iets van een dergelijke toestemming te kunnen herinneren maar te weinig om er over te kunnen verklaren. Het is naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig van verweerder dat hier geen nader onderzoek naar gedaan is.

9.5

Ook voor wat betreft de tegenwerping van het verantwoorden van een groot aantal meer-uren in BVCM, terwijl zou zijn gebleken dat eiseres deze meer-uren niet daadwerkelijk heeft gewerkt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder hier onvoldoende zorgvuldig onderzoek naar gedaan heeft. Eiseres stelt immers dat [teamchef] toestemming heeft gegeven om de door haar gewerkte uren op deze wijze te laten registreren door [G] . Deze toestemming kan volgens eiseres terug gevonden worden in haar politiemail. Zij heeft dat herhaaldelijk aangegeven. Uit de verklaring van [G] van 18 juni 2020 blijkt ook dat er mailverkeer heeft plaatsgevonden tussen [G] en [teamchef] over de meer-uren van eisers. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat de politiemail van eiseres niet is uitgelezen omdat hiertoe geen noodzaak zou zijn. Daarbij acht verweerder van belang dat eiseres kortgezegd met [G] heeft besproken hoe zij van het probleem met de meer-uren zou kunnen afkomen. De rechtbank is echter met eiseres van oordeel dat het onzorgvuldig van verweerder is geweest om de politiemail van eiseres niet uit lezen. Immers zou daar relevante informatie over de gestelde toezegging van [teamchef] in terug gevonden kunnen worden. Gelet op het voorgaande is het voor de rechtbank niet aannemelijk geworden dat het registreren van deze uren toerekenbaar plichtsverzuim oplevert.

9.6

Tot slot komt de rechtbank toe aan de verweten gedraging van schending van de ambtseed/-belofte. Eiseres betwist niet dat zij informatie inzake [teamchef] doorgespeeld heeft aan [E] . Het ging daarbij om WhatsApp berichten van [teamchef] aan haar, een interne politiemail van [teamchef] , het politiemailadres van [teamchef] en de mededeling dat [teamchef] zijn vuurwapen en telefoon in zou moeten leveren en een week naar huis werd gestuurd. Dat feitelijk een verklaring uit het VIK-onderzoek is gedeeld is niet aannemelijk geworden, doch eisers heeft daarover wel met [E] gesproken. De rechtbank vindt met verweerder dat het hier vertrouwelijke politie-informatie betreft. Het delen daarvan levert schending van de ambtseed/belofte en de geheimhoudingsplicht op. Ook erkent eiseres dat zij haar contact met [E] tegenover de korpsleiding heeft verzwegen en daar niet naar waarheid over heeft verklaard, ook toen daarnaar gevraagd werd.

De rechtbank vindt dat deze gedragingen zijn te kwalificeren als ernstig plichtsverzuim.

9.7

Het betoog van eiseres komt er in de kern op neer dat zij geen andere keuze had dan dit te doen. Zij had er geen vertrouwen in dat een melding over het gedrag van [teamchef] door de leiding serieus zou worden opgepakt. Eiseres voelde zich verder door het gedag van [teamchef] niet veilig en onvoldoende beschermd door de organisatie. Daarmee is het plichtsverzuim niet aan te merken als toerekenbaar, aldus eiseres.

De vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak3 een vraag naar de juridische kwalificatie van het betrokken feitencomplex. Voor de toerekenbaarheid is niet van doorslaggevende betekenis of het gedrag psychopathologisch verklaarbaar is, maar of de betrokkene de ontoelaatbaarheid van dat gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het contact met [E] en het doorspelen van vertrouwelijke politie-informatie haar niet kan worden toegerekend. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 27 september 2019 in een gesprek met de politiechef eenheid Noord-Holland melding heeft gedaan van ongewenst gedrag door [teamchef] . Zij werd tijdens dat gesprek bijgestaan door haar vertrouwenspersoon. Eiseres voelde zich op 27 september 2019 dus in staat om die melding te doen. Ze geeft ook aan dat die melding vervolgens door de korpsleiding adequaat is opgepakt. Eisers heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat in de weken voor die melding sprake was van zodanige noodsituatie dat eiseres geen andere keus had dan zich op

18 september 2019 te wenden tot [E] en de onderhavige informatie met hem te delen. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiseres zich op 16 september 2019 ter zake heeft gewend tot vertrouwenswerk. Zij is daarna ook bijgestaan door een vertrouwenspersoon. Dat [A] tijdens het gesprek op 18 september 2019 pogingen van eiseres om de misdragingen van [teamchef] bespreekbaar te maken heeft afgehouden is niet aannemelijk geworden. Dit blijkt ook niet uit de verklaringen die [A] hierover heeft afgelegd. De rechtbank vindt niet dat verweerder de vertegenwoordiger van de vakbond, [vakbondsvertegenwoordiger] , die bij dat gesprek aanwezig was, had moeten horen. Het had op de weg van eiseres gelegen om haar stelling met een verklaring van [vakbondsvertegenwoordiger] te onderbouwen. Evenmin is aannemelijk geworden dat [A] informatie uit het gesprek heeft gedeeld met [teamchef] . Dat valt ook niet af te leiden uit de spraakberichten die [teamchef] naar eiseres stuurde. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het WhatsApp-verkeer en de spraakberichten van [teamchef] naar eiseres, gelet op de intensiteit en aard daarvan, impact zullen hebben gehad op eiseres, is de rechtbank onvoldoende gebleken dat het gedrag van [teamchef] dermate bedreigend was dat er voor haar geen andere optie resteerde dan zich te wenden tot [E] . Eiseres werd immers al bijgestaan door een vertrouwenspersoon en had zich eerder kunnen wenden tot de korpsleiding. Dat eiseres er voor 27 september (nog) geen vertrouwen in had dat ze serieus genomen zou worden door de korpsleiding is verder niet onderbouwd. De rechtbank wijst er daarbij op dat uit een verklaring van het lid van de korpsleiding [M] blijkt dat zij op 18 september 2019 door [H] op de hoogte is gebracht van grensoverschrijdend gedrag door [teamchef] jegens een medewerkster. Uit die verklaring blijkt ook dat [M] contact heeft opgenomen met de korpsvertrouwenspersoon die meldde dat vertrouwenswerk met deze zaak bekend was en dat er een goed contact was met de medewerkster in kwestie. Aangezien betrokkene zich toen nog niet veilig voelde om de zaak al met de leiding te delen, is door de korpsvertrouwenspersoon dringend verzocht nog even niets te doen en vertrouwenswerk af te wachten. Hieruit blijkt evenmin dat de korpsleiding de kwestie niet serieus nam. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om te oordelen dat verweerder de betrokken vertrouwenspersonen had moeten horen. De rechtbank vindt dat het veeleer op de weg van eiseres had gelegen om haar stellingen met verklaringen van de vertrouwenspersonen te onderbouwen.

Ook het betoog van eiseres dat haar vertrouwen in de organisatie een deuk had gekregen nadat haar klokkenluiderschap op de Hoefkade niet goed is opgepakt, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende reden om het contact met [E] te verantwoorden. Eiseres had immers de keuze om met andere vertrouwenspersonen binnen de organisatie in contact te treden. Zij heeft verder niet aangegeven dat de bijstand door de vertrouwenspersonen ten tijde hier van belang tekortschoot. Het had ook tot de mogelijkheden behoord om het verhaal veilig te stellen bij een andere professionele partij dan een journalist. Te denken valt bijvoorbeeld aan een advocaat. Ter zitting heeft eiseres ook erkend dat zij wist dat [E] de door haar gegeven informatie als journalist zou kunnen openbaren.

De rechtbank acht het daarom aan eiseres toe te rekenen dat zij informatie met [E] gedeeld heeft en daarover niet eerlijk is geweest.

10 Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder bevoegd om aan eiseres een disciplinaire straf op te leggen voor het in strijd met de waarheid opstellen van de Word-bestanden “ [wordbestand 1] ” en “ [wordbestand 2] ” en voor de schending van de ambtseed/-belofte en het vertonen van gezagsondermijnend gedrag door het delen van informatie met [E] en het niet naar waarheid verklaren daarover. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen zijn te kwalificeren als ernstig plichtsverzuim die op zichzelf al de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk strafontslag kunnen dragen. De rechtbank onderkent dat het ontslag voor eiseres ingrijpende gevolgen heeft, nu zij door deze maatregel haar baan en daarmee haar inkomen heeft verloren. De rechtbank acht het ontslag echter gelet op de aard en ernst van de verweten gedragingen niet onevenredig zwaar. Het had eiseres bekend moeten zijn dat het in strijd met de ambtseed/-belofte en de geheimhoudingsplicht delen van politie-informatie met de pers en het daarover niet eerlijk verklaren niet aanvaardbaar is. Het imago van de organisatie en het vertrouwen in eiseres is daarmee ook fors geschaad. Dat geldt ook voor het in strijd met de waarheid opmaken van de betreffende Word-bestanden, met het kennelijk oogmerk deze op te nemen in een proces-verbaal,

Dat eiseres ernstige druk ervoer door het gedrag van [teamchef] maakt naar het oordeel van de rechtbank ook niet dat de straf niet evenredig is. Zoals overwogen in rechtsoverweging 9.7 is de rechtbank niet gebleken van een zodanige noodsituatie dat anders handelen van eiseres niet gevergd zou mogen worden.

9 Omdat het primaire strafontslag in stand blijft, kan de subsidiaire ontslaggrond buiten bespreking blijven.4

10 Het beroep is ongegrond

11 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzitter, en mr. J.S. van Duurling en mr. A. Drahmann, leden, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Besluit algemene rechtspositie politie

In artikel 76, eerste lid, van het Barp is bepaald dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt disciplinair kan worden gestraft. Ingevolge het tweede lid van dat artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp kan als disciplinaire straf onvoorwaardelijk ontslag aan de ambtenaar worden opgelegd.

1 Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1247

2 Zie bijvoorbeeld uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997

3 Zie bijvoorbeeld uitspraak de Centrale Raad van Beroep van 11 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4155)

4 Zie de uitspraak van de Raad van 15 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4946.