Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:1080

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
16-02-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6581
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZW. Eiser is ontvankelijk in zijn beroep. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/6581

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2021 de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.I. Bal),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: B.M. de Wolff).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die eiser ontving ingevolge de Ziektewet (ZW) per 7 maart 2019 beëindigd.

Bij besluit van 24 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met instemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Wat ging er aan de zaak vooraf?

1. Eiser is per 30 september 2015 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Op 14 december 2015 heeft eiser zich vanuit de WW ziekgemeld vanwege oogklachten en klachten aan de linkerzijde van zijn lichaam. Vervolgens is aan hem een ZW-uitkering toegekend per 14 maart 2016. In het kader van de zogeheten Eerstejaars ZW-beoordeling zijn de beperkingen van eiser door een verzekeringsarts vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 oktober 2016. Aan de hand van deze FML zijn door een arbeidsdeskundige in het rapport van
23 november 2016 de volgende voorbeeldfuncties voor eiser geduid: Productiemedewerker papier, karton, drukkerij (SBC-code 111174), Productiemedewerker metaal- en elektro-industrie (SBC-code 111171), Samensteller metaalwaren (SBC-code 264140) en Medewerker kleding en textielreiniging (SBC-code 111161). Eiser kon met deze functies meer dan 65% verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd en daarom heeft verweerder zijn ZW-uitkering beëindigd per 13 januari 2017. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is, ondanks een aangepaste FML van 16 mei 2017 en heroverweging van een arbeidsdeskundige, bij besluit 13 juni 2017 ongegrond verklaard. Eiser is daarop in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Op 13 oktober 2017 heeft eiser zich vanuit de WW ziek gemeld vanwege toegenomen klachten van de nek, rug, linkerarm, linkerhand, linkervoet, visusproblemen en daarnaast kampt hij met psychische klachten. Bij besluit van 1 november 2017 heeft verweerder geweigerd aan eiser een ZW-uitkering toe te kennen, omdat eiser volgens verweerder geschikt is voor zijn eigen werk. Het door eiser tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 20 maart 2018 ongegrond verklaard. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser, wegens overgevoeligheid voor stof, ongeschikt is voor de functie Productiemedewerker papier, karton, drukkerij. Eiser is volgens verweerder wel geschikt voor de functies Productiemedewerker metaal- en elektro-industrie en Samensteller metaalwaren. Het beroep dat eiser heeft ingesteld is door deze rechtbank bij uitspraak van 19 december 2018 ongegrond verklaard. In de onderhavige procedure gaat het om wat er daarna is gebeurd.

2.1.

Op 4 december 2018 heeft eiser zich vanuit de WW ziek gemeld vanwege een longontsteking (pneumonie). Vervolgens is aan hem een ZW-uitkering toegekend. Vanwege een beoordeling in het kader van de Wet verbetering poortwachter is eiser op 7 maart 2019 uitgenodigd voor een spreekuur bij de primaire verzekeringsarts. Deze arts heeft zijn bevindingen neergelegd in het rapport van 7 maart 2019. In voornoemd rapport staat onder meer vermeld dat eiser heeft verklaard naast de longontsteking nog steeds belemmeringen te ervaren vanwege zijn oogklachten en dat daarnaast sprake is van toegenomen klachten ten aanzien van zijn nek, linkerarm en hand. De primaire verzekeringsarts komt ten aanzien van de bekende klachten tot de conclusie dat er geen nieuwe diagnoses zijn gesteld en dat er geen evidente oorzaak is voor de (subjectieve) toegenomen klachten die eiser ervaart. Daarnaast is er volgens de primaire verzekeringsarts onveranderd sprake van oogklachten. Voornoemde leidt de primaire verzekeringsarts tot de conclusie dat eiser (conform vorige beoordeling en uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 december 2018) geschikt is voor ten minste één van de geduide functies. Voorts komt de primaire verzekeringsarts tot de conclusie dat eiser vanwege de longontsteking per datum ziekmelding arbeidsongeschikt werd geacht, echter is hij per datum spreekuur voldoende hersteld om aan te nemen dat hij weer in staat is om de geduide functies te verrichten.

2.2.

Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen. Bij het primaire besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser vanaf 7 maart 2019 weer geschikt is te achten voor zijn eigen werk.

3.1.

Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. De verzekeringsarts b&b heeft eiser op 6 juni 2019 gezien. Daarnaast is dossierstudie verricht. De verzekeringsarts b&b heeft zijn bevindingen neergelegd in het rapport van 21 juni 2019. In dit rapport staat onder meer vermeld dat eiser zich volledig arbeidsongeschikt acht. Volgens de verzekeringsarts b&b heeft eiser tijdelijk toegenomen/andere klachten gehad als gevolg van een longontsteking en is aannemelijk dat hij daardoor enige tijd ongeschikt is geweest voor zijn arbeid. De verzekeringsarts b&b concludeert vervolgens dat eiser van de infectie is hersteld, dat verwijzing naar een specialist niet is geschied en thans de klachten waarmee hij al bekend was, in het bijzonder de klachten van de linkerzijde van het lichaam, weer op de voorgrond staan. Ten aanzien van de bekende klachten komt de verzekeringsarts b&b tot de conclusie dat er geen nieuwe ontwikkelingen zijn en dat de primaire verzekeringsarts bij eigen onderzoek ook geen duidelijke afwijkingen heeft kunnen objectiveren. Tot slot stelt de verzekeringsarts b&b dat het een misvatting is van eiser dat door de primaire verzekeringsarts toegenomen beperkingen zijn aangenomen. De primaire verzekeringsarts heeft juist aangegeven dat die er tijdelijk wel waren door de longontsteking, maar bij de beoordeling op 7 maart 2019 niet meer. De verzekeringsarts b&b ziet geen aanleiding om het standpunt van de primaire verzekeringsarts te herzien.

3.2.

Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen voornoemde achtergrond ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Het bestreden besluit berust aldus eveneens op het standpunt dat eiser vanaf 7 maart 2019 weer geschikt is te achten voor zijn eigen werk.

Standpunt van eiser

4. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Volgens eiser is het bestreden besluit niet op een juiste wijze bekendgemaakt. Het bestreden besluit is pas op 30 september 2019 naar de gemachtigde van eiser verstuurd. Inhoudelijk betoogt eiser dat zijn gezondheidsklachten zijn onderschat. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser uiteengezet dat de longklachten niet van tijdelijke aard zijn, de overgevoeligheid voor stof blijvend is en dat sprake is van toegenomen klachten. Volgens eiser heeft de primaire verzekeringsarts aanvullende beperkingen aangenomen voor tillen/dragen, frequent zware lasten hanteren en veelvuldige hoofdbewegingen tot maximale uitslag. Voor de functie productiemedewerker papier, karton, drukkerij is hij reeds op 9 maart 2018 ongeschikt geacht. Door de toegenomen beperkingen is eiser voorts ongeschikt voor de overige geduide functies.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid

5.1.

De rechtbank dient allereerst te beoordelen of het beroep van eiser ontvankelijk is. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb te lopen op de dag na de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Bekendmaking van een besluit kan op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschieden door het besluit aan de belanghebbende per post toe te sturen. Als de belanghebbende een gemachtigde heeft (zoals bijvoorbeeld een advocaat) moet het besluit ingevolge artikel 6:17 van de Awb aan de gemachtigde worden toegestuurd. Als de ontvangst van het besluit wordt ontkend, moet het bestuursorgaan aannemelijk maken dat het besluit per post is verzonden naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering, een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie.

5.2.

Het bestreden besluit is gedateerd op 24 juni 2019. Dit betekent dat bij toezending van dit besluit op die dag, de beroepstermijn is aangevangen op 25 juni 2019 en de termijn om beroep in te stellen eindigde op 5 augustus 2019. Het pro forma beroepschrift is op
10 oktober 2019 en derhalve na het verstrijken van de beroepstermijn ingediend. De gemachtigde van eiser heeft betoogd dat het bestreden besluit pas op 30 september 2019 op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt, zodat zijn beroepschrift ontvankelijk is. Verweerder daarentegen heeft verklaard dat het bestreden besluit op 24 juni 2019 naar het kantoor van de gemachtigde van eiser is verstuurd. Verweerder heeft verschillende stukken overgelegd om verzending van het bestreden besluit naar de gemachtigde van eiser aannemelijk te maken. Verweerder heeft echter geen verzendadministratie kunnen overleggen. Dit betekent dat verweerder verzending van het bestreden besluit niet aannemelijk heeft gemaakt en de beroepstermijn niet is aangevangen op 25 juni 2019. Hoewel het de rechtbank, evenals verweerder, bevreemdt dat de gemachtigde van eiser pas op 25 september 2019 een ingebrekestelling heeft verstuurd en diezelfde dag bij het KCC een kopie van het bestreden besluit heeft opgevraagd, acht de rechtbank het voorgaande onvoldoende om te oordelen dat de ontkenning van de ontvangst van het bestreden besluit door de gemachtigde van eiser (advocaat) ongeloofwaardig is. Het bestreden besluit is met toezending naar de gemachtigde van eiser op 30 september 2019 op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Het beroepschrift, gedateerd op 10 oktober 2019, is daarmee tijdig ingediend. Het voorgaande brengt met zich dat het beroep ontvankelijk is en de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling.

Inhoudelijke beoordeling
5.3. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de eerstejaars ZW-beoordeling. Het gaat daarbij om elk van de functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies.1

5.4.

De rechtbank stelt vast dat de eerdere eerstejaars ZW-beoordeling nu niet ter discussie staat. De uitkomsten daarvan worden in de onderhavige procedure als uitgangspunt aangenomen. Dit betekent dat verweerder terecht – en in lijn met vaste rechtspraak van de CRvB – heeft beoordeeld of eiser ten tijde van de datum in geding geschikt was voor ten minste één van de eerder geduide functies. Daarbij overweegt de rechtbank dat in de beroepsprocedure die ging over de ziekmelding per 13 oktober 2017, door de verzekeringsarts b&b op 9 maart 2018 is aangenomen dat eiser wegens overgevoeligheid voor stof ongeschikt is voor de functie Productiemedewerker papier, karton, drukkerij. De arbeidsdeskundige b&b heeft zich in die procedure op
24 september 2018 voorts op het standpunt gesteld dat de functie van Medewerker kleding en textielreiniging, gelet op de temperatuur en luchtvochtigheid, vanuit arbeidsdeskundig oogpunt minder bruikbaar is. Derhalve dienen volgens hem alleen de functies van Productiemedewerker metaal- en elektro-industrie en Samensteller metaalwaren ten grondslag gelegd te worden aan de arbeidsgeschiktheid verklaring per 13 oktober 2017. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 19 december 2019 geoordeeld dat eiser per

13 oktober 2017 in staat moet worden geacht om één van die twee functies te verrichten. Nu niet is gebleken van een veranderde situatie op dit punt, dient de rechtbank in de onderhavige zaak te beoordelen of eiser terecht geschikt is geacht voor één van deze functies.

5.5.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder de rapporten van de verzekeringsartsen mag volgen als aan drie voorwaarden is voldaan. De rapporten moeten zorgvuldig zijn opgesteld, ze mogen niet tegenstrijdig zijn en ze moeten begrijpelijk zijn. Als eiser vindt dat het rapport niet aan deze voorwaarden voldoet, dan moet hij uitleggen waarom hij dat vindt. Als eiser het niet eens is met de beoordeling van de verzekeringsartsen, dan moet hij in beginsel een rapport van een andere arts inbrengen waaruit blijkt dat de beoordeling onjuist is. Het is onvoldoende als eiser alleen zijn gezondheidsklachten noemt.

5.6.

In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de zorgvuldige totstandkoming van het medisch rapport dat verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. De primaire verzekeringsarts heeft eiser gezien en onderzocht. Er heeft een hoorzitting plaatsgevonden – waarbij de verzekeringsarts b&b eiser heeft gezien – en daarnaast zijn de dossiergegevens bestudeerd. Alle beschikbare informatie en de door eiser geuite gezondheidsklachten zijn naar het oordeel van de rechtbank kenbaar in de beoordeling van de verzekeringsarts b&b betrokken.

5.7.

Voor zover eiser in beroep heeft betoogd dat zijn longklachten zijn onderschat, faalt dit betoog. De verzekeringsarts b&b heeft naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd waarom er vanuit medisch oogpunt geen aanleiding is om verdergaande of andersoortige beperkingen aan te nemen vanwege de longklachten. Volgens de verzekeringsarts b&b is ten tijde van de ziekmelding sprake geweest van arbeidsongeschiktheid als gevolg van een longontsteking, echter zijn deze per datum in geding niet meer aanwezig. Het ‘pufje’ geeft de verzekeringsarts b&b evenmin aanleiding eiser meer beperkt te achten. De rechtbank kan deze conclusies volgen. Niet is gebleken dat eiser vanwege de (aanhoudende) longklachten naar een specialist is geweest, zodat (eventuele) verdergaande beperkingen kunnen worden geobjectiveerd. Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b voldoende duidelijk gemotiveerd waarom eiser vanwege deze klachten niet ongeschikt is te achten voor zijn eigen werk.

5.8.

Eisers beroepsgrond dat sprake is van een toename van de reeds bekende klachten slaagt evenmin. De rechtbank neemt hiertoe allereerst in overweging dat het merendeel van de klachten die eiser ervaart al zijn betrokken bij de Eerstejaars ZW-beoordeling. Dit betekent dat bij het duiden van de voorbeeldfuncties al rekening is gehouden met beperkingen ten aanzien van de visus en de klachten aan de linker (onder)arm. Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b voldoende duidelijk gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien af te wijken van de conclusie van de primaire verzekeringsarts dat per datum in geding niet kan worden uitgegaan van toegenomen beperkingen ten aanzien van de reeds bekende klachten. Ter onderbouwing daarvan heeft de verzekeringsarts b&b uiteengezet dat ten aanzien van deze klachten geen nieuwe ontwikkelingen bekend zijn geworden en dat de primaire verzekeringsarts bij eigen onderzoek ook geen duidelijke afwijkingen heeft kunnen objectiveren. De rechtbank kan deze conclusies volgen. Niet is gebleken van nieuwe onderzoeken/behandelingen op grond waarvan een toename in beperkingen is vastgesteld. Hoewel de rechtbank zich bewust is dat eiser zelf zijn klachten als ernstig invaliderend ervaart, kan de rechtbank bij de onderhavige beoordeling niet uitsluitend afgaan op hoe eiser zijn klachten zelf ervaart. In het kader van de arbeidsongeschiktheidswet en regelgeving is het immers noodzakelijk dat subjectieve klachten (kunnen) worden vertaald naar beperkingen. Dat kan alleen als die klachten ook een medisch objectieve onderbouwing hebben. Zonder afbreuk te willen doen aan de door eiser ervaren impact van zijn klachten op het dagelijks leven, ontberen de door eiser ervaren toegenomen klachten die noodzakelijke medisch objectieve onderbouwing.

5.9.

Hetgeen is overwogen onder punt 5.7. en 5.8. leidt tot de slotsom dat de rechtbank evenmin aanleiding ziet om het door verweerder uitgevoerde medisch onderzoek en de daarop gebaseerde conclusies voor onjuist te houden.

Conclusie

6. Het vorenstaande betekent dat verweerder de ZW-uitkering van eiser terecht en op goede gronden met ingang van 7 maart 2019 heeft beëindigd.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.B. Wijnholt, rechter, in aanwezigheid van
mr. L. Lemmen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1212.