Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:10572

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
28-09-2021
Zaaknummer
SGR 20/3848
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Accijns; accijnsgoederenplaats; beschikking zekerheidstelling; toepassing matigingsbeleid paragraaf 4.3 van onderdeel 30.60.00 van het Handboek Accijns. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding tot een verdere matiging van het zekerheidspercentage dan tot op 50%, omdat i) eiseres geen adequate administratieve organisatie en interne beheersingsmaatregelen heeft en ii) eiseres niet voldoende financieel draagkrachtig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-9-2021
V-N Vandaag 2021/2270
FutD 2021-3047
NLF 2021/1914
V-N 2021/44.18.9
DouaneUpdate 2021-0473
Douanerechtspraak 2021/120
NTFR 2021/3704 met annotatie van mr. S. El Oiskhiri
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 20/3848

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Andringa),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder

Procesverloop

Bij beschikking van 15 april 2019 heeft verweerder de doorlopende zekerheid voor de vergunning opslag in een accijnsgoederenplaats van eiseres nader vastgesteld op een bedrag van € 488.350,68 (de beschikking).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 december 2019 het bedrag van de doorlopende zekerheid verlaagd naar € 269.026,76.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2021.

Eiseres is vertegenwoordigd door [A] , bijgestaan door [boekhouder] (boekhouder) en mr. R. Andringa en mr. J.J.L.M. Daems (gemachtigden). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [B] en mr. [C] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres houdt zich als dienstverlenend bedrijf bezig met het beschikbaar stellen van een opslaglocatie voor alcoholische en niet-alcoholische dranken en verzorgt het vervoer van deze dranken van en naar derden. De heer [A] ( [A] ) is enig aandeelhouder en bestuurder (alleen/zelfstandig bevoegd) van eiseres.

2. Aan eiseres is een vergunning opslag in een accijnsgoederenplaats verleend. Met deze vergunning mag eiseres bepaalde accijnsgoederen (bier en wijn) onder schorsing van accijns ontvangen in, voorhanden hebben in en overbrengen uit de accijnsgoederenplaats (de AGP). De AGP is gelegen te [plaats 2] .

3. Voorafgaand aan de vergunningverlening heeft de Belastingdienst/Douane een initieel onderzoek ingesteld bij eiseres, waarvan de bevindingen zijn vastgelegd in het controlerapport d.d. 17 oktober 2014.

4. Eiseres heeft als vergunninghouder van de AGP op grond van het bepaalde in artikel 56 van de Wet op de accijns (de WA) juncto art 22 Uitvoeringsregeling accijns zekerheid moeten stellen voor de accijns die zij verschuldigd is of kan worden in Nederland dan wel in een andere lidstaat. Bij de vergunningverlening is (op basis van de destijds beschikbare gegevens) de hoogte van de te stellen zekerheid door de inspecteur bij beschikking van 29 oktober 2014 vastgesteld op € 42.500, zijnde 50% van het destijds berekende accijnsbelang.

5. In de eerste helft van 2015 heeft eiseres elf zendingen bier en wijn naar Engeland onder schorsing van accijns verricht. Voor iedere zending is een elektronisch administratief document (e-AD (elektronisch accijnsgeleidedocument)) opgemaakt. De accijnsgoederen die deel uitmaakten van de elf zendingen zijn niet door de geadresseerde in Engeland ontvangen. De bijbehorende e-AD’s zijn niet afgemeld in EMCS. Deze onregelmatigheden worden op grond van artikel 2c, derde lid, van de WA geacht in Nederland te hebben plaatsgevonden bij de start van de overbrenging van de goederen. In oktober 2016 is daarom aan eiseres een naheffingsaanslag accijns opgelegd voor een bedrag van € 82.595 aan accijns, € 2.670 aan belastingrente en een verzuimboete (10%) van € 8.259,50, in totaal € 93.524,50. Het bezwaar van eiseres hiertegen is afgewezen.

In de uitspraak op bezwaar is – onder andere – de volgende passage opgenomen:

“De verzuimboete is aan [eiseres] opgelegd op grond van het feit dat er geen accijnsaangifte is gedaan op het moment dat blijkt dat een e-AD niet afgemeld wordt. Paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst gaat er vanuit dat [eiseres] “ten onrechte niet heeft verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte”, hetgeen een verzuim betekent. Ook al treft [eiseres] geen schuld voor wat betreft het niet afmelden van een e-AD, blijft er sprake van een verzuim vanwege het niet doen van aangifte wanneer [eiseres] die onregelmatig[heid] opmerkt.”

6. Met dagtekening 7 november 2017 is aan eiseres een naheffingsaanslag accijns opgelegd voor een bedrag van in totaal € 29.008 aan accijns en € 870 aan belastingrente. Deze aanslag ziet op drie zendingen bier naar Engeland onder schorsing van accijns. Tijdens een administratieve controle bij eiseres op 28 september 2017 heeft de Belastingdienst/Douane onregelmatigheden geconstateerd ten aanzien van deze drie zendingen. Deze zendingen zijn in 2016 niet afgemeld in EMCS als ontvangen door de geadresseerde.

7. Bij de beschikking van 15 april 2019 heeft verweerder op grond van een berekening van het accijnsbelang over de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 het bedrag aan te stellen zekerheid opnieuw vastgesteld, en wel op een bedrag van € 488.350,68. Eiseres heeft in bezwaar de volgende gronden aangedragen:

1) dat het accijnsbelang over een onjuiste periode en op een te hoog bedrag is berekend en 2) dat ten onrechte geen matiging van de zekerheidsstelling (tot 10% dan wel 25% van het accijnsbelang) is verleend.

8. Met dagtekening 30 oktober 2019 is aan eiseres een naheffingsaanslag accijns opgelegd voor een bedrag van € 1.055.004 aan accijns, € 97.689,00 aan belastingrente en een verzuimboete van € 60.922,60 en een vergrijpboete van € 111.444,50, in totaal € 1.325.060,10. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt; op dit bezwaar is nog niet beslist.

9. Bij de uitspraak op bezwaar van 4 december 2019 is verweerder gedeeltelijk aan de bezwaren van eiseres tegemoetgekomen, in die zin dat het accijnsbelang en daarmee de hoogte van de te stellen zekerheid is verlaagd van € 488.350,68 naar € 269.026,76. Daarbij heeft verweerder de zekerheidsstelling niet gematigd, omdat eiseres volgens hem niet aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoet.

Geschil

10. In geschil is of de beschikking na bezwaar op een juist bedrag is vastgesteld. Het geschil beperkt zich tot de vraag of eiseres voldoet aan de voorwaarden van het matigingsbeleid (zie hierna onder 15), en wel zodanig dat de te stellen zekerheid behoort te worden gematigd tot 10% van het accijnsbelang (primaire standpunt van eiseres) dan wel tot 25% van het accijnsbelang (subsidiaire standpunt eiseres), dan wel tot 50% van het accijnsbelang (meer subsidiaire standpunt van eiseres en primaire standpunt van verweerder).

Niet meer in geschil is dat het accijnsbelang (afgerond) € 269.026 bedraagt.

11. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en matiging van het zekerheidspercentage tot op 10% (primair) dan wel 25% (subsidiair) dan wel 50% (meer subsidiair).

12. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en matiging van het zekerheidspercentage tot op 50%.

Beoordeling van het geschil

13. In artikel 56, eerste lid, van de WA is bepaald dat de AGP-vergunninghouder zekerheid moet stellen voor de accijns die hij verschuldigd is of kan worden.

14. Op grond van artikel 56, zesde lid, van de WA kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld voor het bepalen van de hoogte van het bedrag van de zekerheid. Dit is voor de AGP-vergunninghouder nader uitgewerkt in artikel 22 Uitvoeringsregeling accijns.

De zekerheid wordt daarbij bepaald op basis van het accijnsbelang. Het vierde lid van laatstgenoemd artikel luidt: “De zekerheid bedraagt ten minste 5 percent en ten hoogste 100 percent van het accijnsbelang met een maximum van € 9 000 000”.

15. In paragraaf 4.3 van onderdeel 30.60.00 van het Handboek Accijns zijn criteria voor het vaststellen van de hoogte van de zekerheid opgenomen. Daarin zijn percentages van het accijnsbelang en de criteria die voor de verschillende percentages gelden vermeld, die kunnen worden toegepast om de hoogte van het bedrag aan zekerheid vast te stellen (het matigingsbeleid). Om voor de door eiseres geclaimde percentages (primair 5%, subsidiair 10 %, meer subsidiair 25%) dan wel het door verweerder in beroep gestelde percentage van 50% in aanmerking te komen, moet – kort gezegd – aan de volgende eisen zijn voldaan.

1) Een zekerheidspercentage De ondernemer:

van 5% of maximum van € 9 mln. *heeft met de Belastingdienst/Douane een

of € 2,25 mln. convenant afgesloten (horizontaal toezicht) of

* heeft een AEO-status “customs” (fiscaal)

of “full” (fiscaal en veiligheid) van de

Belastingdienst/Douane gekregen.

2) Een zekerheidspercentage De ondernemer:

van 10% of maximum van € 9 mln. *is bekend bij Belastingdienst/Douane en

of € 2,25 mln. *heeft een adequate ao/ib (administratieve

organisatie en interne beheersingsmaat-

regelen) en

*is voldoende financieel draagkrachtig en

*dient zijn belastingaangiften juist, tijdig

en volledig in en

* heeft een correct betalingsgedrag en

* veroorzaakt niet meer dan marginale

correcties bij aangiftecontroles.

3) Een zekerheidspercentage Als 2) maar de ondernemer:

van 25% of maximum van € 9 mln. *heeft geen adequate ao/ib, waardoor

of € 2,25 mln. compenserende werkzaamheden door

Belastingdienst/Douane noodzakelijk zijn

of

* is niet voldoende financieel draag-

krachtig.

4) Een zekerheidspercentage Als 2) of 3), maar de ondernemer:

van 50% of maximum van € 9 mln. *heeft geen adequate ao/ib, waardoor

of € 2,25 mln. compenserende werkzaamheden door

Belastingdienst/Douane noodzakelijk zijn

en

* is niet voldoende financieel draag-

krachtig.

Hierbij is – voor zover hier van belang – de volgende toelichting gegeven:

“Adequate administratieve organisatie en interne beheersing

Er is sprake van een adequate administratieve organisatie en interne beheersing, indien dat uit een door de inspecteur ingesteld (initieel) onderzoek blijkt.

Financieel draagkrachtig

Om voor een mogelijke verlaging van de zekerheid in aanmerking te komen zal de ondernemer onder meer moeten aantonen dat hij voldoende financieel draagkrachtig is.

Het begrip “voldoende financieel draagkrachtig” betreft verschillende factoren zoals solvabiliteit, liquiditeit, vermogenspositie en de wijze waarop de belanghebbende financiële risico’s heeft afgedekt. Het gaat er om dat de ondernemer de eventuele accijnsschuld kan betalen. Het criterium financiële draagkracht ziet op het gegeven dat de ondernemer kan betalen en niet hoe. Indien de ondernemer beschikt over een gegarandeerde kredietfaciliteit (bijv. een kredietruimte op de rekening courant bij de bank of een toezegging van de moedermaatschappij), waaruit hij de eventuele accijnsschuld kan voldoen, kan dus ook aan dit criterium worden voldaan. Omdat de financiële draagkracht op korte termijn kan veranderen is een regelmatige toetsing hiervan vereist.”

16. Volgens verweerder voldoet eiseres niet aan de criteria voor de onder 15 onder 1), 2) en 3) genoemde percentages, omdat i) eiseres geen adequate administratieve organisatie en interne beheersingsmaatregelen (AO/IB) heeft en ii) eiseres niet voldoende financieel draagkrachtig is. Dat eiseres voldoet aan de eisen om in aanmerking te komen voor een matiging van het zekerheidspercentage tot 50% wordt door verweerder in beroep erkend.

17. De rechtbank volgt verweerder in zijn hiervoor weergegeven standpunten – en verwerpt dus het primaire- en subsidiaire standpunt van eiseres – en overweegt daartoe het volgende.

18. Om in aanmerking te komen voor de door eiseres primair en subsidiair bepleite zekerheidspercentages van 10% dan wel 25%, dient sprake te zijn van een adequate AO/IB en/of dient eiseres voldoende financieel draagkrachtig te zijn.

De AO/IB

19. De rechtbank is van oordeel dat een adequate AO/IB waarborgen biedt omtrent de juiste, tijdige en volledige vastlegging van alle bedrijfsactiviteiten en dat alleen indien voldoende controletechnische functiescheiding binnen de onderneming bestaat, sprake kan zijn van een adequate AO/IB. Immers, de AO/IB is nodig om inzichtelijk en controleerbaar te maken wat er met de accijnsgoederen gebeurt en dat de benodigde documenten correcte informatie bevatten. Zonder een voldoende controletechnische functiescheiding is dat naar het oordeel van de rechtbank niet, althans niet voldoende mogelijk. Hierbij valt, zoals verweerder ook heeft aangevoerd, te denken aan een scheiding van functies als beschikken, uitvoeren, bewaren, registreren en controleren.

20. De rechtbank constateert dat een dergelijke functiescheiding bij eiseres niet mogelijk is, omdat bij eiseres in feite slechts twee functionarissen (één directeur en één medewerker) werkzaam zijn die al de benodigde functies vervullen. Weliswaar heeft eiseres een en ander vastgelegd in een procedurehandboek waarmee op papier een juiste, tijdige en volledige vastlegging van alle bedrijfsactiviteiten gegarandeerd lijkt. Echter, doordat de verschillende functies zijn neergelegd bij zo weinig personen, is materieel geen sprake meer van een scheiding van functies. Daarmee is een controle technische functiescheiding niet mogelijk. Dit betekent dat het controlesysteem van eiseres in zoverre niet voldoet aan de eisen en dat geen sprake is van een adequate (betrouwbare) AO/IB.

21. Voor zover eiseres meent dat uit de omstandigheid dat aan haar een vergunning opslag in een accijnsgoederenplaats is verleend, volgt dat wel degelijk sprake is van een adequate AO/IB en dat verweerder dat ook heeft erkend en vastgesteld, volgt de rechtbank haar daarin niet. De eisen voor de vergunningverlening zijn kennelijk anders dan de eisen voor zekerheidsstelling en het matigingsbeleid waarop eiseres zich hier beroept. Dit volgt reeds uit het gegeven dat het matigingsbeleid ook de mogelijkheid biedt de zekerheidstelling voor de AGP-vergunninghouder te matigen tot op 50% van het accijnsbelang in de situatie dat er geen adequate AO/IB is. Daaruit blijkt dat voor het matigingsbeleid andere – strengere – eisen gelden voor de AO/IB dan voor de daaraan voorafgaande vergunningverlening.

De financiële draagkracht

22. Ook is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet voldoende draagkrachtig is in de zin van het matigingsbeleid. Anders dan eiseres kennelijk meent, is daarbij haar solvabiliteit niet doorslaggevend. Zoals verweerder terecht heeft aangevoerd, moet de financiële draagkracht breder worden gezien, hetgeen ook volgt uit de hiervoor onder 15 opgenomen toelichting bij het matigingsbeleid. Het gaat er niet alleen om dat de onderneming solvabel is, het gaat er in ruimere zin om dat de ondernemer de eventuele accijnsschuld kan betalen. Daarbij zijn ook de liquiditeit, vermogenspositie en de wijze waarop de belanghebbende financiële risico’s heeft afgedekt van belang. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in ruimere zin in staat is om een eventuele accijnsschuld te betalen. Gezien enerzijds de omvang van de liquide middelen (€ 125.079) en het eigen vermogen (€ 175.714) zoals die uit de jaarrekening 2018 blijken en anderzijds de omvang van de correcties die de laatste jaren zijn toegepast, kan niet worden geoordeeld dat eiseres financieel voldoende draagkrachtig is om een matiging tot 10% of 25% te rechtvaardigen. Niet alleen staat vast dat eiseres de correctie van ruim € 1.000.000 – die overigens door haar wordt betwist en nog niet onherroepelijk vaststaat – niet kan betalen, ook de eerdere correcties zijn van een zodanige omvang dat daarvan ook niet op voorhand kan worden aangenomen dat eiseres daarvoor financieel draagkrachtig genoeg is. De rechtbank acht in dit verband ook van belang dat het accijnsbelang in dit geval de omvang van de liquide middelen en het eigen vermogen overstijgt, en dat het in de branche van eiseres veelal om grote bedragen en grote risico’s gaat, hetgeen ook blijkt uit de (hoogte van de) aan eiseres opgelegde naheffingsaanslagen.

23. Dat eiseres – naar zij stelt – geen schuld heeft ten aanzien van de opgelegde naheffingsaanslagen en in feite ook niet anders kon handelen dan zij heeft gedaan, is, wat daar ook van zij, in dit verband niet relevant. Het gaat hier immers om een risicoaansprakelijkheid. De gestelde afwezigheid van schuld is daardoor irrelevant voor de voor de betaling benodigde financiële draagkracht.

Conclusie matigingsbeleid

24. Nu de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een adequate AO/IB en dat eiseres ook niet financieel draagkrachtig is in de zin van het matigingsbeleid, dient het zekerheidspercentage overeenkomstig het alsdan eenstemmige meer subsidiaire standpunt van eiseres en primaire standpunt van verweerder te worden gematigd tot op 50% van het accijnsbelang, te weten € 134.513 (50% van € 269.026). Die matiging is ook in lijn met het matigingsbeleid zoals hiervoor weergegeven.

25. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

26. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.026 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    stelt het bedrag van de doorlopende zekerheid vast op € 134.513 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.026;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, en mr. G.J. Ebbeling en mr. A.J. van Doesum, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.