Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:10492

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
04-10-2021
Zaaknummer
AWB - 17 _ 393
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag paspoort niet in behandeling genomen, arrest Tjebbes, verlies Nederlanderschap niet onevenredig. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/393

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , verblijvend in de [buitenland] , eiser

(gemachtigde: mr. A.M. van Melle),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. I.S. IJserinkhuijsen).

Procesverloop

Eiser heeft op 16 maart 2016 een Nederlands paspoort aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in Bern (Zwitserland).

Bij besluit van 7 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd de aanvraag van eiser in behandeling te nemen.

Bij besluit van 19 december 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep is aangehouden in afwachting van de uitspraak op door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 19 april 2017 gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof).1 Bij arrest van 12 maart 2019 (het Tjebbes-arrest) heeft het Hof die vragen beantwoord.2 Vervolgens heeft de Afdeling op 12 februari 2020 uitspraak gedaan.3

Verweerder heeft eiser bij brief van 12 maart 2020 in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat de gevolgen van het na het verstrijken van de tienjaartermijn verliezen van de Nederlandse nationaliteit van rechtswege uit een oogpunt van Unierecht in zijn geval niet evenredig zijn.

Bij brief van 3 april 2020 heeft de gemachtigde van eiser zich hierover uitgelaten.


Verweerder heeft aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) advies in verband met evenredigheid verlies Unieburgerschap (het IND-advies) gevraagd. Dit advies is uitgebracht op 29 juli 2020. Op 5 augustus 2020 is dit advies ook aan eiser toegezonden.

Verweerder heeft het bestreden besluit van 19 december 2016 vervangen met het bestreden besluit van 14 oktober 2020 (het bestreden besluit II).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door middel van een videoverbinding op

22 april 2021. Hieraan hebben eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Overwegingen

1.
De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot vervangen van het bestreden besluit.

De feiten

2. Eiser is geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] , Verenigde Staten. Hij heeft vanaf zijn geboorte een dubbele nationaliteit, te weten de Nederlandse nationaliteit vanwege de nationaliteit van zijn Nederlandse ouders en de Amerikaanse nationaliteit op grond van de Amerikaanse nationaliteitswetgeving. Sinds 1 oktober 1980 is eiser gevestigd in Zwitserland. Op [geboortedag] 1992 is eiser meerderjarig geworden.

Op 14 januari 1994 heeft eiser de Zwitserse nationaliteit door naturalisatie verkregen. Op grond van artikel 15, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), zoals dat luidde tot 1 april 2003, verloor hij op dat moment het Nederlanderschap.

Eiser herkreeg het Nederlanderschap op 4 oktober 2005 door optie op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, in samenhang met artikel 26, eerste lid en onder b, van de RWN. De Zwitserse nationaliteit is hierdoor niet verloren gegaan. Vanaf 4 oktober 2005 heeft eiser drie nationaliteiten,

Op 7 april 2009 heeft eiser afstand gedaan van de Amerikaanse nationaliteit.

Aan eiser is voor het laatst op 15 februari 2006 een Nederlands paspoort verstrekt, geldig tot 15 februari 2011. Hierna zijn eiser geen Nederlandse reisdocumenten of verklaringen omtrent bezit van het Nederlanderschap meer verstrekt. Pas op 16 maart 2016 heeft eiser weer een Nederlands paspoort aangevraagd. Eiser heeft van 15 februari 2006 tot en met 15 februari 2016 onafgebroken verblijf gehad in Zwitserland en een gestelde onderbreking van twee jaren in de Verenigde Arabische Emiraten (de VAE).

Standpunt van verweerder

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser van 16 maar 2017 niet in behandeling genomen, omdat eiser op 15 februari 2016 in beginsel op grond van artikel 15, eerste lid en onder c, van de RWN het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren. Daarbij heeft verweerder betrokken dat eiser van 15 februari 2006 tot en met 15 februari 2016 onafgebroken hoofdverblijf heeft gehad in Zwitserland en de VAE, niet zijnde Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten, of een land waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, en eiser gedurende die periode naast het Nederlanderschap tevens in het bezit was van de Zwitserse nationaliteit. Verder is niet gebleken dat aan eiser in genoemde periode een Nederlands reisdocument of een verklaring omtrent bezit van het Nederlanderschap is verstrekt hetgeen ingevolge artikel 15, vierde lid, van de RWN zou hebben geleid tot de stuiting van de tienjaartermijn van artikel 15, eerste lid en onder c, van de RWN.

Verder is, anders dan eiser stelt, de tienjaartermijn van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN, gelet op het bepaalde in artikel 15, vierde lid, van de RWN, aangevangen op de dag dat het Nederlandse paspoort is verstrekt en niet op de datum waarop het Nederlandse paspoort is uitgereikt.

Vooropgesteld dient te worden dat, vanuit een oogpunt van eigen verantwoordelijkheid, van Nederlanders die in den vreemde wonen mag worden verlangd dat zij zich adequaat laten voorlichten omtrent de op dat moment geldende regelgeving met betrekking tot het behoud van het Nederlanderschap. Dit betekent dat het op de weg van eiser lag om zich te vergewissen van de consequenties die het wonen als bipatride Nederlander in een ander land dan Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten of een van de landen waar het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, zou hebben voor zijn Nederlanderschap.

Het feit dat eiser dit kennelijk heeft nagelaten kan niet met zich brengen dat voornoemd rechtsgevolg niet zou zijn ingetreden.

Verder betoogt verweerder in dit verband dat door de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland en door het ministerie van Buitenlandse Zaken consequent voorlichting wordt gegeven met betrekking tot de RWN, onder andere door middel van het publiceren van informatie op de website Nederland wereldwijd van het ministerie. Op de websites van de Rijksoverheid en de Immigratie- en Naturalisatiedienst is eveneens informatie te vinden over verlies van het Nederlanderschap. Dat eiser desondanks onvoldoende op de hoogte was van de voor zijn situatie relevante regelgeving dient voor zijn eigen rekening en risico te komen.

Van doorslaggevend belang in dit verband is evenwel het feit dat de RWN limitatief bepaalt in welke gevallen het Nederlanderschap wordt verkregen, dan wel verloren. Dit is expliciet overwogen door de Hoge Raad in zijn beschikkingen van 16 september 19944 en
19 december 2003.5 Uit die jurisprudentie volgt tevens dat het Nederlanderschap niet kan worden verkregen en evenmin kan worden behouden door de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020 is een evenredigheidstoets verricht. Beoordeeld is of het verlies van het Nederlanderschap van eiser op 15 februari 2016 voor hem onevenredige, op dat moment redelijkerwijze voorzienbare, gevolgen had vanuit het oogpunt van het Unierecht.

Onder verwijzing naar het IND-advies stelt verweerder dat, gelet op het geheel van de voorliggende feiten en omstandigheden het verlies van het Unieburgerschap in de situatie van betrokkene op die datum niet als onevenredig kan worden beschouwd.

In dit IND-advies is het volgende vermeld:

“Betrokkene voelt een sterke emotionele binding met Nederland. Al zijn familieleden zijn in het bezit van de Nederlandse nationaliteit.

Deze binding is gelet op de eerdergenoemde uitspraken van het Hof en de Afdeling niet relevant voor de beoordeling of het verlies van het Unieburgerschap onevenredig is geweest, aangezien de band met Nederland niet de Unierechten betreft, en derhalve in het kader van de evenredigheidstoets geen rol speelt.

Niet is aangetoond dat deze familieleden in Nederland of in de EU wonen. Daarom is niet gebleken dat ten tijde van het verlies van het Nederlanderschap op 15 februari 2016 sprake was van uitoefening van familieleven in de zin van artikel 7 Handvest met familieleden binnen de Unie.

Betrokkene overweegt zich te vestigen en te werken in Nederland.

De ex tunc-toetsing blijft beperkt tot de datum waarop betrokkene het Nederlanderschap verloor op 15 februari 2016 en ziet derhalve niet op onvoorziene gebeurtenissen daarna. Argumenten die geen betrekking hebben op het moment van het verlies (in dit geval op 15 februari 2016) of op gevolgen die op dat moment redelijkerwijze voorzienbaar waren dienen buiten beschouwing te worden gelaten. Dat betrokkene nu overweegt om zich op enig moment in de toekomst voor het eerst in Nederland te gaan vestigen en hier te gaan werken, betreft een hypothetische gebeurtenis dient daarom buiten beschouwing te worden gelaten.

Voorts beroept betrokkene zich op een zaak waarin de Raad van State toetste of de procedure waarbij het Nederlanderschap werd ingetrokken (op grond van art. 14 lid 4 en via de procedure van art. 22a lid 3 RWN) voldeed aan de waarborgen van art. 47 van het Handvest. In het geval van verzoeker is echter geen sprake van een procedure die aan het verlies van zijn Nederlanderschap vooraf ging, maar is dit van rechtswege gebeurd doordat aan de in art. 15 lid 1 onder c RWN genoemde voorwaarden aan het verloren gaan van de nationaliteit zijn vervuld. Door dit verschil is artikel 47 Handvest niet relevant voor zijn zaak.

De stelling dat de toets zich niet dient te beperken tot de evenredigheid van direct voorzienbare gevolgen in de sfeer van het Unierecht door het verlies Nederlanderschap ten tijde van dat verlies, vindt geen steun in de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020. De Afdeling heeft daarin immers, in lijn met arrest van het Hof, geoordeeld dat voor een succesvol beroep op het evenredigheidsbeginsel vereist is dat de betrokkene onevenredige gevolgen ondervindt die in de sfeer van het Unierecht liggen. Omdat het bestreden besluit valt binnen de werkingssfeer van het Unierecht, moet een Unierechtelijke evenredigheidstoets worden uitgevoerd maar is het verlies ook onderworpen aan de Uniegrondrechten. In die zin is er dan ook geen sprake van een beperktere toets.

Verder heeft het Hof in r.o. 39 het volgende geoordeeld: Het Unierecht staat in beginsel dan ook niet eraan in de weg dat een lidstaat – in situaties als die waarop artikel 15, lid 1, onder c, RWN en artikel 16, lid 1, onder d, van deze wet betrekking hebben – om redenen van algemeen belang voorziet in het verlies van zijn nationaliteit, ook al leidt dit verlies voor de betrokkene tot het verlies van zijn burgerschap van de Unie.

De nationale verliesregeling is dus niet in strijd met het Unierecht, mits er een mogelijkheid is om te toetsen of het verlies evenredig is uit het oogpunt van het unierecht. Dat blijkt ook uit r.o. 40 van het arrest van het Hof: Het staat evenwel aan de bevoegde nationale autoriteiten en aan de nationale rechterlijke instanties om na te gaan of het verlies van de nationaliteit van de betrokken lidstaat, wanneer dit het verlies van het burgerschap van de Unie en de daaruit voortvloeiende rechten met zich meebrengt, in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat de gevolgen ervan voor de situatie van de betrokkene en in voorkomend geval voor die van zijn gezinsleden uit het oogpunt van het Unierecht betreft (zie in die zin arrest van 2 maart 2010, Rottmann, C-135/08, EU:C:2010:104, punten 55 en 56).

Gevolgen die niet in de sfeer van het Unierecht liggen, kunnen dan ook niet worden meegewogen.

Met betrekking tot het verlies van het Europese actief en passief kiesrecht voor het Europese

Parlement wordt als volgt overwogen.

Betrokkene had sinds 15 februari 2011 geen geldig Nederlands paspoort meer. Hij maakte na die datum kennelijk geen gebruik van zijn Europese kiesrecht, want voor deelname aan de verkiezingen is registratie bij de gemeente Den Haag noodzakelijk, waarbij een kopie van een geldig Nederlands paspoort overgelegd moet worden. Voor zover betrokkene voor 15 februari 2011 wel gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht, heeft hij met betrekking tot de in de periode 15 februari 2011 tot medio 2020 gehouden Europese verkiezingen niet aangetoond dat hij zich op enig moment tot de Nederlandse overheid heeft gewend met de wens om, als Nederlander, zijn stemrecht hiervoor te kunnen uitoefenen. Nu betrokkene niet heeft aangetoond dat hij geparticipeerd heeft in de Europese verkiezingen, is niet redelijkerwijs voorzienbaar dat hij wel zou willen participeren in toekomstige Europese verkiezingen.

Gelet op het geheel van de voorliggende feiten en omstandigheden kan het verlies op 15 februari 2016 van het Unieburgerschap in de situatie van betrokkene op die datum niet als onevenredig worden beschouwd.”

Doordat eiser het Nederlanderschap sinds 15 februari 2016 niet meer bezit, voldoet hij niet aan de eis van artikel 9, eerste lid, van de Paspoortwet. De aanvraag kan om die reden niet in behandeling worden genomen, aldus verweerder.

Standpunt van eiser

4. Eiser is het niet eens met verweerder en voert aan dat hij een sterke emotionele band voelt met Nederland. Al zijn familieleden zijn in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Hij overweegt zich te vestigen en te gaan werken in Nederland. Het verlies van Nederlanderschap levert voor eiser verlies van het actief en passief stemrecht voor het Europese Parlement op. Eiser voert aan dat tussen het verlopen van zijn Nederlandse paspoort en de aanvraag van een nieuw paspoort slechts één maand zit. Eiser heeft telefonisch contact gehad met een medewerker van de ambassade in Bern over de verlenging van zijn Nederlandse paspoort. Hem is verteld dat verlenging geen probleem zou zijn. Eiser beroept zich in dit verband op het (unierechtelijke) vertrouwensbeginsel. Eiser is ervanuit gegaan dat de tienjaarstermijn van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN inging op het moment dat hij zijn Nederlandse paspoort in ontvangst heeft genomen, namelijk omstreeks eind maart 2006 en niet op de dag dat het paspoort is verstrekt. Verder voert eiser aan, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 april 20196, dat er een volledige toets aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur bij verlies van het Nederlanderschap dient plaats te vinden.

Het oordeel van de rechtbank

5. Niet in geschil is dat eiser alleen gronden heeft ingediend tegen het bestreden besluit I en geen aanvullende gronden tegen het bestreden besluit II. Wel heeft eiser verzocht om de eerder aangevoerde gronden mee te nemen bij de beoordeling van het bestreden besluit II. De rechtbank overweegt dat eiser geen belang meer heeft bij het beroep gericht tegen het bestreden besluit I en zal het beroep ten aanzien van het bestreden besluit I daarom niet-ontvankelijk verklaren.

5.1.

De rechtbank ziet in hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, voor zover dit een herhaling betreft van dat wat al in bezwaar naar voren is gebracht en waarop verweerder in het bestreden besluit II al gemotiveerd is ingegaan, geen aanleiding voor een ander oordeel voor zover eiser niet heeft aangegeven wat er niet juist is aan de motivering van het bestreden besluit.

5.2.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eiser door een medewerker van de ambassade in Bern is verteld dat verlenging van zijn paspoort geen probleem zou zijn niet leidt tot de conclusie dat eiser het Nederlanderschap niet heeft verloren of dat hem op grond van het vertrouwensbeginsel een paspoort dient te worden verstrekt. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar de hiervoor vermelde jurisprudentie van de Hoge Raad van 19 december 2003, terecht op het standpunt gesteld dat het Nederlanderschap niet door de werking van een beginsel van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel kan worden verkregen of kan worden behouden.

5.3.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 12 februari 2020 met inachtneming van het Tjebbes-arrest overwogen dat verweerder in zaken over nationaliteitsverlies van rechtswege, dient te onderzoeken of de gevolgen van het nationaliteitsverlies in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel uit het oogpunt van het recht van de Europese Unie (het Unierecht). De evenredigheid moet worden beoordeeld naar het moment van het van rechtswege verliezen van het Nederlanderschap en daarmee van het Unieburgerschap, met dien verstande dat niet alleen de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap die zich op dat moment reeds hadden gemanifesteerd dienen te worden betrokken, maar ook de gevolgen die op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar waren.7

5.4.

Ten behoeve van het IND-advies is werkinstructie SUA WI 2020/7, geldig vanaf

8 mei 2020, opgesteld, die aanwijzingen geeft om een evenredigheidstoets te verrichten op het verlies van recht verbonden aan het Unieburgerschap, na automatisch verlies van de Nederlandse nationaliteit door langdurig verblijf met meer nationaliteiten buiten de Europese Unie.

5.5.

De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om te oordelen dat met de werkinstructie geen redelijke interpretatie is gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020.

5.6.

Voor de stelling van eiser dat verweerder een te beperkte toets heeft verricht door alleen aan het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel te toetsen en niet aan het unierechtelijke vertrouwensbeginsel ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, onder verwijzing naar de van toepassing zijnde jurisprudentie, in het bestreden besluit II afdoende gemotiveerd dat het de bevoegdheid is van de lidstaten om voorwaarden voor verkrijging en het verlies van de nationaliteit te bepalen. Het unierechtelijke vertrouwensbeginsel ziet niet op het verkrijgen of behouden van de Nederlandse nationaliteit. Verder heeft verweerder ter zitting nader toegelicht dat de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2019, waarop eiser zich in dit verband beroept, niet over een vergelijkbare kwestie gaat. In het geval van eiser gaat het immers over verlies van rechtswege van het Nederlanderschap op grond van artikel 15, eerste lid, onder c, van de RWN en niet over intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid van de RWN. Daarnaast vindt de stelling van eiser geen steun in de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020. Verweerder heeft verder nog toegelicht dat de aanvraagprocedure van een Nederlands reisdocument geen onderdeel uitmaakt van de unierechtelijke evenredigheidstoets.

5.7.

Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het standpunt van verweerder, dat eiser op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de RWN het Nederlanderschap sinds 16 februari 2016 van rechtswege heeft verloren, onjuist is.

5.8.

Hieruit volgt dat verweerder op goede gronden heeft geweigerd de aanvraag van eiser in behandeling te nemen, nu niet is voldaan aan de eis van artikel 9, eerste lid, van de Paspoortwet, dat de aanvrager ten tijde van de paspoortaanvraag Nederlander is in de zin van de wet.

6. De rechtbank ziet in dat wat eiser verder nog heeft aangevoerd geen reden voor een ander oordeel.

7. Het beroep tegen bestreden besluit II is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Paspoortwet

Artikel 9

1. Iedere Nederlander heeft binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen.

2. […].

Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001

Artikel 9

1. Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt gebruik gemaakt van het door deze overgelegde Nederlandse reisdocument, alsmede van de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens.

2. Indien de aanvrager niet in staat is een eerder uitgereikt Nederlands reisdocument over te leggen, worden de in de reisdocumentenadministratie opgenomen gegevens behorende bij het eerder aan betrokkene uitgereikte reisdocument, niet zijnde een nooddocument, geraadpleegd.

3. Berusten de in het tweede lid bedoelde gegevens bij een andere autoriteit, dan wordt deze verzocht om kosteloze verstrekking van een afschrift van de gevraagde gegevens uit de reisdocumentenadministratie. In de aanvraag wordt vermeld bij welke autoriteit de gegevens zijn opgevraagd.

4. Indien onzekerheid blijft bestaan over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, en eventuele andere bewijsstukken.

Artikel 52

1. Een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 51, wordt niet in behandeling genomen.

2. t/m 6. […]

Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap 1892

Artikel 1, aanhef onder a,

Nederlanders door geboorte zijn het wettig, gewettigd of door de vader erkend natuurlijk kind, waarvan tijdens de geboorte de vader de staat van Nederlander bezit.

Rijkswet op het Nederlanderschap

(in werking getreden op 1 januari 1985, onder andere gewijzigd door de Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap van 21 december 2000, Stb. 2000, 168)

Artikel 15 (in werking getreden op 1 januari 1985, geldig tot 1 april 2003; Stb. 1984, 628 en Stb. 1984, 655)

Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:

[…]

c. wanneer de betrokkene na zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van 10 jaren woonplaats buiten Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba heeft in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit, anders dan in een dienstverband met Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van een persoon in een zodanig dienstverband;

[…].

Artikel 26 (Stb. 1984, 628)

De in artikel 15, onder c, genoemde termijn vangt ten aanzien van Nederlanders die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze Rijkswet woonplaats buiten het Koninkrijk hebben, aan op dat tijdstip.

Artikel 15 (in werking getreden op 1 april 2003; Stb. 2000, 618, en Stb. 2003, 118)

1. Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:

a. […];

b. […];

c. indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband;

d. t/m f. […]

2. […]

3. De periode bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt geacht niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten heeft, dan wel in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.

4. De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van tien jaren te lopen.

1 ECLI:NL:RVS:2017:1098.

2 ECLI:EU:C2019:189.

3 ECLI:NL:RVS:2020:423.

4 NJ 1995, 563.

5 ECLI:NL:HR:2003:AL8544.

6 ECLI:NL:RVS:2019:990, r.o. 8.1.

7 Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1270.