Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:10490

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
04-10-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3234
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om schadevergoeding afgewezen. Verzoeker stelt dat hij schade heeft geleden als gevolg van het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag voor de verlenging van zijn rijbewijs. Niet gebleken van bijkomende omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/3234

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. H.C.S. van Deijk-Amzand),

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder

(gemachtigde: S.J.W. Vorstenbosch).

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2020 heeft verweerder de vraag van verzoeker om schadevergoeding afgewezen.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaarschrift is door verweerder aangemerkt als een verzoekschrift en doorgezonden naar deze rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoeker heeft op 12 maart 2021 en op 24 maart 2021 nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2021 via een videoverbinding. Hieraan hebben eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding

1.
Verzoeker is taxichauffeur met een groot rijbewijs. In verband met het verlopen van zijn rijbewijs voor de rijbewijscategorieƫn C, CE, D en DE op 22 augustus 2019 heeft verzoeker op 24 april 2019 een Gezondheidsverklaring ingediend bij verweerder. Op

19 augustus 2019 heeft verweerder verzoeker verwezen naar een arbo-arts. Bij besluit van 24 oktober 2019 heeft verweerder verzoeker rijgeschikt bevonden. Op 26 oktober 2019 kon verzoeker zijn werk als taxichauffeur weer hervatten.

Het verzoek

2. Op 17 januari 2020 heeft verzoeker een verzoek tot het toekennen van schadevergoeding gedaan. Verzoeker stelt dat hij schade heeft geleden als gevolg van het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag voor de verlenging van zijn rijbewijs. Als gevolg daarvan heeft verzoeker over de periode van 1 september 2019 tot 25 oktober 2019 geen inkomen genoten.

Het verweer

3. Bij besluit van 3 februari 2020 heeft verweerder de vraag van verzoeker om schadevergoeding afgewezen.

Het oordeel van de rechtbank

4. In vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is overwogen dat de enkele omstandigheid dat een bestuursorgaan een besluit neemt met overschrijding van de wettelijke beslistermijn, onvoldoende is voor het oordeel dat aldus onrechtmatig wordt gehandeld. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig.1

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de wettelijke beslistermijn is overschreden, maar wel of genoemde bijkomende omstandigheden aanwezig zijn die samengenomen maken dat verweerder onrechtmatig ten opzichte van verzoeker heeft gehandeld.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat deze bijkomende omstandigheden niet aanwezig zijn. Niet in geschil is dat verweerder in de periode dat verzoeker zijn aanvraag om een nieuw rijbewijs deed op zijn website de mededeling had geplaatst dat beslissingen over het afgeven van nieuwe rijbewijzen standaard zes maanden duurden en dat aanvragers werd geadviseerd hun aanvraag ruim voor het verstrijken van de geldigheid van hun rijbewijs in te dienen. Verzoeker heeft zijn aanvraag echter niet zes maanden, maar vier maanden voor 22 augustus 2019 ingediend. Verzoeker stelt dat hij heeft geprobeerd de voortgang van zijn aanvraag te bespoedigen door veelvuldig telefonisch contact te zoeken met de klantenservice van het CBR in de periode tot 25 oktober 2019. Verzoeker heeft dit echter niet met enig bewijsmiddel onderbouwd. Verweerder stelt daartegenover dat in zijn gesprekkenbestand op 14 augustus 2019 een eerste telefoongesprek met verzoeker is geregistreerd. In reactie op dit gesprek is verzoeker op 19 augustus 2019 doorverwezen voor een medisch onderzoek. Op 14 oktober 2019 heeft verweerder verzoeker een herinnering gestuurd inzake het keuringsverslag van de arbo-arts. Op 23 oktober 2019 heeft verweerder de ontbrekende gegevens ontvangen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de vertraging tussen de verwijzing van 19 augustus 2019 en het verslag van de arbo-arts verweerder niet volledig kan worden toegerekend.

4.3.

Voorts heeft eiser niet aangetoond dat hij schadebeperkend heeft gehandeld. Op grond van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht) heeft verzoeker een eenvoudige mogelijkheid verweerder door middel van een brief in gebreke te stellen wegens niet tijdig beslissen. Blijft na twee weken een adequate reactie van het bestuursorgaan uit, dan kan daartegen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter. Aangezien verzoeker voor het verwerven van inkomsten als chauffeur diende te beschikken over een geldig rijbewijs lag het op de weg van eiser verweerder schriftelijk aan te spreken over het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag. Verzoeker heeft dit achterwege gelaten.

5. Het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:476.