Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:10454

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-06-2021
Datum publicatie
27-09-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 5179
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslagen parkeerbelasting zijn terecht opgelegd. Beroepen zijn ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-9-2021
NLF 2021/1866
V-N Vandaag 2021/2247
FutD 2021-3067
Belastingblad 2021/398
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 20/5179 en SGR 20/5180

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

28 juni 2021 in de zaken tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: K.E. Fernald),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag , verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 24 juli 2020 op de bezwaren van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslagen parkeerbelasting.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2021.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] . Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 17 mei 2021 op het adres [adres] [huisnummer 1] te [plaats] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op

18 mei 2021 aan eiser op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Overwegingen

1. Op 3 april 2020, om 21:25 uur, stond de auto van eiser, met kenteken

[kenteken] (de auto), stil op een parkeerplaats in de [straat 1] te [plaats] (zaaknummer 20/5179). Voorts stond de auto eveneens op 3 april 2020, om 22:05, stil op een parkeerplaats aan de [straat 2] te [plaats] (zaaknummer 20/5180). Deze locaties zijn door het college van burgemeester en wethouders van deze gemeente aangewezen als parkeerplaatsen voor betaald parkeren.

2. Tijdens controles door een scanauto op voormelde datum en tijdstippen, is geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was betaald. Verweerder heeft daarom aan eiser twee naheffingsaanslagen opgelegd (de naheffingsaanslagen) elk ten bedrage van € 66,45; dit bedrag bestaat uit € 1,95 aan parkeerbelasting en € 64,50 aan kosten voor elke naheffingsaanslag.

3. Eiser heeft tegen de naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt. In zijn bezwaarschrift met betrekking tot zaaknummer 20/5179 heeft belanghebbende onder andere het volgende vermeld:

“Ik was inderdaad op de plek waarvan u stelt dat ik niet aan parkeerbelasting zou hebben voldaan. Ik bestrijd de tenlastelegging.

Ik was daar om iemand op te halen die in aantocht was en door even te wachten de persoon in de gelegenheid stelde om bij mij in de auto te stappen.

Ik zat dus al wachtend slechts enkele minuten gewoon in de auto.”

In zijn bezwaarschrift met betrekking tot zaaknummer 20/5180 heeft belanghebbende onder andere het volgende vermeld:

“Ik was inderdaad op de plek waarvan u stelt dat ik niet aan parkeerbelasting zou hebben voldaan. Ik bestrijd de tenlastelegging.

Ik was daar om de persoon die ik eerder ophaalde aan de [straat 1] [huisnummer 2] op het adres [straat 2] af te zetten. Het daarbij afronden van het gesprek bij het afscheid nemen van iemand is een normale sociale gelegenheid die maar even duurde.

Ik zat ook daar gewoon in de auto en was voor de activiteit die zich voordeed niet parkeerbelastingplichtig.”

4. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder beide bezwaren ongegrond verklaard. De beroepen richten zich tegen deze uitspraak.

5. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

6. Eiser stelt dat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd. Hij betoogt niet geparkeerd te hebben. Hij voert daartoe (naast hetgeen in 3 is vermeld) aan dat de scanfoto’s slechts momentopnames betreffen en dat daarop te zien is dat de lichten van de auto aan zijn. Eiser meent voorts dat verweerder dient te bewijzen dat sprake was van parkeren, hetgeen verweerder niet heeft gedaan.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

8. Ingevolge de artikel 225, tweede lid van de Gemeentewet en artikel 1, onderdeel d van de Verordening parkeerbelastingen 2008 (de Verordening), wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

9. Het onmiddellijk laten in- of uitstappen van een passagier wordt, gelet op het voorgaande, niet aangemerkt als parkeren; daarvoor is dus geen parkeerbelasting verschuldigd. Onder het begrip ‘onmiddellijk in- of uitstappen’ kunnen volgens vaste jurisprudentie slechts handelingen worden verstaan, die een daadwerkelijk in- of uitstappen uit de auto vormen. Onder de tijd die nodig is voor het onmiddellijk laten uitstappen van een passagier, wordt bijvoorbeeld niet de tijd begrepen die de passagier nodig heeft om na het uitstappen zijn bestemming te bereiken, zo volgt uit een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 juli 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:6372). Ook het gedurende enkele minuten op de parkeerplaats achterlaten van de auto kan niet onder de tijd die nodig is voor het onmiddellijk laten in- of uitstappen van een passagier worden begrepen (Hof Arnhem 16 juli 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AI1627).

10. Vast staat dat de auto op de in 1 genoemde tijdstippen en plekken stil stond. Gelet op de verklaringen die eiser hierover in zijn bezwaarschriften heeft gedaan (zie 3) en die door verweerder niet zijn weersproken, staat eveneens vast dat dat geen sprake was van het onmiddellijk laten in- of uitstappen van een passagier als bedoeld in 9. Ook gedurende de enkele minuten die de passagier nodig had om de auto te bereiken (zaak 20/5179), respectievelijk de tijd die nodig was om de conversatie af te ronden (zaak 20/5180) stond de auto immers stil. Uit die verklaringen blijkt dus dat de auto langer heeft stil heeft gestaan dan enkel gedurende de tijd die nodig is voor het in- respectievelijk uitstappen van de passagier. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat sprake was van parkeren. Dat eiser slechts gedurende korte tijd heeft stilgestaan, acht de rechtbank niet relevant aangezien volgens vaste rechtspraak ook het kort stilstaan is aan te merken als parkeren waarvoor parkeerbelasting is verschuldigd (Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 31 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2491). Dat de koplampen van auto aan stonden acht de rechtbank evenmin van belang. Dit leidt er immers niet toe dat de aan de in 9 genoemde uitzondering van onmiddellijk in- of uitstappen is voldaan, zodat dit de conclusie dat sprake was van parkeren niet verandert. Nu de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan, zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn de beroepen ongegrond verklaard.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J-P.R. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van

mr. P. Jasperse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.