Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:1041

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-02-2021
Datum publicatie
22-02-2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 170
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Tozo. Voorlopige voorziening. Naar voorlopig oordeel geen voorschot op lening bedrijfskapitaal mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-02-2021
FutD 2021-0729
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/170

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 februari 2021 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. E.S. Träger),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder

(gemachtigde: V. Brand).

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekers om bijstand voor bedrijfskapitaal in de vorm van een rentedragende lening op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) afgewezen.

Bij besluit van 4 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Verzoekers hebben op 28 mei 2020 een lening bedrijfskapitaal op grond van de Tozo aangevraagd, ten bedrage van € 10.157,--. Die aanvraag is door verweerder afgewezen. In bezwaar is de afwijzing gehandhaafd.

2. Verzoekers hebben beroep ingesteld en verzocht een voorlopige voorziening te treffen, en wel in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat aan verzoekers een voorschot op een lening bedrijfskapitaal wordt toegekend ter hoogte van € 10.157,--.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat een spoedeisend belang aanwezig is, gelet op de uit de stukken blijkende financiële verplichtingen en de beperkte financiële middelen (Tozo-uitkering levensonderhoud).

4. Artikel 13 van de Tozo luidt:

1. Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt naar de regels van dit besluit verleend in de vorm van een rentedragende lening.

2. Een voorschot als bedoeld in artikel 52 van de wet kan geen betrekking hebben op bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.

Met de woorden ‘de wet’ in het tweede lid van dit artikel wordt verwezen naar de Participatiewet (Pw).

5. Uit artikel 13, tweede lid, van de Tozo leidt de voorzieningenrechter af dat voor bijstand in de voorziening van bedrijfskapitaal geen voorschot (als bedoeld in artikel 52 van de Pw) mogelijk is. Nu er geen sprake van is dat een deel van de aangevraagde lening bedrijfskapitaal ziet op het levensonderhoud van verzoekers (daarvoor is immers de door verweerder toegekende Tozo-uitkering levensonderhoud bedoeld) en het hier dus niet gaat om een vorm van algemene bijstand, kan naar voorlopig oordeel geen voorschot in de vorm van een (al dan niet rentedragende) lening verstrekt worden. Daarbij komt dat verzoekers het gehele bedrag van de aangevraagde lening als voorlopige voorziening vragen, waardoor bij toewijzing van die voorziening de in geding zijnde aanvraag feitelijk al volledig zou worden gehonoreerd. Uit het voorgaande volgt dat hetgeen als voorlopige voorziening is verzocht niet toewijsbaar is. Daarom zal het verzoek worden afgewezen.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

7. De voorzieningenrechter realiseert zich dat verzoekers belang hebben bij een spoedige beoordeling van hun beroep, waarin immers de vraag aan de orde komt of de door hen aangevraagde bijstand voor bedrijfskapitaal in de vorm van een rentedragende lening al dan niet terecht is afgewezen. Daartoe is nader onderzoek nodig van het (omvangrijke) dossier met daarin onder meer jaarcijfers van de onderneming van verzoekers en diverse belastingaanslagen. Voor dat onderzoek is geen plaats in een procedure als de onderhavige. Daarom zal de voorzieningenrechter geen gebruik maken van zijn bevoegdheid tot kortsluiting. Wel zal hij zo veel mogelijk bevorderen dat een spoedige behandeling van de bodemzaak plaatsvindt.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van A. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2021.

De griffier is niet in de

gelegenheid te tekenen

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.