Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:10275

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
20-09-2021
Zaaknummer
NL19.15879
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

TQ

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.15879


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. R.P. van Empel-Bouman),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Bruin).


Procesverloop
Bij besluit van 4 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Daarbij is tevens ambtshalve besloten dat eiser niet in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 en aan hem geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, vergezeld van R. van Gelder, werkzaam bij Stichting Nidos. Als tolk is verschenen O. Jobe. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na de inhoudelijke behandeling heeft de rechtbank aan het eind van de zitting besloten de zaak aan te houden in verband met de verwijzingsuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 12 juni 2019 (NL18.7421, ECLI:NL:RBDHA:2019:5967).

In reactie op hetgeen ter zitting is besproken, heeft verweerder de rechtbank en de wederpartij op 29 augustus 2019 bericht dat hij het niet in zijn macht heeft om middels een toezegging aan eiser rechtmatig verblijf te verlenen. Verweerder laat weten dat als eiser een voorlopige voorziening indient dit wel rechtmatig verblijf en de daarbij behorende rechten en voorzieningen genereert. Volgens verweerder is het niet nodig om uitspraak te doen in het verzoek om een voorlopige voorziening.

Op 3 september 2019 heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer NL19.20809.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft in haar arrest van 14 januari 2021 in de zaak TQ (ECLI:EU:C:2021:9) de prejudiciële vragen beantwoord. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank op 23 februari 2021 aan partijen gevraagd haar te berichten wat naar hun mening de gevolgen zijn van het arrest voor de zaak van eiser.

Verweerder heeft de rechtbank en de wederpartij op 26 februari 2021 laten weten dat het arrest geen gevolgen heeft voor de beroepsprocedure aangezien eiser inmiddels meerderjarig is. Volgens verweerder is het reeds aan eiser opgelegde terugkeerbesluit vanaf het moment dat hij de achttienjarige leeftijd heeft bereikt, geldig.

Eiser heeft de rechtbank en de wederpartij op 19 maart 2021 bericht dat hij van mening is dat hij in ieder geval op basis van het arrest recht heeft op een verblijfsvergunning en zich hierin gesteund ziet door de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 15 maart 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:2376), waarin einduitspraak is gedaan in de zaak TQ.

Op 1 april 2021 heeft de rechtbank partijen verzocht om haar mede te delen of zij toestemming verlenen om een (nadere) zitting achterwege te laten. Verweerder heeft op

7 april 2021 toestemming gegeven om een nader zitting achterwege te laten. Namens eiser is die toestemming verleend op 12 april 2021.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, nu partijen daarvoor toestemming hebben verleend. De rechtbank heeft op 1 juni 2021 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser heeft op 21 september 2018 een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 27 maart 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld, omdat hij gelet op de wettelijke beslistermijn niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag. Op 18 april 2019 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Bij uitspraak van deze rechtbank van 6 juni 2019 (NL19.9177 en ECLI:NL:RBDHA:2019:5754) heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen acht weken een eerste gehoor te houden op de aanvraag van 21 september 2018. Daarnaast heeft de rechtbank bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00. Verder heeft de rechtbank de dwangsom vastgesteld op

€ 1.442,00 en een proceskostenveroordeling uitgesproken tot een bedrag van € 256,00.

Het asielrelaas

2. Verweerder heeft op 26 juni 2019 een eerste gehoor afgenomen en heeft eiser op

28 juni 2019 nader gehoord. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd. Eiser stelt dat hij [eiser] is, geboren op [geboortedag] 2002 te Salemata (Senegal), behorende tot de Pular bevolkingsgroep en van Senegalese nationaliteit. Eiser heeft van 2012 tot eind 2016 in een garage geleerd voor automonteur. De vader van eiser is op 27 januari 2017 overleden. Eiser heeft iets minder dan een maand na de dood van zijn vader Senegal verlaten. De reden daarvoor is dat al jarenlang een goed georganiseerde bende vanuit Mali naar het dorp van eiser komt om jongens op te pakken of te ronselen voor het delven van goud. Sommige jongens worden bedreigd met messen en ontvoerd en andere jongens worden valse beloftes gedaan en keren nooit meer terug. Het komt ook voor dat jongens worden geofferd opdat goud wordt gevonden. Eiser heeft niet met eigen ogen gezien dat jongens uit zijn dorp zijn ontvoerd, maar heeft dat gehoord van andere dorpelingen. Vijf vriendjes van eiser, met wie hij voetbalde, zijn ontvoerd. Hij heeft dit gehoord van de familie van de jongens. Hijzelf is nooit bedreigd en/of meegenomen. Toen zijn vader leefde voelde hij zich beschermd, maar na diens overlijden durfde hij niet meer alleen naar buiten te gaan. De mannen waren toen in het dorp waar eiser woonde. De regering doet niets hiertegen. De politie (gendarme) is corrupt en biedt desgevraagd geen hulp aan de ouders. Ze willen de Pulars niet helpen. Eiser en oudere mensen uit het dorp zijn bij de politie geweest om hulp te vragen, maar zij kregen te horen dat ze het zelf moesten regelen. De imam in het dorp weet van de ontvoeringen, maar hij is geen politieagent en kan dus niets doen. De politie treedt alleen op als Pulars bamboe kappen in het bos. Eiser is ook achterna gezeten door de gendarme als hij meedeed aan de illegale houtkap, maar is daarvoor nooit gearresteerd.

3. Eiser heeft besloten om Senegal te verlaten. Hij heeft zijn moeder, zijn twee broertjes en zijn zusje achtergelaten. Hij is via Mali, Burkina Faso, Niger, Libië, Italië en Duitsland naar Nederland gereisd. Hij had geen documenten. Bij sommige controleposten moest hij geld betalen om verder te mogen. Eiser is in Libië opgepakt en heeft daar drie maanden opgesloten gezeten in een gevangenis. Hij wist te ontsnappen en heeft vervolgens ongeveer vier maanden in een kamp van mensensmokkelaars gezeten voordat hij met de boot naar Italië ging. In oktober 2017 is hij Italië ingereisd. Zijn vingerafdrukken zijn daar bij aankomst afgenomen en hij werd naar Rome gebracht. Daar belandde hij op straat. Op 20 januari 2018 heeft hij in Duitsland asiel aangevraagd. Toen hij daar te horen kreeg dat men hem wilde terugsturen naar Italië, is hij naar Nederland gegaan.

4. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen:

- Identiteit, nationaliteit en herkomst.

- Vrees voor Malinese bendes die jongelingen dwingen tot het delven van goud.

- Vrees om in de problemen te komen met de overheid bij overtreding van het verbod op het kappen van bamboe.

Het bestreden besluit

5. Verweerder heeft de verklaringen van eiser over diens identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Volgens verweerder kan Senegal worden aangemerkt als veilig land van herkomst, met uitzondering van LHBT’s. Verder wordt bij vreemdelingen die afkomstig zijn uit dat land verhoogde aandacht besteed aan de mogelijkheid dat Senegal niettemin niet veilig kan zijn voor personen die te maken krijgen met strafrechtelijke vervolging of discriminatie. Naar de mening van verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in afwijking van de algehele situatie in zijn land, er aanleiding is om aan te nemen dat Senegal ten aanzien van hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en dus niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd.

6. Dat eiser bang is door Malinese bendes te worden ontvoerd, is voor verweerder geen reden om te concluderen dat Senegal voor eiser geen veilig land van herkomst is. Hiertoe acht verweerder van belang dat eiser nooit is ontvoerd en nooit heeft gezien of in zijn omgeving heeft meegemaakt dat iemand is ontvoerd. Eiser baseert zich enkel op verklaringen van horen zeggen dat jongelingen kunnen worden ontvoerd door Malinese bendes. Volgens verweerder kan uit de verklaringen van eiser niet worden afgeleid dat er een werkelijk risico is dat juist hij bij terugkeer naar Senegal zal worden ontvoerd door Malinese bendes dan wel slachtoffer zal worden van kinder- en dwangarbeid. De door eiser overgelegde landeninformatie en het feit dat hij uit de regio Kedougou komt, is daartoe onvoldoende. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat als zich in Senegal problemen voordoen, zoals problemen met bendes die jongeren ontvoeren of huiselijk geweld, er voor hem geen mogelijkheid bestaat de bescherming van de Senegalese autoriteiten in te roepen.

7. Dat eiser bamboe wenst te kappen en als gevolg hiervan bang is problemen met de overheid te krijgen, is evenmin reden om aan te nemen dat Senegal voor hem niet veilig is. Eiser heeft nooit eerder problemen gehad met de overheid om deze reden en kan ervoor kiezen het kapverbod niet meer te overtreden. Mocht hij het kapverbod wel wensen te overtreden, dan zijn de gevolgen daarvan voor eigen rekening en risico. Eiser begaat dan een commuun delict, waartegen het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen bescherming biedt.

8. Verweerder concludeert dan ook dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 omdat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst. Volgens verweerder komt eiser evenmin in aanmerking voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM of mensenhandel, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden hiervoor. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van overige bijzondere, individuele omstandigheden die aanleiding geven om eiser op humanitaire gronden in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning. In het kader van de afweging van de belangen van het kind (artikel 3 van het Internationaal verdrag voor de Rechten van het Kind, IVRK) merkt verweerder op dat het beleid uit B8/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) niet op eiser van toepassing is.

9. In het bestreden besluit staat onder het kopje ‘vertrektermijn’ dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en onder het kopje ‘rechtsgevolgen’ staat dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten. Desgevraagd heeft gemachtigde van verweerder ter zitting gezegd dat dient te worden uitgegaan van bij rechtsgevolgen staat, aldus vier weken.

Het standpunt van eiser

10. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, nu terugkeer naar Senegal betekent dat er een reëel risico is op ontvoering en kinder- en dwangarbeid. Zijn verklaringen worden ondersteund door landeninformatie, opgesteld door Vluchtelingenwerk. In die brief van Vluchtelingenwerk van 3 juli 2019 wordt onder meer melding gemaakt van het US Department of State (USDOS) rapport over mensenhandel in Senegal van 20 juni 2019, waarin staat dat mensenhandelaars Senegalese jongens en meisjes onderwerpen aan huishoudelijke slavernij, dwangarbeid in goudmijnen en sekshandel. Volgens USDOS blijkt uit rapporten dat de meeste Senegalese slachtoffers van sekshandel in Senegal worden uitgebuit, met name in de zuidoostelijke goudmijnregio van Kerdougou en dat mensenhandelaars ook Nigerianen, Guineeërs, Malinezen en Burkinezen aan dwangarbeid en sekshandel in mijngemeenschappen onderwerpen. Eiser wijst erop dat hij uit de regio Kerdougou afkomstig is. Uit het besluit van verweerder maakt eiser op dat verweerder geloofwaardig acht dat in zijn dorp een of meer Malinese bendes jongens dwingen / ontvoeren om te gaan werken in goudmijnen en dat jongens worden geofferd in de hoop de winsten te vergroten.

11. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat uit de informatie van Vluchtelingenwerk blijkt dat de Senegalese overheid niet optreedt tegen deze praktijken en derhalve onverschillig is ten aanzien van het beschermen van slachtoffers. Daarnaast wordt in de brief van Vluchtelingenwerk beschreven hoe gevaarlijk de werkzaamheden zijn die de ontvoerde kinderen onder dwang moeten uitvoeren.

12. Volgens eiser is hem eenzelfde lot beschoren als hij terugkeert naar zijn dorp en kunnen de Senegalese autoriteiten hem niet tegen ontvoering beschermen. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij in zijn omgeving niet heeft meegemaakt dat iemand is ontvoerd. Eiser wijst op de verklaringen die hij heeft afgelegd bij het nader gehoor, onder meer de verklaringen over zijn vrienden in Senegal met wie hij voetbal speelde. Het is juist dat hij dit niet zelf heeft meegemaakt en hier kennis van heeft door informatie van anderen, maar om tot de conclusie te komen dat iemand vluchteling is, is het niet noodzakelijk dat die persoon dat zelf moet hebben meegemaakt. In paragraaf 43 van het Handboek van de UNHCR staat vermeld: “These considerations need not necessarily be based on the applicant’s own personal experience. What, for example, happened to his friends and relatives and other members of the same racial or social group may well show that this fear that sooner or later he also become a victim of persecution is well-founded (…)

13. Eiser acht het voorts onjuist dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet hoeft te vrezen dat hem dit ook zal overkomen. Hij wijst onder meer op zijn verklaring dat hij na het overlijden van zijn vader niet meer alleen naar buiten durfde te gaan, dat de mannen aanwezig waren in het dorp waar hij vandaan komt, dat hij weliswaar niet klein genoeg is om in een gat te kruipen en daar te graven, maar dat de mannen ook grote jongens moesten hebben om de grond eruit te trekken en dat als ze hem vermoorden ze hem kunnen gebruiken om te offeren om zo sneller geld te vinden en rijk te worden.

14. Bovendien vindt eiser dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet de bescherming van de autoriteiten kan inroepen dan wel aannemelijk heeft gemaakt dat zij hem niet kunnen of willen beschermen. Hij heeft onder andere verklaard dat de Senegalese overheid hen ziet als mensen die in het bos wonen en niets weten. De overheid biedt geen hulp. De gendarme is corrupt en wil de Pulars niet helpen. Eiser heeft samen met anderen de politie gevraagd om hulp maar tegen hen werd gezegd dat ze maar naar de imam moesten gaan als ze problemen hadden. In het dorp is geen andere overheid. De imam weet ervan maar hij is geen politieman. Daarbij blijkt uit het USDOS Country Report on Human Rights Practices 2018 over Senegal dat de Senegalese autoriteiten op vele fronten, zeker ook als het gaat om kinderarbeid, onvoldoende bescherming bieden en sterker nog, kinderarbeid in goudmijnen toestaan. In het USDOS rapport van 20 juni 2019 komt weliswaar naar voren dat de Senegalese overheid wel iets probeert te doen aan gedwongen arbeid, maar dat dit zich vooral – en dan ook nog minimaal – richt op Koranleraren die kinderen dwingen om op straat te bedelen. Als het gaat om andere vormen van gedwongen arbeid, blijkt dat de Senegalese autoriteiten daarop niet of nauwelijks ingrijpen. Verder wijst eiser naar ‘Findings on the Worst Forms of Child Labor’, een rapport van het US Ministry of Labor, gepubliceerd in september 2018. Hierin wordt gemeld dat de Senegalese autoriteiten nauwelijks vooruitgang hebben geboekt om de ergste vormen van kinderarbeid, waaronder werken in mijnen, te bestrijden.

15. Eiser acht in verband met het vorenstaande ook van belang dat hij kind is. Verweerder heeft enkel gezegd dat het beleid uit hoofdstuk B8/6 van de Vc 2000 gelet op zijn leeftijd niet op hem van toepassing is. Hieruit kan niet worden opgemaakt dat met de belangen van het kind rekening is gehouden, omdat dit beleid alleen ziet op de vraag of een kind buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken. De belangen van het kind omvat veel meer dan dat. Gelet op de kwetsbaarheid van kinderen kan gesteld worden dat de drempel voor het aannemen van een vluchtelingenstatus voor een kind lager ligt dan bij volwassenen. Eiser verwijst naar de Guidelines on international protection no. 8: Child Asylum Claims under Articles 1(A)2 and 1(F) of the 1951 Convention and/or 1967 Protocol relating to the Status of Refugees van de UNHCR. Hierin staat onder meer dat “children who are homeless, abandoned or otherwise without parental care may be at increased risk of sexual abuse and exploitation or being recruited or used by an armed force/ group or criminal gang (…)”. Eiser heeft hierover aangevoerd dat hij zich niet meer veilig voelde nadat zijn vader was overleden.

16. In de Guidelines wordt ook gesproken over kind-specifieke vormen van vervolging: “Children may also be subjected to specific forms of persecution that are influenced by their age, lack of maturity or vulnerability. The fact that the refugee claimant is a child may be a central factor in the harm inflicted or feared. This may be because the alleged persecution only applies to, or disproportionately affects, children or because specific child rights may be infringed. UNHCR’s Executive Committee has recognized that child-specific forms of persecution may include under-age recruitment, child trafficking and female genital mutilation (hereafter “FGM”). Other examples include, but are not limited to, family and domestic violence, forced or underage marriage, bonded or hazardous child labour, forced labour, forced prostitution and child pornography (…).”

17. Eiser meent dat uit de Guidelines kan worden opgemaakt dat ontvoering en gedwongen kinderarbeid factoren zijn waarmee rekening moet worden gehouden bij de vraag of een kind moet worden beschermd tegen vluchtelingrechtelijke vervolging. Ook als niet zou worden geconcludeerd tot vluchtelingschap, is het belangrijk dat dit wordt meegenomen in de vraag of terugkeer leidt tot een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. Belangrijk is ook te onderzoeken of de staat tegen deze vervolging kan en/of wil beschermen. Gelet op het gegeven dat de Senegalese autoriteiten niet of nauwelijks optreden tegen gedwongen kinderarbeid in mijnen, het zelfs erop lijkt dat dit wordt toegestaan, tegen alle internationale regels in, moet naar de mening van eiser worden beslist dat hij een gegronde claim heeft voor zijn asielverzoek. Als het gaat om de gronden van vervolging kan hij worden beschouwd als behorende tot een bepaalde sociale groep. Zelfs zou als vervolgingsgrond kunnen worden aangemerkt het toedichten van een politieke overtuiging.

18. Eiser doet verder een beroep op werkinstructie 2014/10 daar waar staat vermeld dat bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de vermoedens, het realiteitsgehalte van de aan de geloofwaardige elementen ontleende vermoedens wordt beoordeeld. Hierbij wordt bekeken of de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer te wachten staat, een aannemelijk gevolg zijn van de geloofwaardige relevante elementen, afgezet tegen wat bekend is over de situatie in het land van herkomst uit objectieve bronnen. Eiser heeft bij zijn zienswijze informatie overgelegd. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder die informatie onvoldoende heeft betrokken bij de besluitvorming. Daarnaast is eiser van mening dat het niet alleen aan hem is informatie te overleggen. Ook verweerder heeft een samenwerkings- en onderzoeksplicht. De enkele verwijzing naar de tekst over Senegal als veilig land is naar de mening van eiser onvoldoende. Eiser meent hoe dan ook dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat Senegal in zijn geval niet kan gelden als veilig land van herkomst.

19. Tenslotte is eiser van mening dat hem geen vertrektermijn van nul dagen kan worden opgelegd, aldus een vertrektermijn kan worden onthouden, omdat hij minderjarig is en een onderzoek naar adequate opvang niet heeft plaatsgevonden. Dit laatste blijkt althans niet uit het bestreden besluit. Verweerder is ook niet verplicht, als het asielverzoek al kennelijk ongegrond zou mogen worden verklaard, om een vertrektermijn te onthouden. Het is zelfs in strijd met verweerders beleid zoals neergelegd in A3/3 van de Vc 2000. Voorts wordt gewezen naar de verwijzingsuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:5967), waarin prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof over de terugkeerplicht van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.

De beoordeling door de rechtbank

20. De rechtbank stelt vast dat eiser niet bestrijdt dat verweerder Senegal in zijn algemeenheid heeft kunnen aanmerken als veilig land van herkomst, met uitzondering van LHBT. Eiser meent daarentegen dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat Senegal in zijn specifieke geval niet als zodanig kan worden aangemerkt, omdat hij bij terugkeer gegronde redenen heeft te vrezen voor Malinese bendes aangezien hij een reëel risico loopt door hen te worden ontvoerd en/of te worden vermoord voor hun eigen gewin. Verweerder daarentegen acht de door eiser gestelde feiten geloofwaardig, maar de vermoedens (vrees) die eiser daaraan ontleent als hij terugkeert naar Senegal, niet aannemelijk dan wel plausibel. Naar de mening van verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt waarom juist hij dat risico loopt.

21. De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder in het voornemen nog heeft gesteld dat eiser slechts vermoedt dat jongens uit zijn dorp zijn ontvoerd en verdwenen omdat hij dit zelf nooit heeft gezien of in zijn omgeving heeft meegemaakt. Verweerder zegt daarmee dat de vermoedens die deel uitmaken van het asielrelaas niet geloofwaardig zijn. Dat is iets anders dan het vermoeden van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer te wachten staat. De rechtbank verwijst voor dit onderscheid naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 juli 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ3621) en 26 mei 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN6868). In het bestreden besluit heeft verweerder zich evenwel op het standpunt gesteld dat eiser ook na het indienen van zijn zienswijze met de informatie van Vluchtelingenwerk niet door middel van concrete verklaringen nader heeft onderbouwd dat juist hij heeft te vrezen voor ontvoering en (kinder) dwangarbeid. Dit zou betekenen dat verweerder wel aanneemt dat jongens in de buurt van eiser zijn ontvoerd en verdwenen.

22. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd te kennen gegeven dat verweerder gelooft dat de problemen spelen waar eiser gewag van heeft gemaakt en dat dit voorkomt. Verder heeft de gemachtigde van verweerder gezegd dat zij contact heeft gehad met de beslisser en dat bedoeld is te zeggen dat verweerder gelooft dat er Malinese bendes zijn die kinderen ontvoeren, maar dat verweerder niet gelooft dat dit ook eiser zal overkomen. Het zit hem aldus de gemachtigde van verweerder in de risico-inschatting bij terugkeer. De vrees om te worden ontvoerd en om in de problemen te komen bij overtreding van het verbod op het kappen van bamboe is op zwaarwegendheid getoetst.

23. Ofschoon de gemachtigde van verweerder ter zitting niet helemaal eenduidig is hierover, omdat ze ook heeft verklaard dat verweerder niet gelooft dat vijf voetbalvriendjes van eiser zijn verdwenen door toedoen van Malinese bendes en niet gelooft dat eiser naar de politie is gegaan om te klagen, houdt de rechtbank het erop dat verweerder de door eiser gestelde feiten, inclusief de vermoedens die deel uitmaken van het relaas, wel aannemelijk en derhalve geloofwaardig acht en alleen het vermoeden (de vrees) van eiser over wat hem bij terugkeer in Senegal te wachten staat, niet aannemelijk acht.

24. Gegeven dit uitgangspunt is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser die vrees niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet (langer) weersproken dat in het dorp waaruit eiser afkomstig is Malinese bendes actief zijn om jongens te dwingen in de goudmijnen te gaan werken of zelfs te offeren om zo het geluk te krijgen goud te vinden. Eiser heeft ook zelf meegemaakt dat leeftijdgenootjes en vriendjes van hem verdwenen en dat hun ouders hem vertelden dat ze waren ontvoerd. Eiser heeft ook verklaard naar welke plaatsen de ontvoerde jongens werden gebracht. In die zin heeft eiser dus in zijn naaste omgeving wel meegemaakt dat vriendjes hiervan slachtoffer zijn geworden. Verweerder betwist evenmin dat eiser toentertijd minderjarig was, dat diens vader vlak voor diens zijn vertrek is overleden, dat eiser zich daardoor niet langer beschermd voelde en dat de mannen van een Malinese bende op dat moment in het dorp van eiser aanwezig waren.

25. Uit het bestreden besluit blijkt voorts niet waarom verweerder van mening is dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen bescherming kan krijgen. Dit klemt temeer, nu uit het besluit niet blijkt dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven van de verklaring van eiser dat hij en anderen hulp hebben gevraagd bij de politie (gendarme) maar dat hen geen hulp werd geboden omdat zij tot de Pular bevolkingsgroep behoren. In het besluit is evenmin ingegaan op eisers stelling dat uit de door hem overgelegde landeninformatie blijkt dat de Senegalese overheid niet optreedt tegen deze praktijken en derhalve onverschillig is ten aanzien van het beschermen van slachtoffers. De omstandigheid dat verweerder Senegal heeft aangemerkt als een veilig land van herkomst ontslaat hem niet van de verplichting om hierop gemotiveerd in te gaan, zeker niet nu hij in het kader van die aanmerking in het voornemen verwijst naar informatie die alweer gedateerd is en geen melding maakt van een herbeoordeling waarbij actuelere bronnen zijn betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit dan ook niet afdoende gemotiveerd waarom eiser als minderjarige Pular uit die streek, niet tot een kwetsbare minderheidsgroep groep behoort die met geringe indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade.

26. Naar het oordeel van de rechtbank ontbeert het bestreden besluit een draagkrachtige motivering waarom eiser niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. In de eerste plaats niet omdat het primair aan verweerder is om zich alsnog uit te laten over eisers vrees bij terugkeer en of het relaas van eiser zich kwalificeert voor het bieden van internationale bescherming. Daarbij dient verweerder ook in te gaan op de beroepsgronden van eiser, zoals onder meer diens stelling dat hij behoort tot een bepaalde sociale groep en in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus. In de tweede plaats ziet de rechtbank geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb, omdat verweerder nog nader onderzoek zal moeten doen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

27. De rechtbank volgt eiser in diens stelling dat ook overigens uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder rekening heeft gehouden met de belangen van het kind. Zo heeft verweerder zich niet uitgelaten over de vraag of eiser vanwege zijn minderjarige leeftijd kan worden uitgezet naar Senegal. Het besluit geeft geen blijk van onderzoek naar adequate opvang in het land van herkomst. Verweerder lijkt dit aspect irrelevant te vinden in het kader van de vraag of eiser voor toelating in aanmerking komt, terwijl de afwijzing van de aanvraag hem de bevoegdheid geeft om eiser uit te zetten. Die bevoegdheid is bovendien niet discretionair. Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder zich hiervan te vergewissen voordat hij een terugkeerbesluit uitvaardigt, zeker nu het een minderjarige betreft. De praktijk (ongeschreven gedragslijn) van verweerder dat hij minderjarigen van vijftien jaar of ouder sowieso niet uitzet, doch eerst als zij de achttienjarige leeftijd bereiken omdat hij dan niet meer hoeft te onderzoeken of er feitelijk adequate opvang in het land van herkomst aanwezig is, ondergraaft die verplichting. Bovendien maakt verweerder niet duidelijk waarom het in het belang van de minderjarige is dat hij ook na de afwijzing van de asielaanvraag niet actief onderzoekt of de minderjarige zo snel als mogelijk kan worden herenigd met bijvoorbeeld ouders of naaste familieleden in het land van herkomst.

28. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesterkt door het arrest TQ van 14 januari 2021. In dit arrest heeft het Hof voor recht verklaard:

“1. Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, gelezen in samenhang met artikel 5, onder a), van deze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat de betrokken lidstaat, alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen een niet-begeleide minderjarige, de situatie van die minderjarige algemeen en grondig moet toetsen, rekening houdend met het belang van het kind. In dat kader dient die lidstaat zich ervan te overtuigen dat er voor de betrokken niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer.

2. Artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 5, onder a), van deze richtlijn en in het licht van artikel24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat bij het onderzoek of er in het land van terugkeer adequate opvang aanwezig is, louter op leeftijd gebaseerd onderscheid mag maken tussen niet-begeleide minderjarigen.

3. Artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/115 moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat, na een terugkeerbesluit tegen een niet-begeleide minderjarige te hebben uitgevaardigd en zich overeenkomstig artikel 10, lid 2, van deze richtlijn van te hebben overtuigd dat die minderjarige wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer, niet tot zijn verwijdering overgaat zolang hij niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

29. Uit de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag door het Hof volgt dat indien de illegaal verblijvende derdelander een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is, de lidstaat alleen een terugkeerbesluit mag uitvaardigen nadat deze lidstaat de situatie van die minderjarige algemeen en grondig heeft getoetst, rekening houdend met het belang van deze minderjarige en zich ervan heeft overtuigd dat er voor deze minderjarige adequate opvang in het land van terugkeer is. Zolang verweerder dit grondige onderzoek naar de situatie en het belang van de minderjarige niet verricht en/of er voor deze minderjarige geen adequate opvang is in het land van terugkeer, mag hij geen terugkeerbesluit uitvaardigen.

30. De rechtbank kan verweerder dan ook niet volgen in zijn reactie van 26 februari 2021 op het arrest TQ dat eiser inmiddels meerderjarig is en het reeds aan hem opgelegde terugkeerbesluit geldig is vanaf het moment dat hij de achttienjarige leeftijd heeft bereikt. Nog daargelaten dat het bestreden besluit is vernietigd (rechtsoverweging 25) kan een eenmaal onrechtmatig opgelegd terugkeerbesluit naar het oordeel van de rechtbank niet herleven. Hierbij komt nog het volgende.

31. Indien verweerder in het nieuw te nemen besluit van mening is dat eiser niet in aanmerking komt voor internationale bescherming, dient hij alsnog te onderzoeken of eiser destijds ten tijde van zijn aanvraag wel in aanmerking zou zijn gekomen voor verblijf op reguliere gronden omdat er geen adequate opvang in het land van herkomst aanwezig was. Het Hof heeft bij de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag duidelijk uiteengezet dat het niet is toegestaan om bij het onderzoek of er in het land van terugkeer adequate opvang aanwezig is een louter op leeftijd gebaseerd onderscheid te maken tussen niet-begeleide minderjarigen. Het Hof heeft hierbij weliswaar niet letterlijk overwogen dat dit verbod ook geldt bij de vraag of een vergunning moet worden verleend als er geen sprake is van adequate opvang, maar de conclusie kan naar het oordeel van de rechtbank eenvoudigweg niet anders luiden. Hierbij betrekt de rechtbank nog dat uit het arrest van het Hof volgt dat onverenigbaar is met het belang van het kind om hem in grote onzekerheid te laten verkeren over zijn wettelijke status en zijn toekomst, onder meer wat betreft zijn opleiding, zijn band met een pleeggezin of de mogelijkheid om in de betrokken lidstaat te blijven (zie punten 53 en 54 van het arrest). Dit betekent dat verweerder niet langer de situatie kan laten voortbestaan waarin hij de minderjarige niet-begeleide vreemdeling die bij zijn aanvraag vijftien jaar of ouder was niet toelaat, maar ook niet verwijdert totdat deze achttien jaar is geworden. Verweerder zal eiser hetzelfde moeten behandelen als alle andere niet-begeleide minderjarigen die ten tijde van hun eerste verblijfsaanvraag jonger dan vijftien jaar waren en in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd omdat zij vanwege het ontbreken van adequate opvang buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken.

32. Dat eiser inmiddels ouder dan achttien jaar is, wil niet zeggen dat hij geen belang meer heeft bij vorenbedoelde vaststelling wanneer hij niet in aanmerking komt voor internationale bescherming. Voor zover verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘amv die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’ zou zijn ingetrokken op het moment dat eiser achttien jaar werd, laat dit onverlet dat de beoordeling of eiser rechtmatig verblijf zou hebben gehad op die verblijfstitel nodig is om te kunnen beoordelen of eiser vanaf zijn achttiende eventueel niet in aanmerking kwam voor voortgezet verblijf op bijvoorbeeld artikel 7 van het Handvest of artikel 8 van het EVRM (privéleven). Met andere woorden: de vraag of zijn verblijfsvergunning niet dient te worden gewijzigd naar een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk voortgezet verblijf om in Nederland te mogen blijven wonen.

33. Nu het beroep gegrond wordt verklaard bestaat er aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.335,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van de schriftelijke repliek, met een waarde per punt van € 534,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw een besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.335,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong-Nibourg, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 2 juni 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.