Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:10096

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
20-09-2021
Zaaknummer
SGR-20_2447
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat eiser wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij als bewoner van een dienstwoning servicekosten moest betalen. De terugvordering is niet in strijd met het zekerheidsbeginsel. Eiser kan geen geslaagd beroep doen op het gelijkheidsbeginsel. Van een toezegging dat hij de servicekosten niet hoefde te betalen is niet gebleken. Ook het beroep op de zes-maandenjurisprudentie slaagt niet. Het geval van eiser, waarin zowel de ambtenaar als het bestuursorgaan op een bepaald moment worden geconfronteerd met de onverschuldigdheid van een betaling die ontstaat door een onjuiste uitvoering van regelgeving, is niet gelijk te stellen met de situatie dat een (gewezen) ambtenaar het bestuursorgaan wijst op een reeds bestaande onjuistheid van een betaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/2447


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. T.A. van Helvoort),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. V.E. Mataheru).

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2019 heeft verweerder een bedrag van € 3.874,02 teruggevorderd van eiser.

Bij besluit van 17 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen voor wat betreft de hoogte van de vordering en de periode waarover wordt teruggevorderd. De vordering is teruggebracht tot € 1.687,60.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser is op 1 juli 2015 als attaché van de Koninklijke Marechaussee geplaatst in [plaats] ([land]). Omdat hij een dienstwoning bewoonde, hadden de servicekosten met hem moeten worden verrekend. Per vergissing heeft verweerder deze kosten niet in rekening gebracht. Dit heeft verweerder alsnog gedaan op 18 juni 2019. Het bedrag dat verweerder in eerste instantie van eiser heeft teruggevorderd, heeft verweerder verlaagt tot een bedrag van

€ 1.687,60.

Wat vinden partijen in beroep?

2. Eiser betwist (de hoogte van) de terugvordering. Hij stelt dat verweerder er ten onrechte aan voorbijgaat dat aan de Regeling dienstwoningen BZ jarenlang geen uitvoering werd gegeven. De notitie van 18 april 2017, waarin staat vermeldt dat dat de regeling verschillend werd geïnterpreteerd en er strikter de hand aan moet worden gehouden, is niet aan hem bekend gemaakt. Verder wijst eiser erop dat uit een aan hem gerichte e-mail van

18 oktober 2018 blijkt dat tot dan toe het standpunt was ingenomen dat de ambassade de servicekosten zou dragen. Eiser stelt dat tot 15 oktober 2018 zou worden gewacht op een reactie met betrekking tot de doorbelasting aan de ambassade en de kosten bij het uitblijven hiervan (voortaan) aan de expats in rekening gebracht zouden worden. Hij heeft uiteindelijk op 18 februari 2019 vernomen dat hij de servicekosten moet terugbetalen.

Eiser stelt dat hij tot 18 februari 2019 dan wel 15 oktober 2018 redelijkerwijs niet hoefde te beseffen dat hij de servicekosten moest betalen. De terugvordering over de voorliggende periode is volgens eiser in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel omdat de Regeling dienstwoningen BZ in die tijd anders geïnterpreteerd werd en eiser daarop mocht afgaan.

In het aanvullend beroepschrift wijst eiser nog op de zes-maandenjurisprudentie. Daarbij stelt eiser dat er niet meer kan worden overgegaan tot terugvordering omdat het bestuursorgaan al in 2017 was geattendeerd op de inconsistente verrekening van de servicekosten bij in het buitenland geplaatst personeel en het bestuursorgaan niet binnen zes maanden actie heeft ondernomen.

3. Verweerder blijft bij zijn standpunt dat eiser bij aanvang van zijn plaatsing en zeker op 18 juni 2017 op de hoogte had kunnen zijn van het bestaan van de Regeling dienstwoningen BZ en daarmee van de verplichting om de servicekosten, bijkomende kosten en gemeentelijke heffingen te betalen.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder op goede gronden van eiser een bedrag van € 1.687,60 heeft teruggevorderd. Voor de beantwoording van die vraag is van belang of eiser wist of redelijkerwijs kon weten dat dat hij servicekosten verschuldigd was.

5. Verweerder heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat juist om (toekomstige) attachés bekend te maken met de geldende regels die komen kijken bij een plaatsing in het buitenland, voorafgaand aan de plaatsing, één of meer opleidingen en bijeenkomsten worden aangeboden. Eiser was in juni 2015 aanwezig bij zo’n bijeenkomst (IAC - Internationale Attaché Cursus), waarin ook huisvesting en vergoedingen aan de orde komen.

Verweerder wijst erop dat het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ) zelf al regels stelt over (het onderhoud van) dienstwoningen en een kostenverdeling bij bewoning en ook regelt dat verweerder nadere regels kan stellen over dienstwoningen. Eiser had volgens verweerder daarom al in 2015 kunnen weten dat hij kosten zou moeten dragen en dat er mogelijk nadere regels konden zijn. Verweerder heeft de vindplaatsen daarvan in het verweerschrift vermeld.

6. Nu in artikel 7 van de Regeling dienstwoningen BZ de onderhoudsplicht van de bewoner en in artikel 10 de plicht van betaling van heffingen staat vermeld en uit het bovenstaande naar het oordeel van de rechtbank volgt dat eiser door verweerder afdoende op de hoogte is gebracht van de plicht tot betalen van de servicekosten, is de rechtbank van oordeel dat eiser wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij als bewoner van een dienstwoning servicekosten moest betalen. Volgens vaste rechtspraak1 geldt in een dergelijk geval dat het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van evenredige belangenafweging meebrengen dat het bestuursorgaan in het algemeen slechts gedurende een termijn van twee jaar na de dag van uitbetaling gebruik maakt van zijn bevoegdheid om wat aan de ambtenaar onverschuldigd is betaald terug te vorderen.

7.
De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn betoog dat de terugvordering in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Niet correcte uitvoering of uitleg van het Reglement dienstwoningen BZ in het verleden betekent niet dat verweerder na ontdekking daarvan niet mag overgaan tot juiste toepassing van de geldende regelgeving. Verder overweegt de rechtbank dat eiser ook geen geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel. Van een toezegging dat hij de servicekosten niet hoeft te betalen is niet gebleken. Eiser heeft geen bewijs overgelegd van zijn stelling dat met het in rekening brengen van de servicekosten zou worden gewacht tot 15 oktober 2018.

8. Ook eisers beroep op de zes-maandenjurisprudentie slaagt niet. Op grond van de zes-maandenjurisprudentie wordt de bevoegdheid van een bestuursorgaan om onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen in de tijd beperkt indien het niet adequaat reageert op signalen van een (gewezen) ambtenaar waaruit kan worden afgeleid dat te veel of ten onrechte uitkering wordt verstrekt. Na een dergelijk signaal heeft het bestuursorgaan nog maximaal zes maanden om tot actie over te gaan. Over de periode gelegen na die zes maanden is het in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel om nog gebruik te maken van de bevoegdheid tot terugvordering. Met deze rechtspraak is beoogd om het vertrouwen van de uitkeringsgerechtigde op de juistheid van de door het uitvoeringsorgaan betaalde uitkeringsbedragen te honoreren na een redelijke termijn nadat de uitkeringsgerechtigde aan het uitvoeringsorgaan een signaal heeft gegeven over een wijziging van relevante feiten. In dit geval staat de zes-maandenjurisprudentie staat niet in de weg staat aan de terugvordering. Het geval van eiser, waarin zowel de ambtenaar als het bestuursorgaan op een bepaald moment worden geconfronteerd met de onverschuldigdheid van een betaling die ontstaat door een onjuiste uitvoering van regelgeving, is immers niet gelijk te stellen met de situatie dat een (gewezen) ambtenaar het bestuursorgaan wijst op een reeds bestaande onjuistheid van een betaling.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Bijlage

Regeling dienstwoningen BZ

Artikel 7 Onderhoudsplicht bewoner

1. De onderhoudsplicht van de bewoner is gelijk aan die welke in Nederland voor de huurder of gebruiker geldt, ongeacht de bepalingen van de huurovereenkomst.

2. De bewoner draagt gedurende de bewoning zorg voor kleine en dagelijkse reparaties en ingrepen tot behoud van de dienstwoning en ter voorkoming van vervolgschade, onder meer omvattend:

a. het witten, sauzen, behangen en schilderen binnen de dienstwoning;

b. het reinigen van vaste vloerbedekking en het onderhouden van houten, plavuizen of marmeren vloeren, waaronder begrepen het boenen en in de was zetten;

c. het schoonhouden van ramen en het vervangen van gebroken ruiten;

d. het onderhouden, repareren en zo nodig vervangen van schakelaars, contactdozen, deurbellen en dergelijke alsmede hang- en sluitwerk, voor zover niet behorend tot de speciaal getroffen veiligheidsvoorzieningen als bedoeld in artikel 9;

e. het schoonhouden en ontstoppen van closetten, wastafels, gootstenen, douches, putten, waaronder begrepen septische tanks, (dak)goten, ventilatiekanalen, geisers, boilers en dergelijke;

f. het onderhoud van waterkranen en het treffen van voorzieningen aan de water- en verwarmingsleidingen ter voorkoming van bevriezing;

g. het onderhoud van de bij de dienstwoning behorende tuin, met inbegrip van het snoeien van bomen, met inachtneming van artikel 8;

h. het schoonhouden van een eventueel bij de dienstwoning behorend zwembad, met inbegrip van de uitvoering van kleine reparaties aan de filterinstallatie en de toevoeging van noodzakelijke chemicaliën;

i. het onderhoud van een eventueel bij de dienstwoning behorende tennisbaan, met inbegrip van het wekelijks rollen van een gravelbaan en de noodzakelijke vervanging van versleten netten en baanmarkeringen;

j. het eenmaal per jaar vegen van de schoorsteen;

k. het sneeuw- en ijsvrij maken van stoep, erf, daken en (dak)goten;

1. het in onderling overleg met derden schoonhouden van voor gemeenschappelijk gebruik met die anderen bestemde trappen, portalen, liften, fietsen- of andere stallingen en dergelijke. De uit de onderhoudsplicht voortvloeiende kosten zijn voor rekening van betrokkene.

3. Voor zover gevallen van behoud en onderhoud niet zijn aangeduid in deze regeling beslist het hoofd van de post.

Artikel 10 Kosten van dienstverlening

1. […]

2. Voor rekening van de bewoner komen, ongeacht de bepalingen van de

huurovereenkomst,:

a. de exploitatie- en abonnementskosten van een kabel-televisie, een centraal antennesysteem en een telefoon;

b. de kosten van het ophalen en verwerken van huisvuil, rioleringsrechten en milieuheffingen.

3. Voor zover gevallen van dienstverlening niet zijn aangeduid in deze regeling beslist het hoofd van de post.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2020:2737