Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:10080

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
22-09-2021
Zaaknummer
C/09/589067 / HA ZA 20-235
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2021:10283
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Collectieve actie. Vonnis met beslissingen over de ontvankelijkheid en het aanwijzen van een exclusieve belangenbehartiger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0745
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/589067 / HA ZA 20-235

Vonnis van 19 mei 2021

in de zaak van

1 [eisende partij sub 1] , te [plaats 1] ,

2 [eisende partij sub 2] ,te [plaats 2] , [land] ,

3 STICHTING RADAR INC, te Rotterdam,

advocaat mr. A.M. van Aerde te Amsterdam,

en

4 NEDERLANDS JURISTEN COMITÉ VOOR DE MENSENRECHTEN,

te Leiden,

5 AMNESTY INTERNATIONAL (AFDELING NEDERLAND), te Amsterdam,

6 CONTROLE ALT DELETE, te Amsterdam,

advocaat mr. J. Klaas te Amsterdam,

eisers

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN DEFENSIE EN MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID), te Den Haag,

advocaat mr. C.M. Bitter, te Den Haag,

gedaagde.

Eisers worden hierna gezamenlijk [eisende partij sub 1 c.s.] genoemd. Ieder voor zich worden zij respectievelijk [eisende partij sub 1] , [eisende partij sub 2] , Stichting Radar, NJCM, Amnesty International en CAD genoemd. Gedaagde wordt de Staat genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 februari 2020, met producties, die is aangetekend in het centraal register voor collectieve vorderingen op 26 februari 2020,

  • -

    de conclusie van antwoord van 19 augustus 2020, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 28 april 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen ten overstaan van een meervoudige kamer op 15 juni 2021,

  • -

    de ambtshalve bepaalde mondelinge behandeling van 6 mei 2021 in het kader van de beslissingen van de rechtbank over de ontvankelijkheid van de vorderingen en de aanwijzing van de exclusief belangenbehartiger. Deze zitting vond plaats door middel van een audiovisuele verbinding. In overleg met partijen is geen proces-verbaal van deze zitting opgemaakt.

1.2.

Vervolgens is dit vonnis bepaald. Dit vonnis heeft alleen betrekking op de ontvankelijkheid van de vorderingen en de aanwijzing van de exclusief belangenbehartiger. Bij de beoordeling wordt uitgegaan van de thans vaststaande feiten en voor zover voor deze onderwerpen van belang.

2 De feiten

2.1.

De Koninklijke Marechaussee (verder: Kmar) is onder meer belast met het Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV) in het kader van de bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding. Met dit doel is de Kmar bevoegd om personen die net de Nederlandse grens zijn gepasseerd staande te houden ter vaststelling van identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

2.2.

[eisende partij sub 1] is woonachtig in [plaats 1] . Hij passeert de landsgrenzen regelmatig. In april 2018 is [eisende partij sub 1] in het kader van een MTV-controle staande gehouden op Eindhoven Airport. Hij heeft hierover een klacht ingediend bij de Kmar, omdat volgens hem bij deze controle sprake was van etnische profilering. Met de beoordeling van deze klacht door (de klachtencommissie van) de Kmar is [eisende partij sub 1] het niet (volledig) eens. Hij heeft zich vervolgens tot de Nationale Ombudsman gewend, die op deze klacht nog niet heeft beslist.

2.3.

[eisende partij sub 2] woont in [land] en werkt in Nederland als piloot en reist daarom regelmatig tussen beide landen. Tussen maart 2015 en juni 2015 is [eisende partij sub 2] vier of vijf keer op Rotterdam The Hague Airport gevlogen en is hij in het kader van MTV drie keer gecontroleerd. Namens [eisende partij sub 2] heeft Stichting Radar bij de Kmar een klacht over ongelijke behandeling bij deze controles ingediend, omdat volgens hen bij deze controles sprake was van etnische profilering. Deze klacht is ongegrond verklaard, waarna Stichting Radar zich namens [eisende partij sub 2] tot de Nationale Ombudsman heeft gewend. Deze heeft in zijn rapport van 29 maart 2017 de klacht gegrond bevonden en heeft de Staat een aantal aanbevelingen gedaan ten aanzien van de MTV-controles.

2.4.

Stichting Radar bevordert gelijke behandeling en richt zich op preventie en bestrijding van discriminatie in politie-eenheden. Zij doet dit onder meer door middel van klachtenbehandeling, overleg, voorlichting, beleids- en publieksbeïnvloeding en juridische acties. Sinds 2021 houdt zij zich actief en zichtbaar bezig met het thema “etnisch profileren” bij de politie.

2.5.

NJCM is een vereniging die zich bezighoudt met de bescherming en versterking van de fundamentele rechten en vrijheden van de mens.

2.6.

Amnesty International is een vereniging die zich wereldwijd inzet voor de eerbiediging van mensenrechten door overheden.

2.7.

CAD is een landelijk platform zonder rechtspersoonlijkheid, dat zich inzet tegen etnisch profileren door middel van verschillende manieren van publieksvoorlichting, beleidsbeïnvloeding, praktijkverandering en de begeleiding en bemiddeling bij klachten.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij sub 1 c.s.] vorderen dat de rechtbank, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1.a. voor recht verklaart dat het opstellen en gebruiken van risicoprofielen ten behoeve van MTV-controles waarvan etniciteit deel uitmaakt, in strijd is met het discriminatieverbod;

1.b. voor recht verklaart dat het nemen van selectiebeslissingen bij de uitvoering van MTV-controles die gebaseerd zijn op etniciteit, in strijd is met het discriminatieverbod;

2.a. de Staat verbiedt ten behoeve van MTV-controles risicoprofielen op te stellen en te gebruiken waarvan etniciteit (mede) deel uitmaakt;

2.b. de Staat verbiedt bij de uitvoering van MTV-controles selectiebeslissingen te nemen die (mede) gebaseerd zijn op etniciteit;

3. de Staat beveelt om ervoor te zorgen dat bij de uitvoering van MTV-controles geen directe of indirecte discriminatie plaatsvindt;

4. de Staat veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

3.2.

[eisende partij sub 1 c.s.] leggen aan hun vorderingen, kort gezegd, ten grondslag dat bij het MTV door (medewerkers van) de Kmar structureel sprake is van etnische profilering, omdat bij het opstellen van risicoprofielen ten behoeve van het MTV en bij het nemen van selectiebeslissingen tot staandehouding in de uitvoering van het MTV, huidskleur, afkomst en etniciteit worden betrokken. Dit is volgens hen in strijd met het discriminatieverbod, dat is vastgelegd in meerdere internationale verdragen en richtlijnen en in nationale wetgeving. Aldus handelt de Staat onrechtmatig volgens [eisende partij sub 1 c.s.]

3.3.

De Staat concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vorderingen van CAD en tot afwijzing van de vorderingen voor het overige. De Staat weerspreekt dat de Kmar discrimineert wanneer persoonlijke kenmerken als huidskleur en etniciteit worden betrokken bij de uitvoering van het MTV.

4 De beoordeling

Collectieve actie en de vorderingen van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2]

4.1.

De dagvaarding bevat vorderingen in een collectieve actie op grond van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het gaat om de vorderingen van Stichting Radar, NJCM, Amnesty International en CAD (hierna tezamen: de belangenorganisaties), die vallen onder het regime van titel 14a van Boek 3 Rv. Voor de ontvankelijkheid van deze collectieve vorderingen geldt een aantal, ambtshalve te beoordelen, eisen.

4.2.

De vorderingen van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] zijn ingesteld voor ieder van hen voor zich. De feitelijke grondslagen van hun vorderingen dienen daarnaast mede als onderbouwing en illustratie van de collectieve vorderingen van de belangenorganisaties. De ontvankelijkheidseisen voor collectieve vorderingen gelden niet voor

de vorderingen van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] . Omwille van de proceseconomie beoordeelt de rechtbank niettemin hieronder ook of zij in hun vorderingen kunnen worden ontvangen.

De beoordeling op de voet van artikel 1018c lid 5 Rv van de vorderingen van de belangenorganisaties

4.3.

Op grond van artikel 1018c lid 5 Rv vindt inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering slechts plaats indien en nadat de rechtbank heeft beslist:

a. dat de belangenorganisaties voldoen aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) of dat niet aan deze eisen behoeft te worden voldaan op grond van lid 6 van dit artikel;

b. dat de belangenorganisaties voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering, doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt voldoende is en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben;

c. dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering blijkt op het moment waarop het geding aanhangig wordt.

4.4.

De rechtbank moet in de eerste plaats beoordelen of artikel 3:305a lid 6 BW van toepassing is en zo ja, beoordelen of zij al dan niet gebruik maakt van de bevoegdheid om de vereisten van artikel 3:305a leden 2 en 5 BW terzijde te stellen. Daarnaast moet hoe dan ook zijn voldaan aan de eisen van artikel 3:305a leden 1 en 3 BW.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat de vorderingen van de belangenorganisaties (en overigens geldt hetzelfde voor die van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] ) niet strekken tot het verkrijgen van een schadevergoeding in geld. De vorderingen zijn ingesteld met een ideëel doel en met het oog op de belangen van personen die in het kader van het MTV kunnen worden staande gehouden op grond van hun etniciteit en huidskleur. Aan de eisen van artikel 3:305a lid 6 BW is daarmee voldaan. De rechtbank zal daarom niet toetsen aan de vereisten van de leden 2 en 5 van artikel 3:305a BW.

4.6.

Niet in geschil is, en ook de rechtbank stelt vast, dat de vorderingen van Stichting Radar, NJCM en Amnesty International voldoen aan het vereiste van artikel 3:305a lid 1 BW. Dat geldt niet voor de vorderingen van CAD, omdat CAD geen rechtspersoonlijkheid bezit. Hoewel voor de rechtbank buiten twijfel is dat CAD vanwege zijn werkzaamheden en maatschappelijke activiteiten belang heeft bij de uitkomst van deze procedure, kan hij vanwege het ontbreken van de vereiste rechtspersoonlijkheid niet worden ontvangen in zijn vorderingen.

4.7.

Dat aan de vereisten van artikel 3:305a lid 3 aanhef en onder a BW is voldaan voor wat betreft Stichting Radar, NJCM en Amnesty International, hebben zij in de dagvaarding toegelicht en onderbouwd. De Staat heeft hier geen pijlen tegen gericht. De rechtbank ziet geen aanleiding hierover ambtshalve anders te oordelen. De rechtbank stelt verder vast dat de vorderingen een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer hebben. Het betreft immers de rechtmatigheid van het MTV, dat per definitie op Nederlands grondgebied plaatsvindt. Tot slot is ook in voldoende mate gebleken van het vereiste overleg. Ook aan de vereisten onder b en c van artikel 3:305a lid 3 BW is daarom voldaan.

4.8.

Niet in geschil is dat een collectieve actie in de onderhavige kwestie effectief en efficiënt is. De rechtbank onderschrijft dit.

4.9.

Tot slot is geen sprake van de situatie dat de vorderingen van eisers op voorhand al ondeugdelijk zijn gebleken.

4.10.

Dit alles betekent dat de vorderingen van Stichting Radar, NJCM en Amnesty International de toets van artikel 1018c lid 5 Rv doorstaan. De vorderingen van CAD kunnen dat niet en zullen in het eindvonnis niet-ontvankelijk worden verklaard.

Aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger

4.11.

Op grond van artikel 1018e Rv moet de rechtbank een exclusieve belangenbehartiger aanwijzen uit Stichting Radar, NJCM en Amnesty International. Dit is het uitgangspunt, ook wanneer meerdere belangenorganisaties bij één dagvaarding dezelfde vordering instellen en ontvankelijk zijn.

4.12.

Deze eisers hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 6 mei 2021 primair verzocht zowel Stichting Radar als Amnesty International aan te wijzen als exclusieve belangenbehartiger. Dit verzoek is met name ingegeven door de onderlinge taakverdeling die deze partijen en hun advocaten hebben gemaakt, waarbij de advocaten van Stichting Radar (en [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] ) in de praktijk procedureel het voortouw nemen. Wanneer de omvang van de achterban in aanmerking wordt genomen, is volgens deze eisers subsidiair Amnesty International de meest aangewezen partij om te worden aangewezen.

4.13.

De Staat heeft over dit onderwerp geen standpunt ingenomen.

4.14.

De rechtbank acht Amnesty International de meest geschikte eiser om te fungeren als exclusief belangenbehartiger en wijst daarom Amnesty International aan als de exclusieve belangenbehartiger in de zin van artikel 1018e Rv. Daarbij merkt zij op dat dit voor de onderlinge taakverdeling van (de advocaten van) partijen in de praktijk weinig tot geen gevolgen zal hoeven hebben, gelet op de beperkte hoeveelheid nu nog te verwachten proceshandelingen in deze procedure en mede gelet op het feit dat de advocaten van Stichting Radar ook de advocaten van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] zijn, voor wie deze aanwijzing niet geldt.

4.15.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1018e lid 5 Rv dient Amnesty International dit vonnis, inhoudende deze beslissing, aan te tekenen in het centrale register voor collectieve vorderingen.

De ontvankelijkheid van de vorderingen van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2]

4.16.

Een eisende partij moet een eigen, rechtstreeks belang bij de ingestelde rechtsvordering hebben (zie artikel 3:303 BW). Dit is aangevuld in het hiervoor besproken artikel 3:305a BW, met de mogelijkheid een vordering in te stellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van anderen. In de wetsgeschiedenis van artikel 3:305a BW is opgemerkt dat als een algemeen belang actie wordt ingesteld, “de burgers individueel, wegens gebrek aan belang, veelal geen vordering toe(komt)” (zie Kamerstukken II 1991/92, 22 486, nr. 3, p. 21). Naast een collectieve actie is dus alleen plaats voor de vorderingen van de individuele eisers, als zij een voldoende concreet eigen belang hebben.

4.17.

De collectieve actie van Stichting Radar, NJCM en Amnesty International omvat mede de individuele feitelijke belangen van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] . Zij stellen dat hun individueel belang onder meer bestaat uit het aan de orde stellen of een aan hen toekomend fundamenteel mensenrecht door de Staat wordt geëerbiedigd en de mogelijkheid dat tot in allerhoogste instantie aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) voor te leggen. De indiener van een klacht bij het EHRM moet immers persoonlijk en direct het slachtoffer zijn van een schending van een fundamenteel recht dat is vastgelegd in het EVRM of in één van de protocollen hierbij en eerst de nationale rechtsmiddelen hebben benut. De rechtbank ziet hierin voldoende aanleiding aan te nemen dat ook [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] voldoende procesbelang hebben bij hun vorderingen in deze procedure.

4.18.

De Staat heeft er op gewezen dat enige toewijzing van de vorderingen van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] alleen betrekking kan hebben op henzelf en dat de algemene bewoordingen van de verschillende vorderingen in dat opzicht problematisch zijn. Dit betreft echter niet de ontvankelijkheid maar de toewijsbaarheid van deze vorderingen, en is dan ook onderwerp van de inhoudelijke behandeling van het geschil, dat nu nog niet aan de orde is.

Conclusie

4.19.

Het voorgaande leidt tot de volgende slotsom:

  • -

    Stichting Radar, NJCM en Amnesty International en hun vorderingen kunnen de toets van artikel 1018c lid 5 Rv doorstaan,

  • -

    dit geldt niet voor CAD en zijn vorderingen, die te zijner tijd in het eindvonnis niet-ontvankelijk zullen worden verklaard;

  • -

    Amnesty International wordt aangewezen als exclusieve belangenbehartiger en haar wordt als zodanig opgedragen dit vonnis aan te tekenen in het centraal register voor collectieve vorderingen;

  • -

    [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben voldoende procesbelang bij hun vorderingen, zodat zij in die vorderingen kunnen worden ontvangen.

4.20.

De mondelinge behandeling van de zaak is reeds gelast en vindt plaats op 15 juni 2021. Dan zal de zaak inhoudelijk worden behandeld.

4.21.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst Amnesty International aan als exclusieve belangenbehartiger;

5.2.

draagt Amnesty International op van dit vonnis aantekening te maken in het centraal register voor collectieve vorderingen;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems, mr. L. Alwin en mr. M.H. Erich en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter mr. L. Alwin op 19 mei 2021.1

1 type: 2651