Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:10029

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
NL21.12805
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ei van Nigeriaanse nationaliteit, Dublin Frankrijk, niet verschenen voor gehoor, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.12805


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

v-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. J.M. Walls),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden).

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.12806, op 26 augustus 2021 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1994 en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 13 juni 2021 in Nederland een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening1is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser voert hiertegen aan dat hij ten onrechte niet is gehoord. Hij stelt dat hij is uitgenodigd voor verhoor en zich hiervoor ook tweemaal heeft gemeld, maar dat hij vanwege problemen met de internetverbinding niet is gehoord. Verder voert hij aan dat ten aanzien van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst hij op een uitspraak van het EHRM van 2 juli 2020.2 Tot slot beroept hij zich op artikel 17 van de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. De rechtbank stelt voorop dat eiser in het aanmeldcentrum in Ter Apel is uitgenodigd voor een aanmeldgehoor op 16 juni 2021, 23 juni 2021 en op 28 juni 2021. Dat eiser op 16 juni 2021 is verschenen en dat toen geen gehoor heeft plaatsgevonden, is niet in geschil. Verweerder heeft in het bestreden besluit opgemerkt dat eiser de andere genoemde data zonder voorafgaande kennisgeving en zonder verschoonbare reden niet is verschenen voor het aanmeldgehoor. Ter zitting heeft verweerder hieraan nog toegevoegd dat hij navraag heeft gedaan bij het COA3 in Ter Apel en dat hem is verteld dat eiser op

30 juni 2021 vanuit Ter Apel is overgeplaatst naar het asielzoekerscentrum in Maastricht. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan deze informatie. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij op 23 juni 2021 en op 28 juni 2021 wél is verschenen en verweerder hem desondanks niet heeft gehoord.

5. Uit vaste rechtspraak4 volgt dat verweerder ten opzichte van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat niet is gebleken van bezwaren tegen de overdracht aan Frankrijk. Met de aanvaarding van het terugnameverzoek hebben de Franse autoriteiten toegezegd het asielverzoek van eiser te zullen behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen en internationale verplichtingen. Eiser heeft niet met documenten en verklaringen aannemelijk gemaakt dat eraan moet worden getwijfeld dat Frankrijk zijn verplichtingen in dit verband niet zal nakomen. De uitspraak van het EHRM waarop eiser zich beroept, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Deze uitspraak heeft immers, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, geen betrekking op de situatie van Dublinclaimanten in Frankrijk.

6. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening, nu eiser dit beroep niet heeft onderbouwd.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Verordening (EU) nr. 604/2013.

2 Het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), N.H. e.a. t. Frankrijk van 2 juli 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0702JUD002882013.

3 Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1256).